Xavier de Montépin, Dokter van de Armen / Le médecin des pauvres

 

 

strip

nummer:

 

inhoud:

1

Het geslacht Champ d'Hivers in het jaar 1611

 

31

Champagnole, 1638, achttien jaar na die geheimzinnige nacht

 

40

 

Het kleine huis in Longchaumois

68

De terechtstelling van Pierre Prost

 

99

Raoul en Magui op weg naar Gangônes

 

114

In het kasteel de Arend

 

175

Tristan de Champ d'Hivers

 

188

 

Marquis als gevangene naar het kasteel Bletterans

227

Aanval op het kasteel de Arend

 

250

 

Op weg naar Champ-Sarrazin

 

 

 


 

Het geslacht Champ d'Hivers in het jaar 1611

 

1. Het is in het jaar 1611. Aan het hof van de Spaanse koning leeft de jonge, elegante baron Tristan de Champ d’Hivers uit De Franche-Comté, ongeveer 26 jaar oud, het vrolijke en gemakkelijke leventje dat de meeste jongemannen van zijn stand leven.

Sinds Karel de Vijfde is De Franche-Comté reeds Spaans gebied. Tristan heeft al geruime tijd een regiment onder zijn commando en hij geldt als één van de beste ruiters van zijn tijd.

Zijn successen zijn altijd groot, evenals trouwens zijn geldvoorraad.

Nog nooit heeft Tristan’s hart in vuur en vlam gestaan voor een meisje. Toch denkt hij wel over een huwelijk.

Niet zozeer omdat hij een vrouw liefheeft als wel omdat hij zijn geslacht in stand wil houden. Het edele en nobele geslacht Champ d’Hivers.

Op een keer, juist als Tristan staat te praten met een knap Spaans meisje, komt een bediende naar hem toe met een brief die hij Tristan op een zilveren blad aanbiedt. Tristans hart slaat wild. Hij vermoedt slecht nieuws. De brief is afkomstig uit zijn geboortestreek, uit de Franche-Comté. Een vriend schrijft hem dat zijn vader ernstig ziek is. Ieder moment kan de grijsaard overlijden.

Tristan besluit onmiddellijk naar zijn geboorteland terug te keren om nog afscheid van zijn vader te kunnen nemen.

 

 

 


 

De oude baron

 

 2. Tristan de Champ d’Hivers keert terug naar zijn land. Zijn trouwe knecht die indertijd met hem was meegegaan naar Spanje, vergezelt hem ook nu.

De weg is lang. Hoewel hij blij is in het vooruitzicht dat bij spoedig Frankrijk terug zal zien, is de jongeman somber gestemd. Zal zijn vader nog leven als hij aankomt? Zal bij hem nog vaarwel kunnen zeggen?

Na een lange en vermoeiende reis komen de twee reizigers op hun plaats van bestemming aan. Tristan durft de woonplaats van zijn vader bijna niet binnen

te gaan uit angst dat hij slecht nieuws zal vernemen.

Het kasteel waarin zijn vader woont is anders dan de meeste Franse kastelen, maar toch is het een mooie bezitting en goed en comfortabel gebouwd.

Tristan’s ongerustheid blijkt echter ongegrond te zijn. Zijn vader is inderdaad ernstig ziek geweest, maar niet zo ziek dat hij ieder ogenblijk zou kunnen sterven, zoals zijn zoon dacht.

De vader is blij zijn zoon weer te zien. Ze vertellen elkaar uitvoerig hun belevenissen van de laatste tijd.

 

 


 

Het op hol geslagen paard

 

3. Nauwelijks is Tristan op het kasteel in de Franche-Comté aangekomen of de toestand van zijn vader verbetert zienderogen. Het gaat zelfs zo goed dat Tristan na niet al te lange tijd kleine wandelingen kan maken met zijn vader in de omgeving van het kasteel.

Tristan besluit van het korte verblijf in zijn geboorteland te genieten. Iedere morgen gaat hij op jacht en steeds gaan enkele vrienden die ook in die streek wonen met hem mee.

Op een dag echter, juist als Tristan en zijn vrienden achter een groot hert aanjagen, gebeurt er iets. Tristan hoort niet ver achter zich vandaan kreten en hij weet haast zeker dat ze afkomstig zijn van een vrouw. Hij laat zijn vrienden achter het ongelukkige dier aanjagen en houdt de teugels in.

In wilde galop komt een meisje op een paard aangerend. Achter haar komen twee ruiters die roepen. ‘Houdt haar tegen! Pak het paard vast. Het is op hol geslagen!’

 


 

Blanche de Mirebel

 

4. Tristan profiteert nu van de kwaliteiten van zijn volbloed Arabische hengst die hij uit Spanje heeft meegenomen. Hij geeft het dier de sporen en zet de achtervolging van het meisje in. De afstand tussen hem en het op hol geslagen paard wordt steeds kleiner…

Al gauw komt het paard langszij. Hij pakt de teugels en trekt de kop van het paard naar achteren. Hij komt juist op tijd.

Het meisje staat op het punt haar bewustzijn te verliezen. Trillend blijft het paard naast hem staan. Het meisje laat zich uit het zadel vallen. Tristan vangt haar in zijn armen op. Dan verliest ze het bewustzijn.

Achter hen klinkt nu hoefgetrappel. De twee lakeien die het meisje tijdens de gevaarlijke rit vergezelden, komen hijgend aan. Angstig kijken ze naar hun meesteres.

 


 

Waarom gaat u weg?

 

5. De jonge baron legt het meisje in het gras. Nu kan hij beter zien wie hij gered heeft.

Het is nog een kind van ongeveer zestien jaar. Ze is blank als een lelie. Het lange, golvende haar is goudblond. De kostbare kleding, de edele vormen van het paard en de livrei van haar bedienden doen vermoeden dat het meisje van voorname afkomst is.

De oudste van de twee lakeien buigt zich nu over het meisje heen en roept uit: ‘Gelukkig! Onze meesteres is alleen maar geschrokken. Verder heeft zij geen ernstig letsel gekregen.’

‘En dit dankzij u, meneer de baron’

‘Kent u mij?’ vraagt de jongeman verbaasd.

‘Hoe zou ik u niet kennen, meneer de baron? Mijn meester woont dichtbij.’

‘Hoe heet uw meester?’

 ‘De hertog van Mirebel.’

 ‘Ah’, zegt Tristan en gooit plotseling het hoofd trots naar achteren. ‘De hertog van Mirebel!’ En na korte tijd: ‘En wie is dit jonge meisje?’

‘Dat is juffrouw Blanche, de enige dochter van de hertog.’

‘Ik hoop dat deze gebeurtenis geen nadelige gevolgen voor het meisje zal hebben,’ zegt Tristan koel en hij loopt naar zijn paard.

‘Waar gaat u heen?’ roept de oude lakei. ‘Ik hoopte dat U even zou blijven tot het meisje weer bij kennis is gekomen.

‘Je vergist je, goede man, juffrouw Mirebel heeft geen behoefte aan mijn zorgen en ook niet aan mijn aanwezigheid.’

 


 

Weer bij bewustzijn

 

6. Al sinds eeuwen zijn de baronnen de Champ d’Hivers en de hertogen van Mirebel buren. Sedert jaren woedt tussen hen een ononderbroken strijd om de macht. Dat is dan ook de reden dat de eerste reactie van Tristan was om op zijn paard te springen en weg te rijden.

Maar juist op het moment dat hij zijn voet in de stijgbeugels zet, opent het meisje de ogen. Tristan draait zich om. Het meisje schrikt als ze de vreemde ziet. Ze kijkt Tristan strak aan en omklemt de hand van de oude lakei. ‘Wat is er toch gebeurd?’ vraagt Blanche met trillende stem. De oude dienaar vertelt in enkele woorden wat er is voorgevallen. Hij vertelt ook over Tristans moed die haar het leven heeft gered.

Ze strekt haar hand naar hem uit en na een korte aarzeling neemt Tristan die aan. ‘Meneer’, stamelt ze. ‘Wat is er van uw dienst, mejuffrouw?’ vraagt Tristan. Hij probeert kalm te doen en zijn stem vast te doen klinken. Zijn hart klopt echter onstuimig. ‘Meneer’, zegt Blanche nog eens en met een simpel, gracieus gebaar steekt ze haar hand nog eens uit naar Tristan. ‘U hebt me het leven gered’. Tristan neemt haar hand aan en brengt die naar zijn lippen. Hij doet dat echter zo heftig dat het meisje deze direct terugtrekt en een kreet slaakt. Na enkele ogenblikken zegt ze: ‘Zeg me uw naam, zodat ik die aan mijn vader kan vertellen. Wij zullen nooit vergeten wat er gebeurd is’.

 


 

Tristan’s liefde voor Blanche

 

7. Nog nooit heeft iemand zo’n diepe indruk op Tristan gemaakt als deze Blanche de Mirebel. ’s Nachts moet hij voortdurend aan haar denken. Hij voelt dat dit het meisje is waarvan hij houdt en waarnaar hij heeft gezocht. Maar dan weer denkt hij aan de strijd die tussen zijn geslacht en het hare al jarenlang woedt. Soms denkt hij: ik ga naar haar toe. Maar dan weer lijkt het hem weer het verstandigste zo spoedig mogelijk de Franche-Comté te verlaten en voor altijd weg te vluchten.

Tristan probeert zichzelf in te prenten dat hij niets om Blanche geeft, maar als het middag wordt, bestijgt hij zijn paard. Geheel alleen rijdt hij naar de plaats waar hij de dag daarvoor Blanche de Mirebel ontmoette en inderdaad lukt het hem een glimp van haar op te vangen. Enkele maanden gaan voorbij, zonder dat Tristan zijn liefde aan Blanche de Mirebel kenbaar durft te maken.

Op zekere dag echter als Blanche aan het bloemen plukken is en wanneer de oude lakei juist iets verder van haar vandaan wandelt dan gewoonlijk, besluit Tristan naar het meisje toe te gaan. Hij wil haar spreken.

Als Blanche plotseling de jongeman ziet, schrikt ze ‘U hier, meneer?’ ‘Wat ik u te zeggen heb …’ zo begint Tristan, maar Blanche laat hem niet verder spreken. Met een vlug gebaar legt ze hem het zwijgen op. ‘Genoeg, meneer’, zegt ze. ‘Ik weet al wat u zeggen wilt en kan verder niet naar u luisteren’.

Wat doen de  woorden van Blanche ertoe? Tristan ziet dat zijn liefde beantwoord wordt.

‘Mag ik u niet nog eens ontmoeten?’ vraagt hij.

‘Regel eerst alle moeilijkheden. Daarna zou ik in aanwezigheid van mijn vader kunnen antwoorden…’

 


 

De vete met het geslacht van Mirebel

 

8. De volgende morgen gaat Tristan naar zijn vader. Hij heeft zijn uniform van Spaans kolonel aangetrokken. De oude man zit in een diepe fauteuil weggedoken. Aan één van de muren van  het vertrek hangt een kaart waarop de stamboom van het geslacht Champ d'Hivers staat aangegeven. Aan de andere muur hangen grote familieportretten. ‘Ik ben blij je te zien, mijn zoon, maar waarom dat uniform?’ ‘Ik kom u iets belangrijks vertellen, vader’.

Het gesprek neemt spoedig een minder vriendschappelijke wending.  Tristan vertelt de oude baron van zijn vurige liefde voor de dochter van de hertog van Mirebel.

‘Je spreekt van liefde?’ roept de grijsaard uit. ‘Maar dat is vreselijk en oneervol voor ons’.

‘Oneervol? Maar vader…. ‘ Tristan's lippen worden bleek.

‘En wat wil je nu?’

‘Trouwen met mejuffrouw Mirebel’

‘Wat? Je wilt je naam geven aan de kleindochter van

het Zwarte Zwijn?’

De oude man bedaart plotseling. Hij staat moeizaam op en neemt Tristan's arm. Hij brengt hem naar de muur waar de familieportretten hangen.

‘Ik geloof dat ik je al vaak het één en ander over onze voorouders heb verteld, maar misschien ben je 't vergeten’

‘Heb je de rode stipjes op onze stamboom wel eens geteld?’

‘Ja, het zijn er tien, vader. En ik weet waarom dat bloed gevloeid heeft’. ‘Juist. Ik wilde het je nog eens vertellen.’ En de baron herinnert aan de lange reeks misdaden en kleine oorlogen die plaats vonden tussen de beide geslachten. De vete begon met de schandelijke daad van de hertog Fudovic de Mirebel, bijgenaamd het Zwarte Zwijn die Bathilde Champ d'Hivers schaakte om haar enkele uren later onbehoorlijk weg te zenden.

 

 


 


Gaat de oude baron akkoord?

 

9. Tristan moet wel het hele verhaal van de vete die tussen beide geslachten sinds vele jaren bestaat, aanhoren. Tevergeefs probeert hij Blanche te verdedigen.

‘Ik begrijp niet dat u het een kind van zestien jaar aanrekent dat haar voorouders niet leefden, zoals u dat wilde’, zegt hij ten slotte.

De baron is nu aan het eind van zijn geduld gekomen en woedend roept hij uit: ‘Waarom praat je steeds over die zaak?’

‘Omdat die zaak mijn hart beroert’, zegt Tristan.

Tristan bereikt niets. Hij probeert zijn vader nog te kalmeren, maar het is al te laat.

‘Op grond van mijn rechten als vader gebied ik je

vandaag nog het kasteel te verlaten en terug te gaan naar je regiment. Ik gebied je die dwaze dromen die alleen maar kunnen opkomen in een zieke geest uit je hoofd te zetten. Als  je ongehoorzaam bent zal ik je niet langer als mijn zoon beschouwen.’

Tristan, wit en geschokt, valt op zijn knieën. ‘Geef uw zegen, vader. Ik zal gehoorzamen en direct vertrekken!’

Even glijdt er een glimlach over het oude gezicht. ‘Je moet zelf weten wat je daar gaat doen. Ga nu, mijn zoon’.

Tristan grijpt de hand van zijn vader en dringt met alle macht zijn tranen terug.

 


 

Blanche verliefd

 

10. Een jaar is voorbijgegaan. De oude baron van Champ d'Hivers is gestorven, zijn zoon zijn titel, een enorm fortuin en - wat belangrijker is - zijn vrijheid van handelen nalatend. Tristan, van wie de liefde voor Blanche groter is dan ooit, keert direct terug naar de Franche-Comté.

Ongelukkigerwijs heeft de hertog van Mirebel juist een verschrikkelijke beslissing genomen: tijdens de afwezigheid van Tristan heeft hij de hand van zijn dochter beloofd aan sire Antide de Montaigu, meester van het kasteel De Arend en één van de rijkste en invloedrijkste mannen.

De Montaigu’s zijn, omdat ze familie zijn van de Vaudrey’s, doodsvijanden van de Champ d'Hivers, want de geschiedenis verhaalt hoe een heer van

Champ d'Hivers eens in de grote zaal van het kasteel De Arend, een baron van Vaudrey doodde.  Hoe het ook zij, Tristan die er zeker van is dat Blanche nog steeds van hem houdt, vraagt de hertog van Mirebel om de hand van zijn dochter. De hertog weigert echter.

Blanche wil de beslissing van haar vader ongedaan maken en zij heeft hiertoe een machtig wapen gevonden. De hertog houdt van zijn dochter en hij doet alles om haar gelukkig te maken. Het jonge meisje gaat helemaal op in haar verdriet. Ze eet niet meer, ze drinkt niet meer. Ze wordt hoe langer hoe bleker en kijkt altijd bedroefd. De hertog weet niet wat te doen. Wat zal er als hij zijn weigering volhoudt, met zijn liefste kind gebeuren?

 


 

Antide de Montaigu krijgt een brief

 

11. De hertog van Mirebel heeft zo lang als maar enigszins mogelijk was weerstand geboden. Maar door de oprechte  liefde die hij zijn dochter toedraagt, is die weerstand nu gebroken. Er  wordt een brief geschreven aan sire Antide de Montaigu, waarin de vader van Blanche het eens gegeven woord terugvraagt. De heer van het kasteel De Arend wordt doodsbleek wanneer hij deze belediging leest. Dan verschijnt er een wrede grijns op zijn gezicht. Zijn wraak zal vreselijk zijn!

 

Enkele dagen later wordt de verloving van Tristan en Blanche bekend gemaakt. Het lijkt alsof hun geluk volmaakt is.

