Het einde van een Enkhuizer verzetsgroep

De dood van Tom Kranenburg en Dirk Wierenga

 

Bron: tijdschrift ‘Steevast’ van de Vereniging Oud Enkhuizen, een artikel van P.J. de Vries

 

Klik hier voor de vereniging OUD ENKHUIZEN

 

N.B. De naam van Sietse Dirk Sietses is in de weergave van dit artikel vetgedrukt.

 

De gebeurtenissen die zouden resulteren in het uitschakelen van een deel van het Enkhuizer verzet, eind 1943, begonnen op de avond van 6 oktober van dat zelfde jaar. In het gras langs de Zuiderboeren­vaart had zich toen de politieman en SD-handlanger Hendrikus Rook verscholen. Met hem lagen daar enkele Duitsers, leden van de Wasserschutz­polizei. Verder bevond zich in hun gezelschap de Nederlandse Waterpolitie­man en NSB-er Gerard Cornelis Tuinstra. Zij lagen daar om het huis te bespieden van loodgieter Sietse Dirk Sietses.

Sietses, meestal Sas genoemd, werd verdacht van illegale activiteiten die hij onder de dekmantel van zijn functie als hoofd van de Nachtveiligheidsdienst 's avonds en 's nachts kon uitvoeren. In het pand werden die avond geen mensen waargenomen en tenslotte, om ongeveer middernacht, ging men over tot huiszoeking. Er werd niets gevonden en de actie moest worden beëindigd. Waarom werd Sietses verdacht?

 

Een verzetsgroep

Begin 1943 trok een Overijsselse dominee, Frits Slomp, door het land. Hij bezocht die kringen waar hij door zijn ambt makkelijk geïntroduceerd kon worden en probeerde vrijwilligers te werven voor een organisatie die tot doel had het verzorgen van onderduikers: Joden, weigeraars voor de Arbeitseinsatz in Duitsland en ondergrondse werkers. Aan zijn veelvuldig reizen had hij de schuilnaam 'Frits de Zwerver' ontleend. Ook in Enkhui­zen was zo'n groep opgericht.

De leiding had Gerrit Appelhof, hoofd van de christelijke lagere school aan de Driebanen. Het gepensioneerde hoofd van de school in de Raamstraat, Jan Hommes, en de schrijver-journalist Klaas Norel zorgden voor de binnengekomen gelden.

Sas Sietses en Jan Visser, de koster van de gereformeerde kerk, waren de doeners. Zij plaatsten de onderduikers, betaalden ondersteuning, zorgden voor bonkaarten, stempels en stamkaarten terwijl ze verder de verspreiding van illegale lectuur organiseerden. Een leverancier van stempels en andere bescheiden was Willem van Dijk, directeur van het Arbeidsbureau. Paulus Stomp, ambtenaar van Gemeentewerken, was de districtsleider van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, de LO, en contact­man voor de rest van het ondergrondse net in Noord-Holland. De hulppre­diker

A.J. Bos - doorgaans candidaat Bos genoemd om verwarring met zijn bijna-naamgenoot, dominee A.J. Boss te voorkomen - had als geestelijk leider en als inspirator van het eerste uur ook zitting in de groep.

Er waren ook koeriers: de onderduikers Dirk Wierenga en Piet de Vries. Zij voerden orders uit zoals het wegbrengen van vluchtelingen naar schuil­plaatsen in de omgeving. Soms ook vormden zij een knokploeg met de medeonderduikers Garmt Molenhuis, Hendrik Kruizinga en Nico Werk­man. Zo'n knokploeg bevrijdde gevangenen, elimineerde vijanden en voerde overvallen uit op plaatsen waar bonkaarten en persoonsbewijzen werden bewaard.

Af en toe hielpen ook wel eens mee Tom Kranenburg en Theo Laagland. Kranenburg was kelner op de Staverse boot. Daardoor kon hij gemakkelijk het illegale blad 'Trouw' vervoeren dat hij dan in een van de buffetten verstopte. Bovendien was hij de eigenaar van een pistool.