De datum voor het huwelijk is al vastgesteld en de jongelui hebben duizend en één dingen te regelen. Toch blijft er nog wel tijd over om lange wandelingen te maken in het bos en in de omgeving van het kasteel. Blanche de Mirebel is natuurlijk weer geheel gezond.

Tristan die zijn bruid de mooiste geschenken wil geven die hij kan vinden, besluit naar Besançon te gaan, de grootste en belangrijkste plaats van de provincie. Er zijn prachtige winkels en de jongeman bezoekt alle bijouterie zaken in de stad, voor hij de verlovingsring voor Blanche uitkiest. Hij zal een week wegblijven, maar deze tijd zal juist te lang blijken te zijn…

 


 

De wraak

 

12.  Als Tristan in Besançon is, hebben Blanche en haar vader het druk met de voorbereidingen voor het huwelijk. Als het avond wordt, gaan ze iedere dag een wandeling maken of ze maken een rijtoer te paard door het bos. Het meisje is vrolijk als vroeger en de hertog is blij dat hij de moed heeft gehad het woord dat hij had gegeven aan sire Antide, terug te vragen. Op een dag echter, juist als ze één van hun wandelingen maken, komt een groep mannen naar hen toe die hen omsingelt. Ze dragen fluwelen mantels en grote capuchons overschaduwen hun gezichten. Een grote man voert de troep aan.

 

Hij is gekleed als de anderen, maar in plaats van een capuchon draagt hij een zwart masker. De hertog van Mirebel neemt zijn zwaard uit de schede zich voornemend zich te verdedigen tot het bittere einde. Maar een schot uit een pistool weerklinkt en de hertog laat het zwaard vallen. Hij is dodelijk gewond.

Eén van de mannen tilt Blanche die is flauwgevallen uit het zadel en legt haar in de armen van de man met het zwarte masker. De ontvoerders galopperen weg, de baron op de weg achterlatend. 

Een drama heeft zich voltrokken. Zal Blanche haar Tristan ooit weerzien?

 


 

Wie is de dader?

 

13 Als Tristan hoort wat er gebeurd is, gaat hij direct naar het gerechtshof en omdat hij instinctief voelt wie deze dubbele misdaad moet hebben gepleegd, beschuldigt hij de sire de Montaigu. Deze durft na de openbare aanklaging niet te vluchten, maar hij kan zijn woede niet verbergen en hij slingert Tristan de grofste beledigingen naar het hoofd.  Het hof beveelt een huiszoeking op het kasteel De Arend. De huiszoeking staat onder leiding van kolonel Varroz, één van Tristans beste vrienden. Alles blijkt echter tevergeefs. Blanche blijft  onvindbaar en de moord wordt niet opgehelderd.

De sire van Montaigu kan wegens gebrek aan bewijs naar zijn bezittingen terugkeren. Hij leidt daar enkele maanden een kloosterleven in de hoop dat het voorgevallene dat onwillekeurig een nieuwe smet op zijn niet al te beste reputatie werpt, zo spoedig mogelijk zal zijn vergeten.

Tristan sluit zich op in een kamer. Hij wil alleen zijn met zijn verdriet. Zelfs zijn beste vrienden wil hij niet ontvangen. Hij begrijpt dat langs gerechtelijke weg niets tegen de sire van Montaigu is te beginnen.

 


 

De geboorte van Raoul

 

14. De tijd doet Tristan zijn verdriet vergeten. Zijn wanhopigheid na de ontvoering van Blanche heeft plaatsgemaakt voor een zachte melancholie. Drie jaar na de verdwijning van Blanche trouwt Tristan met een goed en lief meisje: Odette de Vaubecourt.

Deze verbintenis zal echter niet gelukkig blijken. Na elf maanden schenkt de nieuwe barones de Camp d'Hivers het leven aan een zoon. Ze sterft echter zelf. De jongen krijgt de naam Raoul.

Twee jaren zijn voorbijgegaan. De kleine Raoul heeft als beste vriend een veertigjarige man uitgekozen:

 

Marcel Clement, de rentmeester van zijn vader. Deze draagt de zoon van zijn meester een warme en oprechte liefde toe.

 

Op een avond als Marcel terugkomt van een bezoek, ziet hij in de verte één van de knechten met een verdachte man staan praten. Hij verschuilt zich achter een boom, maar kan niet horen waar de mannen over spreken. Wel ziet hij dat de vreemdeling de knecht iets in zijn hand duwt bij het uit elkaar gaan. Uit de verte lijkt het een beurs.

 

 


 

Wat is er gaande?

 

15.  Als de vreemde man verdwenen is, gaat Marcel Clément naar de knecht toe en vraagt hem wat de vreemde daar deed en waarover hij met de knecht heeft gesproken. De knecht wil echter niet antwoorden en hij blijft onverschillig staan kijken. Marcel krijgt geen woord uit de man en hij wordt hoe langer hoe ongeruster. Wordt zijn meester bedreigd? En wellicht ook diens zoon?

Marcel doet een laatste poging: ‘Morgenochtend kun je je geld komen halen. Je bent ontslagen als je weigert te zeggen wat de man hier deed’.

Maar de knecht blijft onverschillig en hij zegt: Er zijn hier in de omtrek meer kastelen. Ik heb één meester te verliezen maar er wel tien andere voor in de plaats krijgen!’ Jammer genoeg schenkt Marcel geen aandacht aan deze woorden die een grote dreiging inhouden... 

Op een avond als Marcel juist zijn ronde door het kasteel maakt, wordt een deur op een kier geopend. Marcel merkt het niet. Het is middernacht en een geweldig onweer breekt los boven het kasteel. Het hemelvuur is niet van de lucht.

 

 


 

Het kasteel Champ d'Hivers brandt

 

16. Marcel Clément is wakker geworden door het lawaai. Hij kijkt uit het venster en ziet plotseling een rode gloed.

Rookwolken stijgen omhoog. Marcel begrijpt dat de bliksem het kasteel in brand heeft gezet en hij gaat onmiddellijk op onderzoek uit.

Hij gaat naar het gedeelte van het kasteel dat in brand staat, maar in één van de gangen ziet hij plotseling een aantal mannen staan met flambouwen in de handen en zwarte maskers voor hun gezichten. Nee, het was niet het een onweer dat het kasteel in vlam zette.

 

Marcel weet nu dat zijn meester en diens zoon in groot gevaar zijn en hij heeft maar één doel: hen te redden. Dankzij een geheime trap weet hij de kamer van Tristan te bereiken. Een vreselijk schouwspel ontrolt daar voor zijn ogen.

De moordenaars zijn al in de kamer van Tristan geweest en lieten hem achter, badend in bloed. De dood heeft zich reeds over hem ontfermd. Gordijnen en meubelen zijn in brand gestoken en Marcel moet de kamer snel verlaten.

Hij wil proberen de zoon en het fortuin van zijn gestorven meester nog te redden.

 


 

De redding van Raoul

 

17. Met zijn jachtmes breekt Marcel een kist open. Daarin bevindt zich een kleine koffer. Tristan heeft hem vroeger verteld dat daar de meest waardevolle bezittingen in verborgen zijn. Marcel steekt de schatten bij zich en snelt dan naar de kamer waarin de kleine Raoul slaapt. De moordenaars hebben noch steeds niet bemerkt dat de trouwe knecht in de kamer van zijn meester is.

De moordenaars hebben de kamer van Raoul nog niet bereikt. Het kind ligt rustig te slapen, onwetend van het grote gevaar dat hem bedreigt.

Marcel neemt het kind uit bed en wikkelt het in de lakens.

Dan hoort hij vlugge voetstappen naderen.

Hij aarzelt niet en springt met kind uit het raam. In het park weet hij in de duisternis te ontkomen.

Een seconde later en het geslacht Champs d'Hivers zou zijn uitgestorven.... Marcel verbergt zich in het park achter een boom. Hij kijkt naar het kasteel dat langzaam maar zeker prooi van de vlammen wordt.

 

Dan ziet Marcel opeens het silhouet van een grote man te paard. Hij draagt een zwart masker. Met onmiskenbaar plezier slaat hij de verwoesting van het kasteel Champ d'Hivers gade....

 

 


 

Pierre Prost, de dokter van de armen

 

18. Het is in het jaar 1618, enkele maanden na de verschrikkelijke gebeurtenissen op het kasteel Champ d'Hivers.

In het gehucht Longchaumois staat een eenvoudige woning. Pierre Prost, een in Longchaumois populair man, is de bewoner ervan. Pierre heeft vier jaar medicijnen gestudeerd.

Hoewel zijn kennis van de medicijnen maar beperkt is, gaat Pierre in de omstreken door voor een zeer bekwaam dokter. Zijn belangstelling voor iedereen en zijn toewijding hebben hem in de loop van de tijden de naam ‘Dokter van de armen’ bezorgd.

Op 14 januari 1618 trouwde Pierre met Tienette Levillain, een charmant meisje uit Saint-Claude.

Een jaar lang woonde in het huis van Pierre en Tienette het geluk. Dat geluk werd bijna volmaakt, toen Tienette haar man vertelde dat ze een kind verwachtte.

Helaas, aan een te groot geluk komt vaak een einde. De veertiende januari van het jaar 1620 sterft Tienette, nadat zij het leven aan een meisje heeft geschonken.

De volgende dag komen de dorpelingen. Het nieuws van Tienette's dood heeft zich als een lopend vuurtje verspreid. Pierre wil tegen de gewoonte in de begrafenis bijwonen.

Zijn verdriet is echter zo groot dat vriendenarmen de sterke Pierre moeten ondersteunen.

 


 


Wat willen de drie gemaskerde mannen?

 

19. Een wiegje blijft voor Pierre over in het huis waarin hij nog enkele dagen geleden zo gelukkig was. En wie weet zal het wiegje ook spoedig leeg zijn! Want het meisje is zwak en teer. Nacht en dag waakt Pierre bij zijn kind, om zo mogelijk deze laatste herinnering van zijn geliefde Tienette te behouden.

Drie dagen zijn voorbijgegaan. Een geweldige sneeuwstorm woedt in de Jura. Het huis kraakt. Pierre zit bij zijn kind. Het kleine borstje hijgt. Dan opent het meisje haar mondje voor een laatste schreeuw. Het lichaampje ligt stil en er is geen ademhaling meer. De dood is gekomen.

Nadat Pierre voor het laatst de kleine lippen heeft gekust, valt hij op zijn knieën en bidt God hem bij te staan in de eenzame tijd die voor hem ligt.

Als Pierre nog in gebed is, wordt opeens de deur geopend.

Pierre draait het hoofd om en ziet drie mannen, gehuld in donkere fluwelen mantels en met zwarte maskers voor hun gezichten.

Eén van de mannen is groter dan de anderen en hoewel uiterlijk niets hem onderscheidt van de anderen, begrijpt Pierre dat hij de heer is en de anderen zijn knechten.

 


 

De opdracht voor Pierre Prost

 

20. ‘Wij zoeken Pierre Prost’, zegt één van de onbekenden.

‘Dat ben ik. Wat wenst u van mij?’ antwoordt de Dokter van de armen vlak.

‘Ik weet’, gaat de ander verder, ‘dat u een bekwaam dokter bent. Men heeft u nodig! Ik verzoek u mij direct te volgen!’

‘Vannacht nog?’

‘Ja, nu meteen’.

‘Maar dat kan niet’ zegt Pierre Prost. Hij kijkt naar de wieg. Mijn kind is zojuist gestorven, nog geen vijf minuten geleden. Ik kan niet met u meegaan. Ik heb er geen kracht en geen moed voor’.

De man met het zwarte masker loopt naar de wieg en kijkt erin. ‘Hebt u vannacht iemand gezien?’ vraagt hij.

‘Niemand dan u’.

‘Dus niemand weet dat dit kind is gestorven?’

‘Niemand’.

‘Dat is goed’.

‘Maar’, mompelt Pierre Prost verwonderd, ‘wat bedoelt u daarmee?’

De man antwoordt niet. Pierre geeft zich weer aan zijn droefheid over en hij schijnt te vergeten dat hij niet alleen is.

De man met het masker geeft een sein aan één van de mannen. Deze draagt een lantaarn in de hand. De man komt dichterbij en de ander wisselt op fluisterende toon een paar woorden met hem.

Dan wendt deze zich tot Pierre. ‘Geef mij een houweel en die man een schop of een ander tuingereedschap, zodat we de grond kunnen openbreken’.

‘Wat wilt u toch?’.

De man antwoordt niet op deze vraag.

Hij geeft de mannen een teken de gereedschappen die Pierre heeft aangewezen, te halen.

Buiten stormt en sneeuwt het. Een lantaarn belicht even later een vreemd schouwspel. Twee mannen graven eerst de sneeuw opzij en beginnen daarna een gat van één voet breed, twee voet lang en drie voet diep te maken. Van achter één van de ramen van het huis  houdt de man met het zwarte masker toezicht op het werk.

 


 

De baby

 

21. Als het werk klaar is, komen de mannen het huis weer binnen. De man met het zwarte masker wordt ongeduldig. Hij keert zich naar de wieg en zegt tegen Pierre: ‘Wilt u uw kind zelf begraven of moet een van mijn mannen het doen?’ ‘Mijn kind begraven?’ roept de dokter uit, ‘ik wil nog niet scheiden van dit lichaampje’.

‘Over vijf minuten’ zegt de onbekende, ‘zal uw kind onder de grond rusten, begraven door mijn mannen’.

‘Als u het zelf niet wilt doen, moeten wij het wel doen’.

De dokter aarzelt.

Een van de mannen loopt naar de wieg toe en wil de dokter van het kind scheiden. Een rauwe kreet ontsnapt aan Pierre's borst en hij werpt zich op de man.

Een gebiedend gebaar van de man met het zwarte masker verbiedt de knecht die de hand al aan zijn riem heeft om zijn jachtmes eruit te trekken, daarvan gebruik te maken.

Pierre Prost heeft het lichaampje in zijn armen genomen.

 ‘Waarom’, mompelt hij, ‘waarom wilt u het me nu reeds afnemen?’

De man met het zwarte masker haalt de schouders op en ruw zegt hij: ‘Denkt u dat ik me op kan houden met uw familieaffaires als een zeer belangrijke zaak - u hoeft niet te weten welke die zaak is - drijft tot handelen? Dit kind moet nu verdwijnen!’

Pierre Prost begrijpt dat hij geen weerstand meer kan bieden. Hij buigt het hoofd en volgt de twee mannen naar buiten.

Deze brengen hem bij het pas gegraven graf en Pierre legt het kind daarin. Enkele ogenblikken later wordt het gat dichtgegooid en alleen een kleine heuvel verraadt wat hier is gebeurd.

Het onweer woedt nog steeds en de sneeuw blijft vallen. Morgen zal alles bedekt zijn onder een koude witte laag.

 


 

Pierre wordt geblinddoekt

 

22. Nog één keer komen de vier mannen in het huis samen en nog éénmaal geeft de man met het zwarte masker zijn instructies.

‘Indien u mij gehoorzaamt, zal er niets met u gebeuren. Over enkele uren zult u hier weer gezond en wel zijn. Maar als u ooit een woord mocht uiten over hetgeen gebeurt, zal ik u breken, zoals men een onnuttig en gevaarlijk werktuig breekt. Vergeet dat nooit!’

‘Als u met mijn hulp een misdaad wilt begaan, meneer, dood me dan meteen. Ik zal u dan nooit gehoorzamen.’

Bij deze woorden lichten de ogen achter het zwarte masker even op. ‘U bent dwaas’, roept hij dan uit. ‘U moet heel iets beters doen dan een misdaad begaan. Het gaat om een vrouw die op het punt staat een kind ter wereld te brengen en om het kind dat straks zal worden geboren!’

Pierre aarzelt nu niet meer. Hij haalt enkele voorwerpen uit een kast en doet ze in een fluwelen etui.

‘Is dat alles wat u nodig hebt?’ vraagt de man met het masker.

‘Ja’.

‘U bent dus klaar om ons te volgen?'

‘Ik ben klaar’.

 ‘Dan moet ik nu nog één voorzorgsmaatregel nemen’.

Hij geeft een van zijn knechten een teken en bindt de dokter een zwarte lap voor de ogen.

‘Ik zal zonder dat ik kan zien niet kunnen doen wat u mij opdraagt’, zegt deze. Maar de man met het masker zegt: ‘Als u uw ogen nodig hebt, zult u ze kunnen gebruiken. Laten we gaan!’