Helemaal zelfstandig werkten nog Jan Lenters en zijn zoon Bernardus. Deze boekhandelaar en drukker plaatste ook onderduikers in Enkhuizen.

 

Overmoed en argeloosheid

De groep deed goed werk zonder dat er ongelukken gebeurden. Onderdui­kers vonden een schuilplaats en verzorging en zelfs een illegale wapenbroe­der die in Hoogkarspel gevangen zat, een zekere Barend Mes, werd in de nacht van 31 augustus op 1 september uit het Raadhuis bevrijd. Kranen­burg en Wierenga waren erbij betrokken.

Het was alleen jammer dat de volgende dag passagiers van de Staverse boot al vroeg de details van de overval wisten te vertellen.

Ook was het een publiek geheim dat Sietses iets met de illegaliteit te maken had en dat Hommes hem vaak opzocht. Op zich was dat niet angstwekkend. De 'goede' Enkhuizers zouden er niet over denken hun plaatsgenoten aan te geven en de plaatselijke NSB-ers hadden er over het algemeen geen behoefte aan hun toch al slechte imago nog meer te beschadigen door acties op touw te zetten waar ze alleen maar haat mee konden oogsten.

Toch zouden het te grote zelfvertrouwen en de euforie na een spannende operatie de waakzaamheid gaan ondermijnen. Er werd te weinig rekening gehouden met de vreemde elementen die waren aangetrokken om op zich onschuldige politietaken uit te voeren in de Enkhuizer gemeenschap.

 

De kast

In de organisatie die de bezetter had opgezet om de bevolking te controle­ren werden de arbeidsbureaus, de distributiekantoren en de gemeentehui­zen als erg kwetsbare punten gezien. Voedselbronnen, stempels en per­soonsbewijzen waren voor de Ondergrondse onmisbaar bij de verzorging van onderduikers.

 

Het Arbeidsbureau, dat gevestigd was in het statige pand op de hoek van de Westerstraat en de Van Bleijswijkstraat, was zo'n gebouw dat een permanente bewaking nodig had. Daarvoor werden bewakers aangetrokken uit de plaatselijke bevolking waarbij er zorg voor werd gedragen dat er tenminste enkele duitsgezinden bij waren. Zo had de groepsleider van de NSB in Enkhuizen, Hendrik Godefrooi, zich er een positie verworven. Deze voormalige sigarenmaker was een stiekeme intri­gant die anderen liefst het vuile werk liet doen.

 

In de zomer van 1943 werden er ook nog twee jonge politiemannen aangesteld die een opleiding op de politieschool in Schalkhaar hadden gevolgd. In zes maanden waren ze doordrenkt met fascistische ideeën en geheel naar de geest van de bezetter gevormd. Maar wie wist dat in Enkhuizen?

 

Hendrikus Rook en Frederik Teunisse deden zich voor als redelijke medeburgers maar in het verborgene hadden zij contact met de SD in Amsterdam. Godefrooi kende hun bedoelingen. Rook was een ambitieuze dienstklopper die via verraad omhoog probeerde te komen. Teunisse was voornamelijk crimineel.

Het oude gebouw in de Westerstraat gaf het trio een mooie gelegenheid om hun 'taken' uit te voeren. In de keuken bevond zich een kast die met de achterkant aan de kamer van de directeur grensde. Vanuit die kast waren de gesprekken in de directiekamer woordelijk te volgen.

 

Op een dag in september had Sietses een onderhoud van een uur met Van Dijk. Er werd over veel dingen gesproken, onder meer over stempels voor persoonsbewijzen. Ook kwamen mogelijke overvallen aan de orde. Dat gesprek heeft rampzalige gevolgen gehad.