De man neemt Pierre's hand en leidt hem naar buiten waar de  storm raast. Pierre denkt weer aan zijn verdriet en hij voelt de twee diepe wonden die in zijn hart zijn gekomen. Hij realiseert zich daardoor niet het gevaar waarin hij zich bevindt, ondanks de  verzekering van de man met het masker dat hem niets zal gebeuren.

 


 

Van Longchaumois naar een onbekend kasteel

 

23. Vlak bij het huis van Pierre op de weg van Longchaumois, wacht een vreemd rijtuig met de vier mannen. Twee prachtige zwarte paarden zijn gespannen voor een soort boerenwagen waarvan de wielen zijn vervangen door sleden. Een ongemaskerde man probeert de paarden die schichtig zijn geworden door het onweer, in bedwang te houden. De vier mannen nemen plaats in de slede.

Pierre kent de omgeving van zijn huis als geen ander en hij probeert uit te vinden waar de slee heengaat. Hij heeft echter geen enkel herkenningspunt en hij weet niet  welke richting de slee genomen heeft bij zijn vertrek. Brengt men hem naar Clairvaux, Saint-Claude of Campaniles?

Deze fantastische rit duurt ongeveer twee uur. Dan mindert de slee vaart. De hoeven van de paarden glijden over de sneeuw. De zweepslagen worden minder. Dan staat de slee even stil voor een groot huis dat op hoogte is gelegen. Welk huis is dit?

 

Er zijn tientallen van deze kastelen in Franche-Comtois. Pierre Prost kan het huis dan ook niet herkennen. Er wordt een teken gegeven met een stoot op de jachthoorn waarop Pierre een geluid van kettingen hoort een ophaalbrug die wordt neergelaten. Dan hoort hij een zware ijzeren deur knarsen in haar hengsels.

 

 


 

Een bevel om te zwijgen

 

24. De slee glijdt over de brug en zwenkt de deur binnen. Pierre bedenkt dat dit kasteel bijzonder sterk moet zijn. De slee staat stil.

‘We zijn er,’ zegt de man met het zwarte masker. Hij neemt Pierre's hand en helpt hem bij het uitstappen. De wind blaast door Pierre's kleren en de sneeuw slaat in zijn gezicht. Pierre concludeert hieruit dat ze op een soort onoverdekte binnenplaats moeten zijn.

De man met het zwarte masker leidt Pierre over het plein. Hun voetstappen zijn in de sneeuw niet te horen. Eindelijk voelt de dokter steen onder zijn voeten. Een poortje gaat open. De toegang is zo laag dat de man met het zwarte masker waarschuwt:

‘Buk u!’

Pierre gehoorzaamt en houdt de hand boven het hoofd om zijn gezicht te beschermen. Hij voelt daardoor de rondingen van een gewelf. Op een trap houdt Pierre's begeleider even stil.

‘Over enkele seconden gaat uw taak beginnen,’ zegt hij. U herinnert u alles wat ik heb gezegd?’

‘Ik herinner me alles en ik weet ook nog wat ik daarop heb geantwoord.’ ‘Vergeet dan niet dat je geen woord tegen de vrouw mag zeggen: het zal je dood zijn!’

De twee mannen gaan een steile trap op, hand in hand.

 


 

De geboorte van Eglantine

 

25. Een deur gaat dicht. Pierre Post kan weer zien, want een helper heeft de doek van zijn gezicht weggenomen. Ze zijn in een kleine kamer waar als enig meubelstuk een lelijk zwart bed staat. Alle voorzorgsmaatregelen zijn ook hier genomen en Pierre kan direct aan zijn werk beginnen. Maar eerst spreekt de man met het zwarte masker met de vrouw die veel pijn lijdt. ‘Mevrouw, zegt hij zacht, hier is een dokter die u zal helpen’.

‘U weet wat ik u heb gezegd: U zult geen woord tegen deze man spreken, want dat zou uw dood en de zijne betekenen. Deze man zal ook geen woord tegen u zeggen’ en zich tot Pierre wendend: ‘U kunt uw werk beginnen’.

Pierre gaat naar de vrouw. Haar gezicht is bedekt met een soort monnikskap.

Ondanks dat, ziet Pierre dat het een zeer jonge vrouw moet zijn. Een uur later klinkt het gehuil van een pasgeboren kind door de kamer.

‘Is het een jongen of een meisje?’ vraagt de man met het zwarte masker.

‘Een meisje’, antwoordt de dokter. De moeder valt buiten kennis terug in het kussen. Pierre Prost neemt haar pols. De man met het zwarte masker vraagt ongeduldig: ‘Is zij dood of leeft ze?’

‘Ze leeft nog, maar ik ben bang dat het bloed niet weer terug zal vloeien naar de hersenen en dat zou de dood betekenen’.

‘Wat te doen?’

‘Een aderlating. Dan moet ik echter het gezicht van de vrouw kunnen zien’.

‘Nooit!’

 


 

Mag de moeder haar baby zien?

 

26. De man met het zwarte masker blijft volharden in zijn weigering: Pierre Prost mag het gezicht van de vrouw niet zien en hij kan dus niet nagaan of door de aderlating het bloed weer naar de hersenen stroomt. Hij wil het echter toch proberen. Hij prikt in de ader en er begint bloed in een leren bak te druppelen. De druppels worden groter en volgen elkaar sneller op.

Na een korte tijd zucht de vrouw. ‘Mijn kind…. waar is mijn kind?’ stamelt ze.

De man met het zwarte masker komt naar voren en beduidt Pierre dat hij niets moet zeggen. ‘Uw dochter leeft, mevrouw, maar u zult het voorbestemmen voor de dood als u zult proberen het weer te zien’.

‘Het weerzien… . het zien… . U gaat het dus van mij  afnemen?’

‘Ja, mevrouw’.

‘En ik zal het nooit terugzien?’

‘Nooit!’

‘Sta mij dan tenminste toe, het eenmaal in mijn armen te houden. Ik weet dat u geen mededogen kent, meneer, maar weiger me niet éénmaal mijn eigen kind te voelen. 

‘Neem het in uw armen’, zegt de man met het zwarte masker, ‘maar denk erom: spreek geen woord!’ En zich tot Pierre wendend: ‘Geef haar het kind!’

De dokter gehoorzaamt. De moeder sluit het kind dat zij nooit zal zien in haar armen. De man met het zwarte masker staat geduldig toe te zien.

Juist als hij zijn lippen wil openen, om een einde maken aan het afscheid, klinkt een geweldige donderslag. Stukken glas vallen rinkelend in de kamer en de wind heeft vrij spel in het vertrek. Wild wapperen de gordijnen naar binnen.

 

 


 

Toch contact?

 

27. De lamp is plotseling uitgegaan, de kamer in duisternis hullend. Even is de man met het zwarte masker zijn bezigheden vergeten. Hij snelt, gelijk met de man die steeds heeft geassisteerd, naar een gordijn dat langs een brandend stuk hout is gestreken en in brand is geraakt. Pierre maakt van deze gelegenheid gebruik.

Bij buigt zich over het bed heen en fluistert bij het oor van de vrouw ‘Wees niet ongerust, mevrouw. Ik zal over u waken en de zorg over uw kind op mij nemen’. De vrouw die niet eens kan zien wie tot haar spreekt, antwoordt niet. Zij weet nu dat deze vreemde dokter haar goedgezind is.

Haar hand grijpt die van Pierre Prost en laat er een klein voorwerp in glijden. Een ogenblik later staat hij op zijn plaats. Niemand heeft iets van het gesprek gemerkt.

Even later gebiedt de man met het zwarte masker de bediende om de zwarte doek weer voor Pierre’s gezicht te binden.

‘Neem het kind en ga naar beneden. Wij volgen je’. De dokter van de armen heeft niets kunnen ontdekken dat de arme vrouw zou kunnen helpen. Hij heeft haar stem niet eens gehoord! Alleen het kleine voorwerp dat ze hem gaf zal misschien een aanwijzing kunnen geven.

 


 

In de gangen van het kasteel

 

28. Plotseling krijgt Pierre een idee. Hij weet dat de bak met bloed vlak voor zijn voeten staat en als bij toeval, loopt hij tegen deze bak aan. Hij doet alsof hij zijn evenwicht verliest en grijpt naar de bak. Hij ziet kans zijn hand in het bloed te dopen.

De man met het zwarte masker ziet Pierre wel struikelen en hij ziet ook dat zijn hand in het bloed terecht komt, maar hij hecht geen enkele waarde aan het incident. Hij gebiedt Pierre zelfs niet het bloed van zijn handen te vegen.

Even later lopen de man met het zwarte masker en Pierre Prost op de trap.

De man met het kind in armen wacht hen daar op. De dokter telt, evenals bij het heengaan, de 22 treden in de hoop dat dit kleine detail zal kunnen meewerken aan de oplossing van dit duistere mysterie.

Als de kleine stoet beneden komt, moet Pierre zich weer bukken om door het poortje te gaan. Hoewel dat nu eigenlijk niet meer nodig is, strijkt Pierre met zijn bebloede hand over de bovenkant van de poort. De man het zwarte masker merkt dit gebaar niet op.

 

 

 


 

De opdracht voor Pierre Prost

 

29. Pierre Prost en de man met het zwarte masker zijn nu op de onoverdekte binnenplaats aangekomen. De bediende met het pasgeboren kind in de armen loopt voor hen uit. Het stormweer is nog steeds niet bedaard en het sneeuwt zo mogelijk nog harder dan tijdens de heenweg.

Dan wendt de man met het zwarte masker zich plotseling tot Pierre Prost: ‘Ik zal u een beurs met geld geven voor de opvoeding van uw kind’.

‘Helaas, u weet even goed als ik dat mijn kind dood is.’

‘Uw kind leeft!’ antwoordt de man met het zwarte masker vastberaden.

De slee staat weer voor de poort. Pierre neemt erin plaats met het kind dat de bediende hem gaf, in de armen.

De man met het zwarte masker geeft hem een beurs vol goudstukken en zegt: ‘Onthoudt dat de gebeurtenissen van deze nacht een droom zijn geweest die je aan niemand mag vertellen. Over enkele uren ben je weer terug in je huis en in de wieg ligt een klein kind.

Begrijp je wat ik bedoel?’

‘Ja, ik begrijp het.’

‘Je gaat dit kind dus opvoeden, zoals je het je eigen kind zou doen en niemand weet dat het niet je eigen kind is. Maar vergeet niet: Eén woord over dit alles en het zal je dood zijn....’

De paarden voor de slee trekken aan. De man met het zwarte masker blijft enkele ogenblikken in gedachten verzonken het vreemde rijtuig nakijken. Wat denkt de man op het ogenblik? Wat zijn de drijfveren voor zijn vreemde houding? Zal de man, aan wie hij het kind vertrouwde het grote geheim kunnen bewaren?

De slee glijdt over de sneeuw. Pierre zit in gedachten verzonken. Voor hem is het voorgevallene één groot mysterie waarin geen enkel lichtpuntje is te zien. Nooit tevoren had hij deze man met zijn zwarte masker gezien en de gedachte aan de jonge vrouw die hij niet heeft kunnen zien en die hij niet heeft kunnen helpen, maakt hem oneindig moe.

 

 


 

Eglantine

 

30. Als de slee in Longchaumois aankomt, begint het al dag te worden. Het onweer is een beetje gestild, maar nog steeds sneeuwt het. Pierre Prost die in de war is gebracht door de snelheid waarmee het traject werd afgelegd, weet niet beter of de slee is nu op de helft van de route.

‘Waar zijn we?’ vraagt hij zijn begeleiders.

‘Dat zult u over enkele minuten zien.’

De dokter wordt met het kind de woning binnengeleid.

‘U mag de doek pas van uw gezicht doen, nadat u twintig Ave Maria's hebt gebeden,’ zegt een van mannen.

Pierre doet wat hem is opgedragen. Onbeweeglijk staat hij in het huis. Terwijl hij bidt, hoort hij paardenhoeven en hij weet dat dit het geluid is van de vertrekkende slee. Dan is het volkomen stil om hem heen.

Tegen zijn borst voelt hij het hart van het kind kloppen. Als Pierre zijn masker afdoet, bemerkt hij dat hij in zijn eigen huisje is. Hij legt het meisje in het lege wiegje. Dan, als hij naast het wiegje zit, haalt hij het voorwerp voor de dag dat de arme vrouw hem gaf. Het is een prachtig medaillon van puur goud waarop een kleine wilde roos, een Egelantier, is afgebeeld, gezet in diamantjes. En in de beurs die de man met het zwarte masker hem gaf, vindt Pierre tot zijn verbazing 10.000 goudstukken!

Pierre's vrienden die het kleine meisje na de geboorte zwak en teer hadden gezien, zijn verbaasd als ze de blozende baby zien. Hun verrassing wordt echter nog groter, wanneer Pierre hun vertelt dat hij zijn dochter Eglantine (Egelantier) zal noemen.

 

 


 

Champagnole, 1638, achttien jaar na die geheimzinnige nacht

 

31. Het  is in het jaar 1638, achttien jaar na de geheimzinnige nacht van 17 januari 1620, de nacht waarop Pierre Prost thuiskwam met een kind dat niet het zijne was.

 

De lezer zal verbaasd zijn over deze grote sprong in de tijd, maar hij moet dan bedenken dat wat hiervoor werd verteld, slechts een inleiding was tot de tragische historie die nu volgt.

 

Champagnole is een gehucht, zoals er zoveel zijn in De Franche-Comté. Op deze koude en donkere dag in december is de hoofdstraat leeg en verlaten. Alleen een paar boeren haasten zich naar huis waar de kachel haar warmte verspreidt.

De stilte wordt plotseling verbroken door de komst van een ruiter die, gehuld in een bruine mantel, de hoofdstraat inrijdt. Zijn paard is vermoeid.

In deze tijd behoort De Franche-Comté aan Spanje. Drie jaar geleden nog was De Franche-Comté een welvarende provincie, maar nu moet men zich allang met heldenmoed verdedigen tegen de binnentrekkende vijanden:

De Fransen die worden aangevoerd door Condé, Villeroy en de hertog van Longueville. Bovendien moeten de inwoners van De Franche-Comté vechten tegen een Zweeds leger dat wordt aangevoerd door Bernard van Saxen-Weimar en dat het noordelijke deel van het land verwoestte.

Toch zijn er in De Franche-Comté enkele groepen die worden aangevoerd door ware helden en die met doodsverachting hun land verdedigen. Deze groepen worden gesteund door de rijken.

Daartegenover telden de Fransen echter grote roversbenden die de inwoners van De Franche-Comté ‘De Grijzen’ noemen. Deze Grijzen worden aangevoerd door twee beruchte mannen, de kapiteins Lespinassou en Brunet.

Ziedaar, in welke droevige toestand de arme provincie zich bevindt, nu we ons verhaal hervatten.

De ruiter en zijn paard komen weldra aan bij een huis dat er iets groter en beter verzorgd uitziet dan de huizen die het omringen.

Op de witte muur staan enkele woorden die de aandacht van de ruiter trekken.

 


 

Het gesprek met de herbergier

 

32. De ruiter stijgt van zijn paard. Het is een knappe jongeman van een ca. 24 jaar. Zijn gezicht is regelmatig gevormd en zijn ogen hebben een vastberaden uitdrukking. Alles aan deze jongeman verraadt dat hij van goede afkomst is. Als hij aan de deur klopt, komt een man met een joviaal gezicht, van ongeveer 55 jaar, naar buiten. ‘Wilt u uw paard in de stal hebben, meneer?’

‘Ja, en ik wil dat het even goed wordt verzorgd als ikzelf.’

‘Het is goed dat u uw paard goed laat verzorgen. Het is een kostbaar dier van bijzonder ras.’

‘Hebt U verstand van paarden?’

Al pratend brengen de twee mannen het paard naar de stal.

‘Of ik er verstand van heb’, zegt de herbergier. ‘Ik heb vijftien jaar bij de cavalerie gediend. Vraag maar eens aan kolonel Varroz hoe hij denkt over Jacques Vernier.

En wie weet. Misschien zal er eens een dag komen dat ik, al ben ik 58 jaar, nog op mijn paard stijg! En leve kapitein Lacuzon. Dat is nog eens een man! Die ziet er niet tegenop te sterven voor de vrijheid!’

Al pratend  lopen de mannen verder. De herbergier brengt de jongeman naar de keuken. Deze gaat aan een tafel zitten en hoeft niet lang op zijn maal te wachten. Een jong meisje bedient hem en de herbergier die blij is dat hij tegen iemand kan praten, houdt hem gezelschap.

‘Wie is toch die kolonel Varroz, over wie u zo-even sprak?’

De herbergier kijkt de jongeman op deze vraag stomverbaasd aan.

‘Ik geloof dat u hier volkomen vreemd bent, meneer....’                       

‘Inderdaad, ik ben hier vreemd en ik kom van ver...’ antwoordt de reiziger.

 

 


 

De aanvoerders van het vrijheidsleger

 

33. ‘U bent toch hoop ik geen Fransman?’ vraagt de herbergier aan zijn jonge gast.

‘Nee.’

‘En ook geen Zweed?’

‘Ook dat niet.’ ‘Gelukkig! Wel, kolonel Varroz is een van de leden van ons grote driemanschap.’

‘Van welk driemanschap spreekt u?’ ‘Ik bedoel hiermee Varroz, Jean-Claude Prost en pastoor Marquis, onze drie grote helden!’

‘En die kapitein Lacuzon, over wie u zo-even sprak?’ ‘Lacuzon en Jean-Claude Prost zijn één en dezelfde man. Lacuzon is een bijnaam. Maar bent u werkelijk helemaal niet op de hoogte van de situatie hier?’

‘Ja, ik weet dat De Franche-Comté een moedige strijd voert voor zijn onafhankelijkheid en dat de inwoners sinds drie jaar strijden tegen de Fransen...’

‘En tegen de Zweden, meneer!’

‘En de drie mannen, over wie u het had: wat doen die?’

‘Wel, toen de Zweden over de bergen trokken en ons land plunderden, kinderen en grijsaards doodden en

de huizen in brand staken, stonden de boeren op. Zij vormden een leger en hoewel geen enkele soldaat soldij ontving, vocht men tot het uiterste voor het behoud van het land en nog steeds vecht dit leger!’

‘En natuurlijk,’ onderbreekt de reiziger dit verhaal, ‘natuurlijk zijn Varroz, Lacuzon en Marquis de aanvoerders van dat leger!’

‘Inderdaad, dit driemanschap voert ons leger aan!’

‘Jean-Claude Prost was eerst Varroz’ rechterhand, maar nu is hij zijn gelijke. Hij is nauwelijks 22 jaar, maar wat een man! Iedereen vereert hem en de soldaten willen voor hem sterven.’

‘Hoe komt men aan die naam Lacuzon?’

Wel, La cuzon is in dialect: de bron, begrijpt u?’

‘Ik begrijp het. En de derde man, pastoor Marquis?’

‘Dat is de pastoor van het kleine dorpje Saint-Lupicin. Een groot prediker en een groot soldaat! Hij strijdt met het gebed en het zwaard. Als hij vecht draagt hij een rode mantel. Hij heeft verder niets om zich te verdedigen.’

 


 

Waarom raakt de jongeman van streek?

 

34. ‘Op de gezondheid van kapitein Lacuzon’, roept Jacques Vernier in vervoering uit en hij stoot zijn glas tegen dat van de reiziger.

‘Waar is kapitein Lacuzon geboren?’ vraagt deze.

‘Hij komt uit Longchaumois. Dat ligt hier een paar kilometer vandaan’.

‘Heeft hij veel familie?’

‘Nee, op het ogenblik is hij bijna alleen op de wereld.’

‘Wat? Geen broer of zuster?’ vraagt de jongeman en zijn stem trilt licht.

‘Nee, zijn enige familielid is de broer van zijn vader, Pierre Prost die bekend staat als de Dokter van de armen. Ja, dat is een droevige geschiedenis met Pierre, een geleerde en een goed man!’

‘Een trieste geschiedenis?’

‘Wat is er dan met hem gebeurd?’ vraagt de jongeman. Hij is bleek geworden. ‘Zijn vrouw stierf bij de geboorte van haar dochtertje en Pierre werd bijna gek van verdriet. Hij noemde zijn dochtertje Eglantine in plaats van Jeanne-Antoine, of Jeanne-Marie, zoals alle mensen hier in de buurt doen.

Twee of drie jaar daarna verdween Pierre met zijn dochtertje. Zelfs zijn eigen broer wist niet waar hij heen was gegaan’.

‘En toen?’

‘Vijftien of zestien jaar gingen voorbij zonder dat iemand iets van hem hoorde. ‘En daarna?’ vraagt de jongeman. ‘Vorig jaar kwam Pierre Prost in het land terug’.

‘Met zijn dochter?’

‘Nee, meneer. Hij kwam alleen. Het schijnt dat zijn dochter dood is’.

‘Dood’, mompelt de jongeman voor zich uit en in zijn ogen verschijnt een oneindig droevige uitdrukking.

‘Maar hoe kan dat?’

‘Niemand weet het en misschien is het ook wel niet waar. De mensen praten veel en men kan zich vergissen ...’ De herbergier ziet dat zijn verhaal de jongeman van streek heeft gemaakt en hoewel hij hiervan niets begrijpt, gaat hij stil de kamer uit, de jongeman alleen achterlatend ...

 


 

Door de Morez-vallei

 

35. Een kwartier later als de jongeman zijn gevoelens weer kan verbergen, gaat hij naar de herbergier toe. ‘Ik wil u graag betalen en dan ga ik weer op weg’, zegt hij eenvoudig.

De herbergier kan zijn verbazing niet verbergen. ‘Wat? Bent u ontevreden over mijn herberg?’

‘O nee dat niet. Maar ik móét nu weggaan. Ik wil u nog één dienst vragen: kunt u me helpen aan een gids?’

‘Waar wilt u heengaan, meneer?’

‘Naar Saint-Claude!’

‘Lieve help! Naar Saint-CIaude?’

‘Ja, is dat zo iets verbazingwekkends?’

‘Maar u zult er niet levend aankomen. U zult vermoord worden door de Grijzen of door de Zweden. U tekent uw eigen doodvonnis door te gaan’.

‘Het is jammer’, zegt de jongeman, ‘maar dan zal ik toch alleen vertrekken’.
De herbergier probeert de jongeman tevergeefs van zijn plan af te brengen. Als hij echter inziet dat niets hem kan weerhouden, zegt hij: ‘U hebt een gids nodig! U vergeet dat u dit land helemaal niet kent’.

 

‘Dat hindert niet. U volgt  steeds de weg die hier langs mijn herberg loopt. Het is nog een heel eind en u zult moeten klimmen en dalen. Maar zo komt u in Saint-Claude’.

En is er geen andere weg?’

‘Ja, er is nog een weg, maar die is slecht begaanbaar en die gaat door de Morez-vallei en langs Longchaumois.’

‘Dan neem ik die weg. Als u me tenminste kunt helpen aan een gids…’ 

‘Het is goed, het is goed’, mompelt de herbergier, ‘u zult uw zin hebben ... ‘

Als de vreemdeling alleen in de kamer is gebleven, laat hij zijn gedachten de vrije loop.

‘Dood,’ mompelt bij. ‘Ze is dood en ik zal haar nooit weerzien. Wat doe ik op deze wereld als Eglantine er niet meer is?’

En als hij even in gedachten verzonken heeft gestaan: ‘Nee, het is niet mogelijk! Eglantine is niet dood, ze leeft. Dat voel ik. Is mijn hele bestaan niet aan haar verbonden? Ik moet vertrekken en zoeken. Ik moet kapitein Lacuzon vinden. Hij alleen kan me de waarheid vertellen!’

 


 

De weg door bossen en bergen

 

36. Jacques Vernier komt al gauw terug met de aangekondigde gids. Het is een boerenjongen van een jaar of 13, 14 en hij is groot voor zijn leeftijd. ‘Het is een pientere knaap’, prijst de herbergier zijn gids aan, ‘En als hij een paar jaar ouder was, zou hij een geweldig soldaat in ons vrijheidsleger zijn. Ik verzeker u dat u deze jongen volkomen kunt vertrouwen.’

‘Ik ben tevreden’, zegt de vreemdeling. ‘Het lijkt me een flinke en sympathieke jongen en in plaats van één daalder, geef ik hem er twee.’

Vijf minuten later verlaat de jongeman vergezeld van de gids Champagnole.

Het paard loopt heel langzaam, om de jonge gids niet te vermoeien. Deze loopt echter, bij in het vooruitzicht aan de twee beloofde daalders, flink door.

Een lichte nevel daalt over de bergen. Het geluid van de paardenhoeven op de stenen klinkt in de stilte doordringend. De jongen fluit een wijsje.

Na twee uur lopen door het bos komen Nicolas Paget, de gids en de onbekende bij zeer dicht kreupelhout aan. De jongen raadt de man aan van zijn paard te stappen. Het is gaan sneeuwen. De twee mannen lopen zwijgend verder.

 

 


 

Moet de reiziger alleen verder?

 

37.  De nacht valt. Een ijzige wind striemt de gezichten van de reiziger en zijn gids. Ondanks zijn dikke mantel is de vreemdeling doornat. Als de weg heel slecht wordt, zegt hij: ‘Noemen ze dat bij jullie een weg? Komt hier dan nooit iemand langs?’

‘Alleen een paar houthakkers en sprokkelaars, verder niemand. De mensen uit Champagnole die naar Saint-Claude moeten, gaan over Clairvaux, maar Jacques Vernier zei me dat u deze weg wilde volgen’.

Eindelijk komt het eind van dit vermoeiende gedeelte van de reis in zicht. Er zijn steeds minder bomen en het wordt iets lichter. De twee reizigers zijn nu aan het eind van het woud gekomen. Ze staan op het uiterste punt van een steile helling die uitloopt in een diepe kloof. Het is nu middernacht, maar het is volle maan. Een  blauwachtig licht verlicht de besneeuwde

bergtoppen van de Jura en het plateau waarop de onbekende en zijn gids staan.

Door de verlichte toppen lijkt de diepte aan de voeten de reizigers nog donkerder en angstwekkender, dan die reeds is. De helling die steil is als het schuine dak van een huis, is bedekt met sneeuw.

‘Meneer’, zegt jongen plotseling, ‘ik ga u hier verlaten!’

‘Waarom?’ roept de reiziger verbaasd uit. ‘Ga je weg? En waarom?’

‘Omdat we nu d'Orsières naderen en dat is een heksennest’ antwoordt Nicolas Paget met trillende stem.

De vreemdeling die het bijgeloof van deze mensen kent, glimlacht.

 


 

De val van de reiziger   

 

38. De onbekende is echter niet erg blij met het vooruitzicht de rest van de tocht alleen te moeten ondernemen. En de jonge Nicolas Paget is vastbesloten geen stap verder te gaan.

‘Wat moet ik zonder gids beginnen?’ vraagt de reiziger hem.

‘Meneer’, zegt de jongen, ‘de weg is heel gemakkelijk te vinden. Ik zal u zeggen  hoe u verder moet gaan’ en hij geeft alle nodige aanwijzingen.

De reiziger geeft zijn gewezen gids de twee beloofde

daalders en daarna haast de jongen zich terug. De vreemdeling is nu helemaal aangewezen op zichzelf en zijn paard. De tocht naar beneden begint. Het  paard is angstig en het verzet zich in het begin. De tocht is zeer gevaarlijk en de vreemdeling herinnert zich opeens de waarschuwingen van de herbergier.

Zijn paard glijdt uit en zijn val is niet meer te stuiten. De sneeuw is glad en met het paard glijdt de reiziger naar beneden. Hij betreurt het ogenblik waarop hij deze weg verkoos boven de betere.

 


 

Wat is dat voor een huisje?

 

39 Als door een wonder komen ruiter en paard na een langdurige glijpartij behouden beneden aan. Na even verdoofd op de grond gelegen te hebben, staat de jongeman op. Hij betast zijn paard en merkt dat het niets mankeert. Hijzelf heeft een paar  onbeduidende schrammen opgelopen. Vrolijk fluit de reiziger een wijsje, terwijl hij zijn kleren afklopt en even later bestijgt hij zijn paard.

Hij bereikt de molen die Nicolas Paget hem had aangeduid en korte tijd later komt hij bij het snel stromende water van de Bienne aan. De inlichtingen die de gids hem gaf, kloppen precies! De vreemdeling drijft zijn paard het water in dat niet hoog staat. Het reikt nauwelijks tot de knieën van het dier dat zijn kalmte heeft hervonden.

De doortocht gebeurt zonder incidenten en dat lijkt de reiziger een goed voorteken.

Als de jongeman en zijn paard de Bienne doorgewaad zijn, beklimmen zij de helling waarover de weg verder loopt. Een uur lang rijdt de man verder. Als hij eindelijk op een iets hoger gelegen punt komt, ziet hij tussen de bomen door in het licht van de maan de huizen van een klein dorp aan de voet van een bergketen. Dat dorp heet Longchaumois.

Enkele minuten later komt de ruiter bij het begin van het gehucht. Iets verder staat een huisje dat er uit ziet als alle huisjes in Longchaumois: alleen een benedenverdieping en alle deuren en ramen kijken uit op de weg.

 


 

Het kleine huis in Longchaumois

 

40  De reiziger stopt in de schaduw van enkele bomen. Hij staat doodstil en luistert. Hij hoort een zacht geluid van stemmen en daar doorheen het kletteren van sabels. Daartussendoor klinkt gesteun en een zacht gekerm. Het lijkt of al deze geluiden uit het huisje komen.

De jongeman aarzelt even, niet wetend wat te doen. Maar plotseling ziet hij vlak bij het huis een lange jongeman. Zijn zwarte haar golft tot op zijn schouders en de reiziger ziet in het maanlicht dat het gezicht van de nieuwaangekomene een edele en nobele uitdrukking heeft.

Langzaam en geen geluid makend loopt de man om het huis heen. Zijn donkere ogen fonkelen verontwaardigd. Het lijkt of de man zich verschrikkelijk opwindt over hetgeen hij door het venster in het huis ziet gebeuren.

De man loopt nog een paar keer om het huis heen en dan blijft hij staan bij het venster. Onbeweeglijk volgt hij alles wat er daar binnen gebeurt. Hij heeft er geen idee van dat hij zelf bespied wordt. Wat zich daarbinnen afspeelt, schijnt vreselijk te zijn.

De man staat zich te verbijten en het lijkt erop of hij zo dadelijk zal ingrijpen.

 


 

Opent hij de deur?

 

41. Wat gebeurt er ondertussen in dat geheimzinnige huisje?

Wij gaan ongeveer een half uur terug vóórdat de onbekende reiziger bij het huis zal arriveren.

In één van de twee vertrekken van het huis dat toebehoort aan Jean Claude Prost (zoals we weten niemand anders dan kapitein Lacuzon) zit een kleine man van een jaar of veertig uit te rusten van zijn dagtaak. Zijn koude voeten warmt hij bij het vuur van de haard. Het is de bediende en vertrouwensman van kapitein Lacuzon.

Dan is er plotseling een klop op de deur. Buiten staan acht mannen met stuurse gezichten. Ze zijn tot aan de tanden gewapend. Eén van de mannen is bijna een hoofd groter dan de anderen en hij blijkt de aanvoerder van de troep te zijn. Hij heeft een onbetrouwbaar gezicht en een groot litteken loopt

dwars over zijn ene wang en eindigt bij de lip waaruit een stukje is weggerukt. Daarom lijkt het of de man voortdurend een scheve grijns op zijn gezicht heeft. ‘Wie bent u?’ vraagt de bediende niet erg zelfverzekerd.

‘Een vriend’, zegt de man met het litteken, ‘wij zijn van jullie partij. Ik kom van de kapitein.’

‘Van mijn meester? Dan moet u het wachtwoord noemen.’

‘Ja.... de kapitein heeft het me gezegd.... maar ik ben het vergeten. Je moet ons allen echter binnenlaten en de deur achter ons sluiten. We hebben een boodschap. Je meester is in groot gevaar!’

Dit alles klinkt zo zelfverzekerd dat de man de deur opent. Eerst neemt hij echter van de muur een oud geweer…

 


 

De verschrikkelijke Lespinassou

 

42. Zodra de deur achter hen is gesloten, is ieder spoortje van vriendelijkheid bij de acht mannen verdwenen. Drie van hen werpen zich op de bediende en binnen enkele seconden hebben ze hem het oude geweer ontfutseld en de handen op de rug gebonden.