 

De eerste arrestaties

Het drietal verraders had het gesprek vanuit de kast gevolgd. Om bij de afwikkeling van hun ontdekking ook het officiële gezag te betrekken gingen ze naar het Stadhuis om de NSB-burgemeester, Mattheus Broere, van het afgeluisterde gesprek op de hoogte te brengen.

Deze voormalige boekhouder en administrateur van het kamp Wester­bork zat op zulke berichten niet te wachten. Het liefst had hij rust in zijn gemeente. Overvallen op overheidsgebouwen verstoorden die rust. Zij maakten hem tegenover de Duitsers alleen maar kwetsbaar.

Met Rook had hij een slechte verhouding, die uiteindelijk het vertrek van de politieman eind december uit Enkhuizen tot gevolg had. Rook, op zijn beurt, beklaagde zich bij de Duitsers over de gebrek aan medewerking van de burgemeester en de NSB-ers.

Broere voelde zich, na de rapportage van Rook en zijn kameraden, gedwongen om advies te vragen bij de SD in Amsterdam. En de SD kwam. Op dinsdag 12 oktober verscheen de gevreesde Emil Rühl, rechterhand van Lages, met een aantal trawanten in Enkhuizen. Hij gelastte de burge­meester om Sietses,  Hommes, Van Dijk, Lenters, Norel en Stomp op het Stadhuis te ontbieden.

 

Sietses en van Dijk zagen in zo'n uitnodiging niets vreemds: het hoofd van de Nachtveiligheidsdienst en de directeur van het Arbeidsbureau kwamen wel vaker bij de burgemeester. Hommes had enige argwaan maar werd door de politieman die hem ophaalde en die ook niet beter wist, gerustgesteld. Na fouillering bleek hij f 500,- bij zich te hebben die hij niet kon verantwoorden.

Norel was niet thuis en Lenters werd in het Stadhuis gewaarschuwd door Zwaantje van Goor waarna hij door de achterdeur verdween. Stomp, die net naar een vergadering van de LO in Zaandam was, werd door Molen­huis in Hoogkarspel uit de trein gehaald. Nadat hij een tas met bescheiden had overhandigd reisde hij af naar Zeist en dook onder. Die tas zou later velen fataal worden.

 

Het eerste transport

De drie die wel op de uitnodiging van Broere waren ingegaan werden in de burgemeesterskamer ontvangen en voorgesteld aan de Duitsers. De burge­meester trok zich via de trouwzaal terug en het eerste verhoor begon.

Het viel Van Dijk op dat er allerlei details bekend waren van het gesprek dat hij met Sietses gevoerd had. Toch begreep hij nog steeds niet hoe de SD aan die informatie was gekomen. Het is achteraf onbegrijpelijk dat noch rechtstreeks, noch via de ondergrondse kanalen informatie was ingewon­nen over het bewakingspersoneel. Alleen al door de Duitse politieoplei­ding te Schalkhaar had men toch argwaan moeten koesteren.

De drie verdachten werden 's middags op transport gesteld. Geboeid in een taxi en onder begeleiding van Rook en Teunisse ging het richting Amsterdam. De politiemannen, in de ogen van de arrestanten 'goede Nederlanders', hadden dat positieve beeld nog weten te versterken door Van Dijk toe te staan zijn vrouw te spreken en brood voor onderweg op te halen. Ze ontdeden Sietses zelfs van zijn boeien. Er ontstond een zekere vertrouwelijkheid waarbij allerlei persoonlijke eigendommen in bewaring werden gegeven. Zelfs kregen de bewakers het aanbod om samen onder te duiken.

Het einddoel was de Euterpestraat, het hoofdkwartier van de SD. Daar was Rühl al aanwezig. Onder zijn leiding begonnen de zeer hardhandige verhoren. Al gauw bleek dat de ondervragers alles wat er in de auto was besproken wisten. Pas toen begon de verdenking tegen de beide transport­begeleiders zich te vormen. Sietses werd gedurende vijf dagen onder handen genomen waarbij hij soms het bewustzijn verloor. Ook de anderen werden mishandeld. Of daar inlichtingen bij losgeslagen zijn? Wie zal het zeggen en wie zal daarover oordelen?