‘De Grijzen!’ mompelt de bediende angstig voor zich heen. ‘Het zijn de Grijzen!’ Hij werpt een blik op de grote man die zich in een stoel heeft laten vallen en opeens begrijpt hij wie dit moet zijn: ‘Lespinassou!’ schreeuwt hij uit.

Het is inderdaad de verschrikkelijke Lespinassou, het monster zonder gezicht dat met niemand medelijden heeft. Nu trekt hij met zijn geschonden lip en lacht ruw: ‘Ha, je vergemakkelijkt de gang van zaken een beetje.’ Hij gaat nog een beetje luier zitten en werpt zijn hoed op de tafel.

De ongelukkige bediende wordt voor Lespinassou geleid. Eén van de mannen zet de punt van zijn zwaard op de borst van de knecht en vraagt: ‘Waar is Lacuzon?’

‘Ik weet het niet’, mompelt de bediende met een dodelijk verschrikte stem.

‘Waar is Varroz?’

‘Ik weet het niet.’

‘En Marquis?’…..

‘Wel’, zei Lespinassou met een afschuwelijk vriendelijke stem die lijkt op de streling van een tijger: ‘Je weet dus niets?’

‘Niets, niets. Ik weet niets.’ De Grijzen zien echter wel dat zij met deze man weinig moeite zullen hebben: Hij is zo bang als een wezel.

 


 

De donkere jongeman schiet te hulp

 

43. We zijn nu weer buiten het huis waarin de arme knecht wordt bedreigd door de infame Lespinassou. Nog steeds verscholen achter enkele bomen volgt de reiziger de bewegingen van de man met de lange zwarte haren. Deze wordt hoe langer hoe meer opgewonden bij het zien van wat er daarbinnen voorvalt.

Dan klinkt vanuit het huis een luide schreeuw. Na deze sinistere kreet blijft het enkele seconden doodstil.

Maar de jongeman met het zwarte haar heeft nu partij gekozen. Hij heeft in zijn linkerhand een pistool

en in zijn rechter een zwaard.

De reiziger beweegt zich niet, hoewel hij zich graag bij deze man zou voegen.

Want hoewel hij hem niet kent, voelt hij een onberedeneerbare sympathie voor de donkere jongeman die zich moedig, geweldig moedig toont.

Want hij neemt een korte aanloop en springt even later door het raam het huis binnen. Er volgt een hevig gekraak. Dan is de man verdwenen.

De reiziger ziet niets meer van hem. Hij hoort dat het even stil wordt in het huis, maar dan breekt een tumult los dat nog groter is dan het vorige....

 


 

Het gevecht

 

44. Dat is juist het moment waarop de bediende, Pelerin, zwicht voor de overmacht. Doe dat zwaard weg, ik zal jullie alles zeggen. Waar Lacuzon is weet ik niet, maar Varroz en Marquis zijn in …’

Hij heeft geen tijd om zijn zin af te maken, want op dat moment stormt een donkere man door het raam. Hij staat plotseling tussen de Grijzen die zo gauw niet weten wat te doen.

Direct begint de jongeling te vuren en één, twee Grijzen vallen neer. Een grote verwarring ontstaat. Wie is deze onbesuisde jongeman die letterlijk en figuurlijk zomaar het huis komt binnenvallen? De onbekende maakt echter gebruik van de verwarring. Nog een Grijze valt op de grond.

De man gaat naar de muur en blijft met zijn rug ertegen staan om zeker te zijn dat hij niet van achter zal worden aangevallen.

Een vierde man sneuvelt. De andere drie beginnen nu radeloos te worden. Lespinassou overziet de toestand echter en als hij merkt dat hij slechts met één tegenstander te doen heeft, roept hij: ‘Hij is alleen en wij zijn met ons vieren. We moeten hem doden.’ En hij vuurt met zijn twee pistolen. Maar zijn handen trillen en hij mist zijn doel.

De onbekende vecht door. ‘Verrader!’ zegt hij. ‘O, denk maar niet dat ik je niet ken. Je bent het beest Lespinassou. Wees een kerel en laten we vechten, man tegen man.

 


 

Kan hij de strijd wel winnen?

 

45. Als Lespinassou voorzichtig een paar passen in de richting van de jongeman doet, springt deze op hem toe en een geweldige strijd begint. Hoewel de nieuw aangekomene groot is, steekt Lespinassou nog wel een hoofd boven hem uit. De ander is echter vlug en behendig en Lespinassou begrijpt dat hij het gevecht van man tegen man zal verliezen. Hij heeft echter nog drie helpers en tegen hen schreeuwt hij: ‘Lafaards! Kunnen jullie me niet helpen? Je ziet toch dat hij alleen is…. !’

Na deze woorden verzamelen de overgebleven Grijzen weer moed en ze mengen zich in de strijd die nu zeer ongelijk wordt. De jongeman staat met zijn rug tegen de muur en hij kan niet anders doen dan

met de grootst mogelijke behendigheid de vier zwaardpunten van zich afhouden.

Van een aanval is voor hem geen sprake meer!

Hij wordt moe. Het bloed gonst hem in de oren. Hij verzamelt nog éénmaal al zijn kracht en weet nog één van de aanvallers neer te slaan. Even deinzen Lespinassou en zijn twee helpers terug, maar dan herstellen zij zich en de strijd zal op deze manier niet lang meer duren.

De drie bandieten zien dat de krachten van hun tegenstander afnemen. Ze zien dat hij begint te wankelen en dat hij nog slechts automatisch hun slagen afweert.

 

 


 

De jongeman krijgt hulp

 

46. Lespinassou en zijn twee helpers zijn in de aanval en ze voelen dat ze in deze ongelijke strijd overwinnaar zullen worden. De dappere jongeman is doodmoe. Hij kan zijn arm bijna niet meer opheffen om de slagen af te weren en zijn benen kunnen hem nauwelijks dragen. Hij besluit de strijd op te geven. Hij laat zijn armen hangen en de drie mannen heffen hun zwaard al op. De jongeman buigt zijn hoofd en wacht op de dood.

Maar in plaats van de dood daagt er plotseling hulp op. Buiten klinkt een stem: ‘Houd nog even vol. Ik kom helpen!’ Een jongeman springt door het geopende venster en vuurt uit zijn twee pistolen. Eén van de Grijzen valt neer.

De nieuwaangekomene is niemand anders dan de jongeman met wie we reeds kennis hebben gemaakt in de herberg van Jacques Vernier en die we hebben vergezeld op zijn tocht naar Longchaumois.

Hij gaat naast de jongeman met het donkere haar staan en neemt zijn zwaard in de hand. ‘Nu spelen we gelijk spel!’ schreeuwt hij tegen Lespinassou. ‘Twee tegen twee.’ Laat nu eens zien hoe moedig je bent.’

Meteen gaat hij tot de aanval over en de donkere jongeman die zich door deze onverwachte hulp gesterkt voelt, grijpt opnieuw naar zijn zwaard en vecht verder.

 


 

Lacuzon

 

47. Lespinassou toont nu hoe laf hij eigenlijk is. Hij begrijpt dat hij deze strijd zal verliezen en hij ziet in het raam dat nog steeds geopend is, een kans om te ontsnappen. Hij neemt een sprong en verdwijnt tussen de bomen, gevolgd door zijn moedige helper. Een moment wil de vreemde jongeman de twee vluchtenden achterna gaan, om hen hun gerechte straf te geven, maar als hij ziet hoe zwak de donkere man is, besluit hij hem gezelschap te blijven houden.

Deze neemt de hand van zijn redder en zegt eenvoudig: ‘Wat u ook mag zijn, meneer, Fransman, Spanjaard of Zweed, kapitein Lacuzon zal voor het leven uw vriend zijn!’

‘Lacuzon…..’, herhaalt de ander, ‘u bent Lacuzon?’

‘Jazeker’. Het is een gelukkig toeval dat ik u hier vindt!’

 ‘Een gelukkig toeval? Maar meneer, ik ken u niet en hoe kent u mij?’

‘Ik heb iets belangrijks met u te bespreken, kapitein en ik ben vanuit Champagnole hierheen gereisd in de hoop u hier te zullen ontmoeten!’

‘Wat hebt u mij dan te zeggen?’ vraagt Lacuzon.

‘Dat is een lange geschiedenis, kapitein en de plaats waar we nu zijn …..’ 

‘U hebt gelijk’, zegt de kapitein, ‘we moeten hier weggaan.’  De twee mannen kijken nog even om zich heen: het huis is een toonbeeld van wanorde. Snel gaan zij naar buiten.

 


 

Nadere kennismaking

 

48. Kapitein Lacuzon en de jonge reiziger verlaten het sombere huis.

‘Ik vind dat u nu maar eens moet vertellen waarom u die lange reis hebt gemaakt en waarom u mij wilt spreken’, begint Lacuzon.

‘Ik zal het u vertellen’, zegt de jongeman en – zichzelf onderbrekend – ‘maar u bent toch niet te voet, kapitein?’

‘Natuurlijk niet’, zegt de kapitein. ‘Maar ik heb een zeer bijzonder paard dat ik nooit hoef vast te binden’. En om dat te bewijzen zet hij twee vingers aan zijn lippen en laat een schrille fluittoon horen.

In de verte klinkt het geluid van een galopperend paard en even later komt een prachtige Barbarijnse merrie te voorschijn.

‘Wat een prachtig dier!’ roept de onbekende uit.

‘Het is een geschenk van Charles de Lorraine’, zegt de kapitein, de hals van het dier strelend.

‘Ze kent me, ze houdt van mij en ze gehoorzaamt mij en niemand anders’. De reiziger wil het dier strelen, maar woedend gooit de merrie haar hals naar achteren.

‘Pas op!’ roept Lacuzon, aan de teugels van het paard trekkend, ‘voor wie het niet kent is dit paard gevaarlijk!’  De twee mannen stijgen op de paarden en rijden enkele minuten zwijgend naast elkaar voort. Beiden zijn in gedachten verdiept. De een bewondert de jonge kapitein van twee en twintig jaar en neemt hem van opzij tersluiks op. De ander verbreekt het eerst de stilte.

‘U hebt me nog steeds niet verteld waarvoor u bent gekomen. Over enkele uren komen we in een streek waar het niet al te rustig is. Het is dus beter, wanneer u nu spreekt. Ik luister en beloof u bij voorbaat alles te zullen doen wat mogelijk is om u te helpen.’

 


 

De liefde voor Eglantine

 

49. De jonge reiziger begint zijn verhaal. ‘Kapitein’, zegt hij, met een van emotie trillende stem, ‘ik verkeer in een moeilijke en vreemde situatie. En voor ik u alles ga vertellen, moet u mij beloven mijn geheim te bewaren. Ik wil niet dat iemand iets weet van hetgeen ik u ga vertellen.’

‘U verbaast me!’ roept Lacuzon uit. ‘Ik ken u nauwelijks een paar uur en nu vertelt u me geheimen. Maar goed, ik zal naar u luisteren.’

‘Kapitein’, gaat de ander verder, ‘u hebt een nicht die vroeger met haar vader in een klein huisje woonde dicht bij Dole. De vader is vertrokken en kort geleden is hij weer teruggekomen, maar.... alleen. Men zegt dat Eglantine dood is. Is dat waar?’

Lacuzon staart voor zich uit en zegt niets. De ander verklaart dit stilzwijgen op zijn manier.’

‘Vreselijk’, mompelt hij. ‘Zij is dood, ik voel het ......

De wanhopige klank in de stem van de jongeman doet de kapitein opkijken en het is duidelijk dat hij zich in grote verlegenheid bevindt.

‘U kent haar dus?’ vraagt hij.

‘Ik ken haar heel goed!’

‘En u houdt misschien van haar?’

‘Ja, ik houd van haar. Met mijn hele hart’.

Even valt er een diepe stilte. Dan zegt Lacuzon moeilijk: ‘En zij .... houdt zij ook van u?’

‘Zij was lief en zacht en goed voor mij.’

De kapitein wendt het hoofd af. Er komen tranen in zijn ogen en enkele ogenblikken is deze sterke, heldhaftige man als een kind…..

 

 


 

Raoul de Champ d'Hivers

 

50. De woorden van de onbekende hebben een grote verandering bij de kapitein teweeggebracht. Het lijkt alsof een masker van zijn gezicht is gerukt. Ook hij houdt van Eglantine. Hij heeft deze liefde echter nooit kenbaar gemaakt, maar in een verborgen plekje van zijn hart gekoesterd. Dan richt hij plotseling weer fier zijn hoofd op: Hij is weer de dappere kapitein Lacuzon. ‘U hebt mij het leven gered’, zegt hij, ‘en ik zou u daarvoor al heel slecht belonen als ik u nu langer in onzekerheid liet. Eglantine is niet dood!’

Na deze woorden beginnen de ogen van de jongeman te stralen. Even rijden zij zwijgend verder, maar dan verbreekt de kapitein de stilte. ‘Na de vertrouwelijkheden die u mij zojuist hebt verteld, heb ik er recht op uw geschiedenis te horen en te weten wat uw verdere plannen zijn….’

En de jongeman die voor de kapitein niets te verbergen heeft, begint het verhaal dat wij reeds kennen.

Inderdaad: de vreemde reiziger is niemand anders dan Raoul de Champ d'Hivers, de zoon van de baron de Champ d'Hivers, waarvan we het tragische levenseinde kennen.

 

Raoul vertelt nauwkeurig zijn geschiedenis: de ongelukkige liefde van zijn vader voor Blanche de Mirebel, de moord op de hertog van Mirebel en de schaking van zijn dochter.

Dan het huwelijk van Tristan de Champ d'Hivers, zijn vader, met Odette de Vaubécourt, de geboorte van Raoul, tegelijk met de dood van zijn moeder en ten slotte de tragische nacht waarin misdadige handen zijn vaders kasteel in brand staken en van de trouwe Marcel Clément die met Raoul in de armen het kasteel uitvluchtte, nadat hij had gezien dat hij niets meer voor de oude heer de Champ d'Hivers kon doen: hij was vermoord!

 


 

Wie is toch de man met het zwarte masker?

 

51. Lacuzon heeft het verhaal van Raoul de Champ d’Hivers nauwlettend gevolgd. Zijn gezicht staat ernstig en uit alles blijkt dat hij groot belang stelt in hetgeen zijn pas verworven vriend hem vertelt. Zo nu en dan valt hij Raoul in de rede om iets dat hij niet begrijpt, nader te laten verklaren.

Raoul blijft doorvertellen. Hij probeert zo volledig mogelijk te zijn in zijn verhaal. Uitvoerig vertelt hij ook over die vreselijke nacht waarin het kasteel in brand werd gestoken. ‘Mijn vader stierf in die nacht geen natuurlijke dood. Hij werd vermoord!’

‘Vermoord?’ vraagt Lacuzon verbaasd. ‘En door wie?’

‘De man met het zwarte masker!’

‘En u denkt dat de man met het zwarte masker….’

‘Ik weet dat de man met het zwarte masker niemand anders is dan Antide de Montaigu en ik hoop dat er nog eens een dag komt waarop ik u dit kan bewijzen.

Marcel Clement heeft hem die nacht herkend aan zijn stem, zijn houding en zijn manier van bewegen.…’

De laatste woorden van Raoul de Champ d’Hivers hebben diepe indruk gemaakt op Lacuzon. Hij kan bijna niet geloven dat wat zijn metgezel zegt waar is.

‘Dat is niet mogelijk’, zegt hij. ‘Antide de Montaigu is een van onze grootste medestrijders voor de vrijheid van De Franche-Comté. In zijn kasteel worden altijd de plannen beraamd en de voorbereidingen getroffen. Hij voorziet ons ook van geld en van  levensmiddelen. U ziet het: ik kán niet geloven dat wat u zegt waar is.’

‘Ik begrijp het, maar ik zal geduldig wachten. Een moordenaar kan geen waarachtig medestrijder zijn!’

 


 


Is Pierre Prost, de dokter van de armen, te redden?

 

52. Lacuzon kent nu de hele geschiedenis van Raoul de Champ d'Hivers. Hij weet dat hij uit een oud adellijk geslacht stamt en dat hij werd opgevoed door een trouwe knecht die hem uit het brandende kasteel van zijn vader redde. Lacuzon weet ook dat Raoul Eglantine leerde kennen toen hij deel uitmaakte van het leger van de maarschalk Van Villeroy die destijds dicht bij Dôle was gelegerd. Raoul heeft hem ook verteld dat tijdens zijn gesprekken met Eglantine de naam Lacuzon dikwijls werd genoemd.