 

Crisisberaad

Op de avond van woensdag 13 oktober kwamen bij Appelhof samen candidaat Bos, Visser en Wierenga. De laatste werd geadviseerd onder te duiken, maar hij vond dat de volgende morgen vroeg genoeg zou zijn en dat men zich wel erg snel bang liet maken. Hij was ook degene die de tas van Stomp in zijn bezit had gekregen, een tas die allerlei gegevens over de illegaliteit in Noord-Holland bevatte, en die daarom in een speciale berg­plaats moest worden verstopt. Die bergplaats bevond zich in het kosthuis van Wierenga, Oosterhavenstraat 49, waar ook Kruizinga en Werkman waren ondergebracht. De tas werd 's avonds nog te voorschijn gehaald en niet meer opgeborgen.

 

Satan

Omstreeks dezelfde tijd had er in Enkhuizen nog een min of meer openbare illegale manifestatie plaats. Op de zondag, voorafgaande aan de eerste arrestaties, had 'Frits de Zwerver', in de gereformeerde kerk gepreekt over de tekst Lucas 10 vers 18: 'En Hij zeide tot hen: Ik zag den Satan als een bliksem uit den hemel vallen. ' Vers 19 zal ook wel aangehaald zijn: 'Zie. Ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.'

Verder was er met hem op maandag nog een bijeenkomst geweest in het gebouw Pro Rege waarbij de verzetsman zijn medewerkers uit de illegaliteit had toegesproken. Het is waarschijnlijk dat Rook wel iets over zo'n samen­komst had vernomen maar dat er door gebrek aan nadere gegevens geen actie op volgde.

 

Nog meer arrestaties

Op de ochtend van de dag volgend op het spoedberaad, donderdag 14 oktober, werd om 6 uur dominee Arend Jan Boss van zijn bed gelicht. Het kan bijna niet anders of men heeft hem verwisseld met candidaat Bos. De brave dominee had hoegenaamd niets met het verzet van doen. Het enige wat hem kon worden aangerekend was dat hij 'Frits de Zwerver' gelegen­heid had gegeven zijn boodschap uit te dragen. Kortom, dominee Boss voelde zich schuldig en was niet verbaasd over zijn gevangenneming.

Korte tijd later verscheen de arrestatieploeg bij het woonhuis van Wie­ringa, Kruizinga en Werkman. Alle drie werden gearresteerd. Ook de tas werd gevonden! De inhoud is verzetsgroepen in Hoorn en Zaandam noodlottig geworden.

 

Molenhuis, die bij geruchte had vernomen dat de Duitsers actief waren en die zijn vrienden kwam waarschuwen, werd ook ingerekend. Voor allen was het Stadhuis de tijdelijke gevangenis. Direct daarna werd ook Kranen­burg van de Staverse boot opgehaald.

Een apart project, dat terloops ook nog werd uitgevoerd, was de arresta­tie van drie leden van de luchtbescherming, Jacob de Jong, Jacob Klein en Willem de Boer. Hun misdrijf was het beluisteren van de Engelse zender tijdens hun dienst op het politiebureau en het verspreiden van het nieuws.

 

Het tweede transport

De negen arrestanten werden met een gevorderde vrachtwagen van de firma Loots eveneens naar Amsterdam gebracht  Weer waren het Rook en Teunisse die als bewakers optraden. En net als bij het eerste transport wisten ze ook nu weer het vertrouwen te winnen door stoelen voor de vrachtwagen van het Gomarisgebouw te lenen, roombroodjes voor de gevangenen te halen en aan te bieden om kostbaarheden in bewaring te nemen of bepaalde zaken vertrouwelijk af te handelen. Daar­om werd er ook nu weer over onderduiken gesproken en vertelde Kranen­burg zelfs over het pistool met de patronen dat bij hem thuis lag en dat weggewerkt moest worden.

Het kinderlijke vertrouwen ging zo ver dat dominee Boss de politieman­nen bij handslag liet beloven niets van het in de auto besprokene verder te vertellen. Niemand begreep dan ook dat kort na aankomst bij de SD Rühl in staat was om Wieringa en Kranenburg in de groep te herkennen met de opmerking: 'Jullie spreek ik vannacht wel.'

 

De achtervolging

Een gevaarlijke actie bij dat tweede transport is nog ondernomen door Bram Sluis, die met zijn vriend Theo Laagland de achtervolging inzette op een motorfiets. Laagland moest Kranenburg nog even spreken over enige illegale zaken, onder andere het pistool. We moeten hierbij weer aanteke­nen dat vrijwel iedereen ervan overtuigd was dat in de vrachtwagen alleen maar betrouwbare vaderlanders zaten, ook de begeleiders.

Door mist en andere problemen verloor Sluis de auto uit het oog. Achteraf is gebleken dat Rook, onrustig geworden door de motorrijders, in Purmerend was gestopt om versterking te vragen daar hij een bevrijdings­actie van de Ondergrondse vreesde.

 

Na omzwervingen door Amsterdam tot in de Euterpestraat - misschien waren de arrestanten al bij de SD - werd op de terugreis het transport in het centrum weer ontdekt. De jongens gingen vlak achter de vrachtwagen rijden.

Op de hoek van de Vijzelstraat en de Weteringschans werden ze door Rook met een pistool tot stoppen gedwongen. Op de vraag wat ze wilden vroeg Laagland of hij de heer Kranenburg even mocht spreken. Dat mocht! Waarschijnlijk wilde Rook de schijn van betrouwbaarheid zo lang mogelijk ophouden.

Wel moesten ze zich legitimeren en kregen ze de opdracht om zo snel mogelijk terug te gaan naar huis. Schrijnend en de argeloosheid van de Enkhuizers nog eens onderstrepend was de opmerking van een Amster­damse politieman die het tafereel had gadegeslagen. Nadat de vrachtwagen was weggereden raadde hij de jongens aan inderdaad maar gauw te verdwij­nen omdat hij de twee 'jochies uit Schalkhaar' voor geen cent vertrouwde.

 

Het pistool

In Enkhuizen wist men helemaal niet wat er allemaal in de auto gezegd was en welke rol Rook en Teunisse daarbij gespeeld hadden. Toen ze dan ook terugkwamen en Teunisse aan de echtgenote van Kranenburg, mevrouw Klaasje Kranenburg-Kistemaker, vertelde dat hij een vriend van Tom was en dat ze maar het beste aan hém het pistool en de munitie kon overhandi­gen wist ze niet goed wat ze moest doen. Het pistool was al door Theo Laagland opgehaald en de patronen lagen onder een vuilnisbelt.

Uiteindelijk, na adviezen van andere politiemensen en ook van leden van het verzet, kwam het pistool via de verloofde van Theo weer te voorschijn. Ook de kogels werden opgegraven. Het was de kroon op het werk van de SD-handlangers.

 

Carbonpapier

De rol van Rook is op een unieke manier aan het licht gekomen. De directeur van het Arbeidsbureau had hem verboden voor eigen gebruik spullen van het bureau te gebruiken. Toch kwam hij er 's avonds wel eens werken. Enige dagen na de arrestatie vond de kantoorbediende Antje Poen een stuk carbonpapier dat al eerder gebruikt bleek te zijn. Bovenaan zag ze in spiegelschrift het woord 'rapport'. Met enige collega's werd de vondst besproken. Tenslotte vond Albert de Graaf nog een stuk. Met behulp van een spiegeltje wisten hij, Karel van Dijk en Arie Haspels, de zoon van de ondergedoken burgemeester, de inhoud te voorschijn te halen. Het bleken rapporten te zijn voor de SD te Amsterdam waarin onder meer over het pistool van Kranenburg werd geschreven. Rook, Teunisse en Godefrooi werden van die tijd af op het Arbeidsbureau genegeerd.