‘Je bent mijn vriend’, verklaart Lacuzon aan het eind van het verhaal eenvoudig en hij reikt hem de hand.

De vrienden vervolgen hun weg die over steile hellingen leidt. Als ze een top hebben bereikt, van waaraf ze een prachtig uitzicht hebben op de omstreken, begint Lacuzon weer te spreken. ‘Je hebt me nog niet verteld wat je verdere plannen zijn en wat je met Eglantine wilt doen zegt hij.

‘Maar begrijp je dat niet?’ roept Raoul uit, ‘ik wil van haar een baronesse de Champ d'Hivers maken, indien jij daarin toestemt.

‘Je vraagt mij om de hand van mijn nicht?

‘Natuurlijk! En zodra we haar vader zullen zien, vraag ik het hem ook.’

‘Helaas, zegt Lacuzon, bedroefd. ‘Je zult haar vader

nooit zien, want morgen zal hij sterven.’

Raoul is te verbaasd om te antwoorden en Lacuzon gaat verder: ‘Je weet dat de heer van Guébriant met zijn Zweden Saint-Claude heeft bezet?’

‘Ja ... maar Pierre Prost?’

‘Mijn oom is met een aantal andere inwoners gearresteerd, verdacht van spionage.

En hij is de eerlijkheid zelf! Zodra de dag aanbreekt, zal hij ter dood gebracht worden.’

‘Maar dat zullen ze niet durven!’

‘Je vergist je, ze durven alles. Ze denken de bergbewoners te kunnen intimideren door mijn oom te vermoorden.

‘Maar is er dan geen enkel middel om hem te helpen?’ vraagt Raoul terneergeslagen.

‘Denk je dat ik hier zo kalm zou zit te praten als ik geen hoop had op zijn redding?’ stelt Lacuzon een wedervraag. De mannen rijden verder. Ze komen aan in een klein dichtbegroeid bos en nauwelijks hebben ze de eerste bomen achter zich gelaten of er springt een man achter een van de bomen vandaan. Hij heeft een geweer in zijn hand .

‘Wie bent u? vraagt hij.

‘Saint-Claude en  Lacuzon’ antwoordt de kapitein.

 

 


 

Hoe komen ze de stad binnen?

 

53. De man die zich midden op de weg heeft opgesteld en zodoende de doortocht van de mannen belemmert, is een boer uit de Franche Comté.

‘Ah, u bent het zelf, kapitein!’ roept de man uit als hij Lacuzon herkent.

‘Laten we van ons paard stappen, Raoul’, zegt Lacuzon en zich tot de man wendend: ‘Is hier nog iets nieuws gebeurd?’

‘Niets, kapitein!’

‘En in het dorp?’

‘De Zweden en de Grijzen hebben een groot aantal kelders geplunderd, onder andere die van het klooster. Ze gooiden het aardewerk kapot en waren aan het eind van de plundering dronken’.

‘Het is goed. Dank je’. De boer gaat weg met de twee paarden.

De kapitein en Raoul gaan te voet verder langs de weg naar Saint-Claude. Als ze aan het eind van een bos komen, zegt Lacuzon tegen zijn metgezel:

‘En nu, Raoul: verder geen woord! We mogen geen enkel geluid maken. De vijand is voor ons, achter ons en opzij van ons, overal! Het minste geluid zou ons verraden en een gevecht uitlokken waarvan wij het slachtoffer zouden worden. We gaan nu langs de rivier verder. Dan profiteren we van de schaduw van de bomen’.

De twee mannen nemen alle voorzorgsmaatregelen die Lacuzon nodig acht. Na enige tijd komen ze aan bij een plaats waar de Bienne een bocht maakt en waar het water sneller stroomt. Enkele tientallen meters verder verheffen zich de muren van de stad. ‘Stop!’ fluistert de kapitein, zich verbergend achter de dikke stam van een boom. Na enkele seconden goed om zich heen te hebben gekeken, zet hij zijn handen aan de mond en bootst het geluid van een uil na. Een paar seconden later klinkt vanuit de stad hetzelfde geluid.

 

 


 

De schildwacht

 

54. De maan verlicht juist dat gedeelte van de muur dat de mannen kunnen zien. Ze zien een grote, zware toren en verder een stuk muur waarop een Zweedse schildwacht heen en weer loopt. Hij draagt een geweer op de schouder. De loop glinstert zwak in het maanlicht. Alles is rustig. De man loopt in het volle licht, alleen als hij in de schaduw van de toren komt, kunnen de twee vrienden hem nauwelijks zien. Langer dan een kwartier slaan zij de schildwacht gade. Dan verschijnt een nieuwe figuur op de muur. Hij loopt in het volle licht, alsof hij nadrukkelijk de aandacht op zich wil vestigen. De schildwacht loopt met zijn rug naar de nieuwaangekomene toe. 

Deze loopt achter de schildwacht aan en begint, tot

grote verbazing van Raoul met galmende stem een bekend vrijheidslied uit de Franche Comté te zingen. De schildwacht die gewend is aan dergelijke demonstraties door dronken jongemannen keurt de zanger geen blik waardig.

Maar als de man het couplet bijna heeft beëindigd, wordt het de Zweed blijkbaar te bar. Met snelle pas loopt hij op de zanger toe. De wind brengt nu verschillende geluiden over naar Lacuzon en Raoul. Ze horen eerst flarden van een gesprek, dan het rammelen van staal en steen, gevolgd door nog enkele ondefinieerbare geluiden. Dit alles gebeurt in enkele minuten. Ze zien nog juist de arm van de nieuwaangekomene omhoog gaan.

 


 

Hoe komen ze over de stadsmuur?

 

55. Wat op de muur gebeurde laat zich niet moeilijk raden. Profiterend van de verrassing die de plotselinge aanval op de schildwacht veroorzaakte, heeft de zanger deze overmeesterd en in enkele minuten tijd ziet hij kans de Zweed van zijn uniform te ontdoen en het zelf aan te trekken. Enkele minuten later zien Raoul en Lacuzon opnieuw het hoofd van de schildwacht tussen de kantelen van de muur verschijnen. Hij is iets dikker en groter dan zijn voorganger.

De man gaat op de muur heen en weer lopen. Eenmaal, tweemaal loopt hij terug, juist zoals de vorige schildwacht deed. En dan begint de zanger aan

het tweede couplet van het vrijheidslied dat hij een kwartier daarvoor had onderbroken.

Het lied begint zo: ‘Hertog Jean, ik wacht waarom kom je niet?’

‘Het is Gerbas’, zegt Lacuzon zachtjes tegen Raoul. ‘Als we vlug zijn kunnen we zonder tegenstand binnen de muren van St-Claude komen. Kom, Raoul!’ De mannen komen van achter hun boom vandaan en waden door het water van de Bienne dat niet hoog staat. Het komt nog niet tot hun knieën. Dan staan ze onderaan de muur, klaar om met behulp van de boer die de wacht onschadelijk maakte, de stad binnen te dringen.

 


 

Het huis in de Grote Straat

 

56. Bij de grote toren gekomen, staan de mannen stil. Lacuzon fluit zachtjes. Dan valt een touwladdertje over de muur.

‘Ik ken de weg en ik zal voorgaan’, zegt Lacuzon, de ladder grijpend en naar boven klauterend. ‘Volg me maar’.

Zo vlug ze kunnen, klimmen de mannen naar boven. Ze zeggen geen woord en houden met één hand hun sabels vast, zodat deze niet tegen de muur kunnen kletteren.

Raoul en de kapitein weten zonder hindernissen boven te komen. Daar staat de zogenaamde schildwacht hen op te wachten.

‘Wat is dat daar?’ vraagt Lacuzon.

‘Dat is de Zweedse schildwacht die men wilde beletten te zingen’, zegt Gerbas.

‘Is er nog iets nieuws over de gevangenis?’

‘Nee, niets. Er is nog steeds een zeer strenge bewaking en de brandstapel is al opgericht.

Alleen het vuur en de veroordeelde ontbreken nog’.

‘En onze mannen?’

‘Ze zijn allemaal hier. De kolonel en de priester wachten op u’.

‘Loop maar voor ons uit, Gerbas’, zegt Lacuzon. ‘We willen naar het huis in de Grote Straat’.

De drie mannen lopen het verlaten stadje door zonder een woord te zeggen. Iedereen slaapt, behalve de vele schildwachten die op strategische punten zijn opgesteld. Saint-Claude is een arm stadje dat slechts één schat heeft: het klooster. Maar het klooster van Saint-Claude -Saint Lupicin- is in deze tijd het rijkste van Europa en dat is de reden waarom de Zweden zo graag in deze stad blijven.

 


 

De kolonel en de priester

 

57. Aan het einde van de Grote Straat in Saint Claude, niet ver van het Lodewijk XI-plein, staat een klein eenvoudig huis. Beneden is een zeer sober gemeubileerde kamer. Voor de schoorsteen zitten twee mannen met bezorgde gezichten. De een is een man van ongeveer zestig jaar, naar zijn kleding te oordelen een priester. Zijn metgezel draagt een militair uniform dat bijna gelijk is aan dat van Lacuzon. Het is een man van middelbare leeftijd. Zijn gestalte is atletisch en jong. Zijn witte, korte haar verraadt echter zijn leeftijd. De man trommelt met zijn vingers op de tafel en roept uit: ‘Het is al twee uur!’

‘Kolonel’, vraagt de priester, ‘u bent ongerust, nietwaar?’

‘Ja. Hij zou hier allang moeten zijn. Hij had het mij beloofd en hij weet dat de tijd dringt. Er moet hem iets zijn overkomen. En er mag op het ogenblik niets gebeuren! Dat zou al onze plannen in de war sturen en de Zweden en Grijzen vrij spel geven!’

‘En hij is alleen’, voegt de priester aan deze woorden toe. En even later mompelt hij: ‘We kunnen alleen voor hem bidden’.

Nauwelijks heeft hij dit gezegd of er wordt op de deur geklopt. Even kijken de mannen elkaar aan.

Dan loopt de kolonel naar de deur en vraagt zacht: ‘Wie is daar?’

‘Saint-Claude en Lacuzon’, klinkt het antwoord van buiten af.

‘Wees welkom, Jean-Claude!’ roepen de kolonel en de priester gelijktijdig uit als ze hun vriend hebben herkend.

‘Ik ben te laat, is het niet’, vraagt deze.

‘Meer dan twee uur. We vreesden al dat je iets zou zijn overkomen!’

‘Daarin hadden jullie gelijk. Ik ben aan een groot gevaar ontsnapt. Ik zal jullie later alles vertellen. Weet alleen dat ik hier nooit zou zijn gekomen als deze jongeman mij niet te hulp was gekomen. Ik stel hem dan ook aan jullie voor als mijn redder.’ Hij schuift Raoul naar voren die tot dan toe nog niet was opgemerkt en die zijn breedgerande hoed op zijn hoofd houdt, zodat de mannen zijn gezicht niet kunnen zien.

 

 


 

Raoul de Champ d'Hivers

 

58. Lacuzon heeft nog steeds de identiteit van zijn metgezel niet onthuld. ‘Raoul’, zegt Lacuzon nu, ‘dit zijn de twee helden, over wie je al dikwijls hebt horen spreken: dit is kolonel Varroz en dit priester Marquis. En nu jij weet wie zij zijn, moet je hun ook vertellen wie jij bent. Toon hun eerst je gezicht’.

Raoul neemt zijn hoed af. Varroz bestudeert de gelaatstrekken van de jongeman en dan komt er een verwonderde blik in zijn ogen. Hij grijpt zich vast aan de arm van de priester en zegt zacht: ‘Is dat mogelijk? Hoe kan dat mogelijk zijn?’

Even valt er een doodse stilte in het huis. ‘Hoe bestaat het’, mompelt de kolonel. Daar staat een dubbelganger of de geest van mijn gestorven vriend Tristan de Champ d'Hivers!’

De priester weet niet wat hij hierop moet antwoorden: hij heeft de baron nooit gekend.

Raoul neemt nu zelf het woord. ‘Kolonel Varroz’, zegt bij, ‘uw ogen bedriegen u niet. U ziet hier inderdaad een Champ d'Hivers voor u. Het is echter niet uw oude vriend, maar zijn zoon. Ik ben Raoul de Champ d'Hivers’.

‘En ik’, zegt Lacuzon, ‘ik bevestig dat deze woorden waar zijn’. De oude kolonel kan zijn ontroering nu niet langer verbergen. Hij drukt Raoul tegen zijn borst en tranen rollen over zijn gebronsde wangen.

Enkele ogenblikken later is er nog maar één onderwerp dat de vier mannen kan interesseren: Pierre Prost. Hoe zullen zij hem voor de terechtstelling kunnen bevrijden?

‘Om acht uur moet mijn oom bevrijd zijn, of ik zal met hem sterven’, zegt Lacuzon.

‘De Zweden zijn op hun hoede’, antwoordt de priester. ‘De terechtstelling van de oom van Lacuzon betekent voor hen een overwinning. En gisteren heeft men in het dorp de man met het zwarte masker gezien, die zoals jullie weten altijd de voorbode is van het een of ander ongeluk’.

Raoul wil na deze woorden iets zeggen, maar Lacuzon geeft hem daartoe geen kans: ‘Wat doen de Zweden, de Grijzen en de man met het zwarte masker ertoe? Ik zeg jullie dat Pierre Prost zal worden gered!’

 


 

De monnikspij

 

59. ‘De Zweden zijn talrijk’, merkt de priester op, bevreesd door de zelfverzekerde bewering van Lacuzon dat hij zijn oom zal redden.

‘Heb je me ooit mijn vijanden zien tellen?’ vraagt Lacuzon. ‘Ieder van mijn boeren telt voor tien mannen en ik kan op mijn bergbewoners rekenen!’

‘Hoe zullen zij de stad binnenkomen?’

‘Ze zijn er al sinds gisteren’.

‘Allemaal?’

‘Genoeg om ons bij onze plannen te kunnen helpen. Gerbas die ons hier bracht, brengt hun op het ogenblik mijn orders’.

‘Hij heeft gelijk’, mengt Varroz zich in het gesprek. ‘De Zweden mogen een aanvoerder hebben; de boeren hebben er drie!’

Lacuzon is opgestaan, hij moet weg. Hij schudt de handen van de kolonel en de priester lang en innig. Raoul kan een gevoel van grote bewondering voor dit drietal niet onderdrukken.

Dan klinken buiten snelle voetstappen. Bij het huis staat de late wandelaar stil. De mannen luisteren.... Dan wordt er driemaal op de deur geklopt.

‘Wie is dat?’ vraagt Varroz.

Een stem antwoordt: ‘Saint-Claude en Lacuzon’. De oude soldaat opent de deur.

De nieuw aangekomene draagt een monnikspij. Hij werpt de kap die zijn gezicht bijna geheel bedekt achterover.

‘Broeder Malo’ roept Varroz verrast uit.

De priester kijkt echter bezorgd: ‘Wat kom je zo laat in de nacht doen?’ vraagt hij.

‘We hebben niets meer te vertellen’ mompelt de monnik. ‘De Zweden hebben ons verjaagd en in onze plaats hebben zij de hertog van Guébriand benoemd. Ze hebben onze schatten meegenomen en onze kelders zijn totaal leeggeplunderd!’

 

 


 

Wat is het geheim van Pierre Prost?

 

60.  ‘Ik denk niet dat je voor deze verhalen hierheen gekomen bent zo laat in de nacht’, valt priester Marquis de monnik scherp in de rede.

Een beetje in de war gebracht door deze terechtwijzing, stottert de monnik. ‘Natuurlijk niet, ik.... ik wilde....’ Even is het stil, dan zegt de monnik: ‘Ik moet Pierre Prost bijstaan in zijn laatste uren. Ik ben naar u toegekomen om u te vragen wat ik tegen de ongelukkige Pierre Prost moet zeggen om zijn lijden iets te verzachten. Ik ontmoette Gerbas en die zei me dat u hier was’, besluit hij aarzelend.