Als Rook ongestoord wilde opbellen deed hij dat vaak via de telefoon van George Enzlin die een zaak had tegenover het Arbeidsbureau. Toen de verdenking tegen hem eenmaal gerezen was werd de telefoniste op het postkantoor ingeschakeld en die ontdekte dat het opgevraagde nummer aan de SD in Amsterdam toebehoorde.

 

De vonnissen

In de processen die volgden vielen de volgende vonnissen: De Boer (1914), De Jong (1916) en Klein (1910), de luchtbeschermers, werden na enige weken voorarrest vrijgelaten. Dominee Boss (1896) kreeg 8 weken voorarrest. Hommes (1879) is een halfjaar in het concentratiekamp Vught geïnterneerd geweest.

 

Molenhuis (1914), Kruizinga (1920), Werkman, Van Dijk (1912) en Sietses (1910) hebben tot het eind van de oorlog in diverse concentratie­kampen in Nederland en Duitsland gezeten.

Tom Kranenburg (1918) en Dirk Eliza Wierenga (1922) werden ter dood veroordeeld.  Op 20 mei 1944 zijn hun vonnissen voltrokken.

 

Rechtspraak na de oorlog

De betrokkenen aan de verkeerde kant hebben zich na de oorlog voor hun aandeel moeten verantwoorden. Emil Rühl (1904) werd in eerste instantie ter dood veroordeeld. Later is dit vonnis omgezet in 18 jaar. In 1956 is hij vrijgelaten uit de gevangenis te Breda en uitgewezen. Broere (1899) kreeg 10 jaar maar is vervroegd vrijgelaten. Godefrooi (1889) werd tot 2½  jaar veroordeeld en in oktober 1947 ontslagen.

Ook Rook (1915) kreeg 10 jaar en ook hij werd eerder vrijgelaten. In de aanklacht werd onder andere opgenomen de diefstal van in bewaring gegeven kostbaarheden. Teunisse is tijdens de oorlog door de Duitsers gefusilleerd omdat hij Wehrmachtsgoederen had geroofd.

 

Verantwoording

Bij het schrijven van deze geschiedenis is gebruik gemaakt van de gegevens van de Politieke Opsporingsdienst. Ze zijn ons door de heer Jo Kooi ter hand gesteld. De rechercheurs Johan Stein en Hendrikus Grashuis waren eind 1945 met het onderzoek belast.

Zij hebben een groot aantal verklaringen op laten stellen. Ook Simon Keesman, die na de oorlog ambtenaar bij de POD was, heeft aan die rapportage meegewerkt. Verder is nog enig onderzoek verricht bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD).

 

Nawoord

De illegaliteit in Enkhuizen kreeg in oktober 1943 een zware klap, maar was niet verslagen. Anderen waren al met hetzelfde werk bezig en namen de taken van de gearresteerden over. Onderduikers bleven komen. Nieuwe knokploegen voerden overvallen uit en pleegden sabotage.

Veel van dat alles is niet beschreven of anderszins vastgelegd. Met de hulp van de betrokkenen kan dat alsnog. Vaak zal dat moeilijk zijn en emoties losmaken. Maar de woorden 'verzet' en 'verraad' zullen er beter door begrepen worden.

 

P.J. de Vries

 

Tot slot

Een contact per email op 8 juni 2006

Op de vraag van mij, Bernard Sietses, om dit artikel op internet in deze sietses-website te mogen plaatsen, gaf de heer P.J. de Vries, voorzitter van de vereniging ‘’Oud Enkhuizen’’ het volgende antwoord:

Ik heb er geen enkel bezwaar tegen als u het genoemd artikel opneemt. Ik zie dat u een complete bronvermelding geeft.
Het is tenslotte de bedoeling dat zo'n artikel zoveel mogelijk geïnteresseerden bereikt.