Lacuzon die tot nu toe nog niets gezegd heeft en die ogenschijnlijk niet eens naar het gesprek heeft geluisterd, begint nu plotseling belangstelling te tonen. ‘Men verwacht u in de gevangenis?’ vraagt hij. ‘Inderdaad’, zegt de monnik. ‘Hebt u een legitimatiebewijs waarop staat dat u tot de gevangenis moet worden toegelaten?’ vraagt Lacuzon verder.

‘Nog meer dan dat’, is het antwoord.

. ‘Ik heb een bewijs waarop staat dat de toonder van dit bewijs - en hij trekt een stuk papier te voorschijn - moet worden toegelaten tot de veroordeelde Pierre Prost. Een uur lang mag ik met hem alleen zijn ...... Dit toegangsbewijs dat is getekend door de hertog van Guébriant brengt Lacuzon op een idee.

‘Ik moet vertrekken’, zegt broeder Malo, ‘Mag ik mijn toegangskaart terug?’

‘U zult het niet nodig hebben, want ik zal in uw plaats gaan’.

Tevergeefs verzet de monnik zich tegen dit gevaarlijke plan. Lacuzon zegt: ‘Dit is het enige middel dat mijn oom nog zou kunnen redden. Pierre Prost heeft eens tegen mij gezegd: Als ik ooit in gevaar mocht zijn, kom dan bij mij. Want voor ik sterf wil ik je een verschrikkelijk geheim toevertrouwen’.

Op deze woorden weten de aanwezigen niets meer te zeggen. De monnik begint zijn pij uit te trekken.

 


 

De monnik

 

61. Binnen enkele minuten heeft kapitein Lacuzon kans gezien zich in een monnik te veranderen. Hij slaat de kap ver over zijn hoofd en vraagt: ‘Kan men mij zo nog herkennen?’

‘Nee’, antwoordt de pater, ‘als de Zweden tenminste niet gaan onderzoeken of ze wel de goede monnik voor zich hebben .... ’

Lacuzon lacht. ‘Over een uur ben ik terug dat verzeker ik jullie’.

‘Neem je geen pistolen mee?’

‘Nee die zijn meer lastig dan nuttig’.

‘Neem dan toch in ieder geval deze dolk’.

‘Graag. Die kan ik in de mouw van mijn pij verbergen. En nu: tot over een uur!’

 

Waarom is de Dokter van de armen gearresteerd? Een verklaring is hier op zijn plaats. Kort nadat de Zweden zich meester hadden gemaakt van Saint-Claude, verliet een groep Grijzen die werd aangevoerd door de verschrikkelijke Lespinassou de stad.

Doordat iemand zijn mond had voorbijgepraat had Lespinassou gehoord van de terugkeer van Pierre Prost. De man met het zwarte masker had horen vertellen dat zijn dochter Eglantine dood was. Dit nieuws leek hem bijzonder goed te doen. De man met het zwarte masker die niemand nog ooit had kunnen identificeren.

Pierre Prost die enkele dagen later door enkele mannen werd verrast, bood geen enkele tegenstand, hoewel hij de man die hem een groot aantal jaren geleden om zijn diensten kwam vragen wel kon herkennen. Pierre Prost berustte geheel in zijn ter dood veroordeling. Hij was rustig in zijn cel en mompelde zo nu en dan.

‘Heer, laat dat verschrikkelijk geheim niet met mij sterven!’

Een dag voor zijn terechtstelling vroeg hij om geestelijke bijstand. Tegen drie uur in de daarop volgende nacht hoort hij geluid bij zijn cel en even later komt een monnik binnen, vergezeld van twee soldaten. Eén van hen draagt een lantaarn.

 


 

De nacht van 17 januari 1620

 

62. ‘U hebt een uur,’ zegt een van de soldaten, voor zij zich verwijderen.

‘0 wat heb ik op u gewacht’ roept Pierre Prost uit, zodra ze alleen zijn. ‘Ik heb u geroepen als een gevangene die de dood voor ogen ziet, maar die toch hoopt op de vrijheid’.

‘Inderdaad, het zijn de vrijheid en het leven die ik u breng!’ antwoordt de monnik met een zachte stem die de ter dood veroordeelde licht doet beven.

‘Wie bent u?’ vraagt deze. De kapitein doet nu de kap af.

‘Jean-Claude’, stottert Pierre Prost. ‘Mijn jongen! Jij hier?’

Over enkele uren zullen de mensen die u ten val brengen zelf gevallen zijn, oom!’

‘Maar hoe?’

‘Laten we daarover niet spreken. Ik kan u alleen zeggen: hoop. Hoop zelfs als de vlammen al om u heen zijn. Maar ik ben hier gekomen om naar u te luisteren. Wat is uw verschrikkelijke geheim?’

‘Luister naar mij en gebruik wat ik je nu zeg als

een wapen tegen de man die een van de verschrikkelijkste vijanden is van de Franche-Comté’.

‘Wie is die man?’

‘De man met het zwarte masker!’

‘Wat!’ roept de jongeman uit.

‘De man met het zwarte masker speelt een rol in uw leven?’

‘Ik zal je alles vertellen. Eerst moet ik je vertellen dat Eglantine niet mijn eigen dochter is’. En dan hoort Lacuzon het verhaal van de gebeurtenissen in de nacht van 17 januari 1620; de dood van zijn zwakke dochtertje en het ingrijpen van de man met het zwarte masker. Van de vrouw die de moeder van het kind is en van de man die hem een groot bedrag aan geld gaf om Eglantine op te kunnen voeden. Lacuzon kan het verhaal nauwelijks geloven. Maar de tijd dringt en buiten klinken alweer voetstappen van de soldaten. Met een snel gebaar haalt Pierre Prost het medaillon te voorschijn en geeft het Lacuzon.

 


 

De brandstapel op het Lodewijk XI-plein

 

63. Het uur van vertrek is voor de monnik aangebroken en de twee Zweedse soldaten komen hem halen.

‘Vaarwel voor altijd, wellicht!’ zegt Pierre Prost.

‘Tot spoedig weerziens’, zegt Lacuzon die zijn kap weer diep over zijn ogen heeft getrokken.

‘En blijf vooral hopen!’ Als de twee soldaten binnen komen zegt hij: ‘Blijf hopen, broeder. Dat de vrede Gods bij u zij’.

En de monnik volgt de bewakers van  zijn oom. Het is vijf uur in de morgen en daar het in december is, is het nog donker.

Ondanks het vroege uur is er al veel volk op de been. Allen begeven zich naar het Lodewijk XI-plein waar reeds een grote brandstapel staat. De mensen beschouwen deze terechtstelling als een schouwspel.

en ze zijn vroeg opgestaan om zich van een goede plaats te verzekeren. Lacuzon loopt snel tussen de menigte door. Hij geeft zijn ogen echter goed de kost en hij ziet verscheidene groepjes die worden gevormd door zijn mannen. Ze hebben zich min of meer verdekt opgesteld en Lacuzon ziet dat zij goed bewapend zijn.

Als de kapitein het huis in de Grote Straat opnieuw binnenkomt kunnen zijn vrienden hun vreugde om deze terugkomst nauwelijks verbergen.

‘En, Jean-Claude?’ vraagt pater Marquis.

Lacuzon legt een vinger op zijn mond en werpt een waarschuwende blik op de monnik Malo. Dan wendt hij zich tot de monnik: ‘Ik dank u nogmaals, broeder! U hebt me een grote dienst bewezen!’

 

 


 

De verrader

 

64. Lacuzon kan bijna niet wachten het grote geheim te vertellen aan zijn vrienden. Maar hij begrijpt dat de aanwezigheid van de broeder daarbij kan worden gemist en daarom wendt hij zich direct tot hem: ‘Neem je pij maar weer broeder Malo. En ga dan zo snel je kunt terug, want het mag niet gebeuren dat je superieur zich gaat verwonderen over je lange wegblijven. Maar eerst wil ik je nog een goede raad geven.’

‘Ik luister, kapitein.’

‘Welnu, verberg je zoveel mogelijk en ga vanmorgen vooral niet assisteren bij de terechtstelling van Pierre Prost op het Lodewijk XI-plein.’

‘Begrepen, kapitein. Uw raad zal worden opgevolgd.’

Broeder Malo heeft zijn pij weer aangetrokken en verzekert nogmaals: ‘Ik zal geen voet buiten de deur zetten, maar zodra de zaken ten goede mogen keren, zal ik de eerste zijn die met zijn gehele hart het ‘Gaudeamus igitur’ aanheft!’ Nadat hij afscheid heeft genomen van Lacuzon, Varroz, Marquis en Raoul, gaat hij weg, blij dat hij zo'n belangrijke rol heeft

gespeeld in een zo stoutmoedig avontuur. In werkelijkheid begrijpt hij echter totaal niet wat Lacuzons wezenlijke bedoelingen zijn  ......

Als de deur eenmaal dicht is, neemt Lacuzon het woord: ‘Het geheim van mijn oom zal jullie stuk voor stuk bijzonder interesseren en ik geloof dat het ons op het spoor brengt van een groot verrader.’

‘Een verrader?’ herhaalt Marquis.

‘Ja, en eens zullen we ontdekken wie zich achter het zwarte masker verbergt.’

‘Heeft je oom gesproken over de man met het zwarte masker?’

Lacuzon vertelt nu het hele verhaal en hij toont zijn vrienden het medaillon waarop de eglantier staat afgebeeld.

Pierre Prost heeft met zijn bebloede handen de muur van het kasteel bestreken. ‘Ik zal het vinden.’

Raoul die tot dan toe niets heeft gezegd, zegt nu zacht: ‘Laten we dan naar het kasteel De Arend gaan!’

 


 

Raouls ontroering

 

65. Nog steeds is Raoul ervan overtuigd dat de man met het zwarte masker en Antide de Montaigu één en dezelfde persoon zijn. Zijn vrienden kunnen dit echter niet geloven. Voorlopig is echter slechts één onderwerp van belang en dat is Pierre Prost. Het driemanschap besluit Eglantine niets te vertellen over haar geboorte.

‘Hebt u eraan gedacht,’ vraagt Lacuzon dan plotseling, ‘dat als onze opzet mislukt, Eglantine alleen op de wereld zal zijn?’ De kapitein acht nu ook het moment gekomen waarop hij van Raouls liefde voor Eglantine kan vertellen. Ondanks hun verrassing kunnen Varroz en Marquis hun vreugde over dit nieuws niet verbergen.

Raoul voelt zich warm en verlegen worden, wanneer de kapitein verder gaat: ‘En lijkt het u niet het beste dat terwijl wij naar de gevaarlijke plaats gaan, we Eglantine overlaten aan de zorg van haar toegewijde verloofde?’

‘Ja,’ zegt Marquis, ‘dat zou de beste oplossing zijn.

‘En terwijl hij ziet dat Raoul ook met het plan instemt, zegt hij: ‘Roep Eglantine maar.’

Raoul die tot dan toe niet weet dat Eglantine ook in het huis is, verbleekt van emotie. Hij kijkt van de oude kolonel naar de priester. Zij glimlachen tegen hem.

Lacuzon gaat naar de deur die toegang geeft tot het aangrenzende vertrek. Hij klopt zachtjes: ‘Eglantine?’

‘Neef?’ antwoordt een zachte stem.

‘Slaap je?’

‘Nee, hoe zou ik kunnen slapen in zo'n nacht?’

‘Kom dan hier, meisje. Pater Marquis, de kolonel en ik hebben iets met je te bespreken.’

Raouls ontroering wordt te groot. Hij verbergt zich achter zijn vrienden. Dit geluk kan hij niet begrijpen. Hij kan dan ook aan niets anders meer denken dan aan het meisje dat hij zo dadelijk weer zal ontmoeten.

 

 


 

Onverwacht weerzien

 

66. De deur gaat open en Eglantine komt binnen. Zij is een bijzonder mooi meisje geworden en haar verschijning heeft iets koninklijks. Overigens ziet ze eruit als alle meisjes uit deze streek: ze draagt een eenvoudige japon en een klein kapje op het donkere, krullende haar. Twee grote, blauwe ogen geven iets zachtmoedigs aan het bleke melancholieke gezichtje.

‘Mijn kind,’ zegt de priester, ‘we hebben goed nieuws voor je: over enkele uren zal je vader als vrij man hier bij ons zijn!’

‘Vrij,’ herhaalt het meisje bedroefd, ‘dat durf ik niet te geloven!’

‘Je moet vertrouwen hebben,’ zegt de priester en hij vertelt dat Lacuzon bij haar vader is geweest. ‘En dan heb ik nog ander nieuws voor je en ik geloof dat ook dit nieuws je welkom zal zijn.’

‘Wat bedoelt u?’ vraagt het meisje.

‘Heb je niet in het bos bij Chaud een lieve

herinnering, een genegenheid achtergelaten?’ vraagt de priester.

En Lacuzon voegt daaraan toe: ‘Lieve nicht, probeer voor ons de geheimen van je hart niet te verbergen, want wij kennen ze!’ Hij schuift Raoul naar voren.

Als Eglantine Raoul herkent, uit zij een kreet van vreugde en geluk. De jongeman weet door het onverwachte weerzien niet goed wat te zeggen en een beetje onzeker zegt bij: ‘Lacuzon zal je vertellen waarom ik hier ben.’

‘Maar hoe kan ik van je houden. Van een Fransman, Raoul?’ vraagt Eglantine. Lacuzon geeft op deze vraag antwoord.

‘Hij is geen Fransman, maar een Franche-Comtois, hij is een heer, een van ons!’

Eglantine neemt de hand van de kapitein als om hem te bedanken voor deze woorden.

 


 

Eglantine in veiligheid?

 

67. Een zwak licht begint in de kamer door te dringen.

‘Het uur van de veroordeling breekt aan,’ zegt de kolonel, de riem waaraan zijn zwaard hangt vastmakend.

‘Wij zijn klaar,’ antwoordt Lacuzon. Hij opent de deur die naar buiten leidt, op een kier en slaat een blik op de stroom mensen die zich in de richting van het Lodewijk XI-plein beweegt. De kapitein laat een zacht gefluit horen; het wordt niet beantwoord. Maar al spoedig maakt zich een man los uit de menigte die zich in de richting van het huis begeeft.

Het is Gerbes, de man die er de vorige avond voor heeft gezorgd dat de twee vrienden de stad konden binnenkomen.

‘Ken je het huis De IJzeren Voet?’ vraagt de kapitein hem.

‘Ja, kapitein, helemaal beneden tegenover de fontein.’

‘Daar moet je deze heer en mijn nicht heenbrengen. Daarna moet je terugkeren en je bij ons voegen.’

Raoul toont zich na deze woorden teleurgesteld. ‘Ik eis mijn deel van het gevaar op, kapitein. Ik zou het een belediging vinden, indien u mij dat weigerde.’

‘Kerel,’ zegt Lacuzon alleen. ‘Ik weet dat je moedig bent,’ vervolgt hij na een korte tijd stilte. ‘Maar heb je eraan gedacht dat Eglantine in gevaar is, zolang er niemand bij haar is? Ze zal alleen zijn en zich niet kunnen verdedigen tegen dronken soldaten.’

Raoul buigt het hoofd, ‘Kapitein, u hebt gelijk!’ zegt hij, zijn hoed en mantel pakkend. Eglantine is in een warme mantel gehuld.

Dan gaan de twee jonge mensen op weg, voorafgegaan door Gerbas.

 

 


 

De terechtstelling van Pierre Prost

 

68. De dag is aangebroken. Het Lodewijk XI-plein is omgebouwd tot een enorm plein voor een terechtstelling. Honderden mensen staan er te wachten. Aan de ene kant staan Zweedse soldaten, Grijzen en Fransen, maar er zijn ook veel vrienden aanwezig van degene die straks terechtgesteld zal worden. Ze staren somber en onheilspellend voor zich uit....

Er zijn veel huilende vrouwen en zelfs sterke mannen kunnen hun gevoelens niet verbergen. Het is een van hun die straks zal worden terechtgesteld en dit ongeluk kan ieder van de  toeschouwers vandaag of morgen ook gebeuren. De klok van de kerk slaat acht uur. Bij de eerste slag komt er beweging in de menigte. Bij de tweede slag klinkt tromgeroffel, gevolgd door een stoot op de trompetten.

De stoet zet zich in beweging; de burgers zien deze

komen uit een van de monumentale deuren van de abdij die aan het plein staat. Voor de deur is een stenen bordes van waaraf de veroordeelde een blik op het plein kan werpen. Een detachement Zweedse soldaten, geweer op de schouder, posteert zich rondom de brandstapel. Als nieuwsgierige burgers te veel naar voren dringen, moeten de soldaten maatregelen nemen. Zij duwen de menigte terug en de jonge bergbewoners, de volgelingen van Lacuzon, weten in het gedrang naar voren te komen, zonder dat de Zweedse soldaten het merken. Pierre Prost komt met vaste tred het plein opgelopen. Zijn handen zijn op de rug gebonden. Twee detachementen soldaten, aangevoerd door Lespinassou, marcheren naast hem. Links en rechts lopen executeurs, brandende fakkels dragend.

 


 

Raoul en Eglantine in het huis ‘De IJzeren Voet’

 

69. Terwijl op het Lodewijk XI-plein Pierre Prost op zijn dood wacht, vertoeven Raoul en Eglantine in het huis ‘De IJzeren Voet’ waar zij in angstige spanning de loop van de gebeurtenissen afwachten. De twee jonge mensen spreken weinig. Eglantine, bleek en somber, huilt zachtjes. Zij weet dat haar vrienden hun leven zullen wagen om dat van haar vader te redden. Wat Raoul betreft: Hij denkt er slechts aan dat er straks zal worden gevochten zonder hem, terwijl hij zich met een jong meisje verbergt in een armzalig huis, veilig achter dikke grendels. Dan trekt een geluid buiten zijn aandacht. Er wordt hard gelachen. Raoul schuift een gordijn opzij en kijkt naar buiten.

Hij ziet vier mensen op de weg: drie soldaten en een vrouw. Het zijn soldaten van Lespinassou en het is duidelijk dat zij weinig goeds voorhebben met de

vrouw die 55 à 60 jaar oud is.

Op het gezicht van deze ongelukkige staat grote angst te lezen. Zij ligt op haar knieën voor de soldaten en smeekt hen haar vrij te laten.  

De Grijzen hebben op haar tranen slechts één antwoord: een bulderend hoongelach.

Een van de  Grijzen maakt zich van het troepje los. Hij haalt een dik stuk touw uit zijn zak en bekijkt de bomen die om hem heen staan. Al spoedig vindt hij een tak die hem geschikt lijkt voor zijn plan.  Hij klimt in de boom en maakt het uiteinde van het touw aan de tak vast. Aan het andere uiteinde maakt hij een lus.

Hij lacht en zegt: ‘Lespinassou mag zijn brandstapel hebben, wij hebben een galgje dat minstens even goed werkt!’

 

 


 

Raoul grijpt in

 

70. Terwijl hun kameraad in de boom bezig is de strop te bevestigen, gaan de anderen door met het plagen van de oude vrouw die nog steeds op haar knieën ligt en de mannen smeekt haar vrij te laten. Als zij echter inziet dat niets haar meer kan helpen, vouwt zij haar handen voor een laatste gebed.

‘Vooruit!’ zegt een van de mannen. ‘Nu wordt het tijd dat ze aan de galg gaat’. De man die het touw in de boom vastmaakte, rolt een grote steen onder het touw en zegt: ‘Klim er maar op, oudje. Dit is de trap die je naar het einde zal voeren’. De vrouw kan niets anders doen dan gehoorzamen. De Grijzen leggen de strop om haar hals en het enige wat de vrouw nu nog

van de dood scheidt is de steen die straks zal worden weggetrokken.

Raoul die het gebeurde in spanning en met verontwaardiging heeft gevolgd, begrijpt dat nu zijn tijd is gekomen om in te grijpen.

‘Ik kan die arme vrouw niet voor mijn ogen laten vermoorden zonder dat ik geprobeerd heb haar te redden’, zegt hij. Hij doet zijn mantel uit, voelt of zijn zwaard op zijn plaats zit en vraagt Eglantine de deur direct achter hem te sluiten. Vlug gaat hij deze deur uit, gereed om de Grijzen te ontmoeten. Deze staan juist op het punt om hun plan uit te voeren.

 


 

 

Wordt Magui toch vermoord?

 

71. Als de Grijzen de vreemdeling zien aankomen onderbreken zij een ogenblik hun werkzaamheden. Het uniform van Raoul dat de mannen niet kennen, boezemt ontzag in. Eerbiedig brengen de mannen de militaire groet.  Raoul besluit te profiteren van dit overwicht. Vriendelijk vraagt hij: ‘Wat doen jullie daar voor duivelswerk, kameraden?’

‘Dat ziet u, officier’, antwoordt een van de Grijzen. ‘We maken een beetje plezier met deze heks.’

‘Hoe weet je dat zij een heks is?’  Dat weet iedereen in Saint-Claude.’ De mensen van het land noemen haar ‘Magui de heks’.

Al gauw wordt het gesprek minder vriendschappelijk. De mannen zijn maar matig ingenomen met Raouls inmenging en zij laten dat duidelijk blijken.

Raoul laat zich echter niet uit het veld slaan.

‘En als ik er nu eens voor zorgde dat de voorstelling niet doorgaat?’ vraagt hij.

‘Dat zul je niet, want de voorstelling gaat door’.

‘Geloof je? Ik beveel jullie die vrouw haar vrijheid terug te geven en als dat niet goedschiks kan gebeuren, zal ik maatregelen moeten nemen. Jullie zullen dan kennis maken met mijn zwaard!’

‘Dat willen we dan wel eens, verwaande haan’, daagt een van de Grijzen uit en zich tot zijn kameraden wendend: ‘Limassou, doe je werk met die oude vrouw’.

Limassou schopt de steen onder de voeten van de oude vrouw vandaan.

 

 


 

Wint Raoul het gevecht?

 

72. De steen rolt weg en de vrouw hangt nu onbeweeglijk in de lucht. Raoul heeft zijn zwaard getrokken en stormt op de Grijze toe. Heftig valt hij hem aan. De man verdedigt zich zwak en roept om zijn kameraden. Dan valt hij levenloos neer. De twee anderen die het korte gevecht ontsteld hebben aangezien, vluchten weg.

Alleen gebleven met het lichaam van de Grijze en dat van de ongelukkige vrouw, is het eerste wat Raoul doet het touw doorsnijden en de vrouw in het gras neerleggen. Zij is bewusteloos.

De fontein die tegen over het huis ligt, bewijst nu goede diensten. Raoul haalt met beide handen water en sprankelt dat op het gezicht en de hals van de vrouw. Haar hart klopt nog zwak.

Raoul heeft geen aandacht meer geschonken aan de twee ontvluchte Grijzen. Deze mannen hadden zich verstopt achter het huis waarin Eglantine zich verbergt en durven zich, nu Raoul met de rug naar hen toe zit, weer te vertonen. Zij trekken hun pistolen tevoorschijn en de lopen worden gericht  op de niets vermoedende Raoul.

 


 

De oude Magui

 

73. Terwijl Raoul de vrouw verzorgt, klinken plotseling twee schoten. Twee kogels vliegen rakelings langs zijn hoofd. Snel draait hij zich om. Nog juist ziet hij de silhouetten van de mannen die, nadat ze hebben gezien dat hun aanslag is mislukt, hals over kop op de vlucht slaan in de richting van de bergen.

Raoul vergeet een moment de vrouw en, een impuls volgend, zet hij de achtervolging in.

Dan bezint hij zich: hij mag niet te ver van Eglantine

vandaan gaan en bovendien is er nog de oude

vrouw die zijn zorgen nodig heeft. Hij vindt de vrouw zittend terug. Ze is weer tot bewustzijn gekomen. De oude Magui herinnert zich alles weer en onder tranen bedankt ze Raoul. Deze verwondert zich over haar: de zuiverheid van haar taal contrasteert wel heel fel met de schamele kleren die zij draagt.

‘U hebt uw leven gewaagd voor een arme vrouw die u niet kent en die u niet interesseert!’ roept zij verbaasd uit.

 

 


 

Pierre Prost beklimt de brandstapel

 

74. Op het Lodewijk XI-plein worden ondertussen de laatste maatregelen voor de terechtstelling getroffen. Het volk staat verbeten en zwijgend te wachten op de dingen die komen. Pierre Prost toont zich een dapper man. Hij loopt zijn laatste gang fier. Op zijn gezicht staat vertrouwen te lezen. Nog enkele passen scheiden hem van de brandstapel. Hij richt zijn hoofd op en kijkt rustig naar de menigte voor hem. Zijn houding is eerder die van een overwinnaar dan die van een ter dood veroordeelde.

Plotseling valt er een doodse stilte. Op het bordes vlak voor de brandstapel is een klein gezelschap gearriveerd. Eén van deze mannen is de meest gevreesde; de man aan wie de ellende die de laatste jaren over de Franche-Comté is gekomen eigenlijk te wijten is. Honderden spreken op dat ogenblik

dezelfde woorden uit: ‘De man met het zwarte masker’. Deze neemt een zelfverzekerde houding aan en bekommert zich niet om degene die naast hem staat, de hertog van Guébriant.

De verwijten die nu opklinken vanuit het volk raken hem niet. Hij is gekomen om zich te amuseren en bovenal: om de man te zien sterven die zijn grote geheim kent.

Pierre Prost ziet, vlak voor hij de brandstapel opgaat, het bekende gezicht. Hij ziet het triomferende lachje dat om zijn lippen speelt en roept: ‘Triomfeer niet te snel. Het geheim van de 17de januari 1620 zal niet met mij sterven!’ Maar zijn woorden gaan verloren in het geschreeuw van het volk en ze bereiken degene voor wie ze bestemd zijn niet.

 

 


 

De bergbewoners grijpen in

 

75. In het midden van de brandstapel staat een paal met een ijzeren band eraan. De executeurs doen deze band om de hals van Pierre Prost.

‘Het moet zo zijn’, mompelt deze, een lange blik werpend over het plein waarop zoveel bekenden staan. Eén van de executeurs kijkt om naar het bordes, een teken verwachtend. De hertog van Guébriant wisselt enkele woorden met de man met het zwarte masker en geeft daarna het afgesproken teken.

De twee toortsdragers heffen even plechtig de twee fakkels op en duwen ze dan tussen de takken die de brandstapel vormen. Pierre Prost heeft nu al zijn hoop verloren. Zijn blikken zijn nu niet meer op liet volk gericht maar naar de hemel.

Een doodse stilte heerst op het plein en alleen het geluid van de vlammen die al dichter bij de veroordeelde komen, is te horen. Verwrongen gezichten kijken naar de brandstapel en een geschrei gaat op vanuit het volk.

Alleen de Zweden die een cordon hebben getrokken om de brandstapel, zijn onaangedaan.

Plotseling weerklinkt een schel gefluit. Een heftige beweging gaat door de eerste rijen van de toeschouwers. Iedere Zweedse soldaat heeft opeens een bergbewoner achter zich staan die een dolk tegen zijn keel drukt. Dit gebeurt in enkele seconden en even later zijn de bergbewoners het plein meester.

 

 


 

De woede van de man met het zwarte masker

 

76. Drie mannen stormen de brandstapel op, het vuur met hun voeten uittrappend. Het volk herkent direct kolonel Varroz, pater Marquis en kapitein Lacuzon en een luid gejuich gaat op. Lacuzon rukt de ijzeren band van de hals van Pierre Prost en snijdt de touwen door waarmee zijn handen waren vastgebonden. De Zweden die de punten van de dolken in hun hals voelen, durven zich niet te verroeren.

Enkele ogenblikken later kan Pierre Prost die nu vrij man is, zijn handen leggen in die van zijn redders. Kapitein Lacuzon wendt zich naar het balkon waarop de man met het zwarte masker en zijn gevolg staan.

Hij spreekt echter tegen de hertog van Guébriant: ‘U ziet dat wij in de meerderheid zijn en dat uw soldaten niets kunnen uitrichten. Geef hun het bevel hun wapens neer te leggen. Ik geef u mijn soldatenwoord dat hun dan geen kwaad zal geschieden!’

De hertog is een lafaard. Hij durft deze beslissing niet te nemen en kijkt aarzelend naar zijn metgezel: de man met het zwarte masker. Deze kijkt met een van woede verbeten gezicht naar de menigte voor zich. Hij ziet dat zijn soldaten zullen verliezen, maar hij zet dit van zich af en commandeert: ‘Vuur!’

 


 

Zijn laatste woorden

 

77. De Zweedse soldaten weten echter dat zij de strijd zullen verliezen. Zij voelen de dolken op hun keel. Ondanks het bevel van de man met het zwarte masker, laten zij hun geweren naast zich vallen. Lacuzon wijdt zich nu geheel aan zijn oom. Hij probeert zich een weg te banen door de juichende menigte.  Marquis en Varroz lopen naast hem. Op het balkon staan twee mannen verbeten te kijken naar hetgeen voor hen gebeurt. Op het gezicht van Guébriant staat behalve woede ook angst te lezen: de bergbewoners kunnen in opstand komen! Op het gezicht van de ander staat alleen haat en wraaklust te lezen.

Zonder dat iemand het merkt haalt hij een pistool uit zijn gordel. Hij is rustig en kalm.

Plotseling weerklinkt een revolverschot. De kapitein kijkt achterom. Pierre Prost zakt weg uit zijn armen en valt op de grond. Bloed stroomt uit zijn borst: de kogel van de man met het zwarte masker heeft hem dodelijk getroffen. Prost’s hand wijst naar het balkon en zijn laatste woorden zijn: ‘Hij is het, hij .... de man met het zwarte masker .... ‘ Lacuzon kijkt naar de plaats die Pierre Prost aanwijst. De onbekende man steekt langzaam en zelfverzekerd het pistool dat hij zojuist heeft gebruikt, in zijn gordel …

 


 

Magui de bondgenoot

 

78. Raoul de Champ d'Hivers weet niets van hetgeen gebeurt op het Lodewijk XI-plein. Enkele ogenblikken, voor de man met het zwarte masker het schot zal lossen, staat hij te praten met de ‘oude heks’.

‘Waarom noemen ze u de heks?’ vraagt hij.

‘Omdat ik arm, alleen en bedroefd ben; dat schijnt genoeg te zijn om me buiten de gemeenschap te sluiten’. Dan kijkt de vrouw Raoul scherp aan en even wordt ze lijkbleek.

‘Is er iets vreemds aan mij?’ vraagt Raoul aarzelend.

‘Nee, meneer.... niets.... ik zag een gelijkenis.... nee dat is te dwaas!’

‘Herinnert mijn gezicht u aan iemand?’

‘Ja, dat dacht ik eerst, maar degene die ik me herinner is dood en zijn geslacht is uitgestorven’ en zonder Raoul de gelegenheid te geven haar te antwoorden, vraagt ze hem: ‘Meneer, tot welke partij behoort u?’

‘Ik ben voor Franche-Comtois, maar waarom vraagt u dit?’

‘Omdat ik tot vandaag niets anders dan vijanden had. U bent de enige mens sinds jaren die mij een bewijs van belangstelling geeft. Ik sluit mij aan bij de partij die de uwe is meneer.

Lach niet! De oude Magui, Magui de heks, zoals ze hier zeggen, zal misschien een nuttiger bondgenoot blijken te zijn, dan u nu denkt!’ En na enkele seconden: ‘Ik zou graag uw naam willen weten, meneer, om die nooit weer te vergeten’. ‘Ik heet Raoul’, antwoordt de jongeman, de oude vrouw nakijkend die sneller wegloopt dan haar leeftijd haar eigenlijk zou kunnen permitteren.

Juist als Raoul het huis van Eglantine wil binnengaan, hoort hij een schot. Hij rilt. Het is het schot uit het pistool van de man met het zwarte masker.

 


 

De strijd in St Claude

 

79. Op het Lodewijk XI-plein is de toestand op zijn zachtst gezegd precair. Pierre Prost is gestorven.

Met een stem, bevend van emotie en ingehouden woede, schreeuwt Lacuzon: ‘Verraad! Burgers van De Franche-Comté! Lacuzon wil wraak!’

Gevolgd door een groep bergbewoners en zijn strijdkreet steeds herhalend, holt bij naar het klooster dat in enkele seconden is omsingeld. Lacuzon gaat de trap op die naar het bordes leidt waarop enkele minuten geleden de man met het zwarte masker stond. Tweehonderd Zweden worden op dat ogenblik het slachtoffer van de messen van de bergbewoners. De pelotons die worden aangevoerd door Lespinassou maken op dat moment gebruik van hun pistolen.

Na enkele ogenblikken is het plein veranderd in een strijdtoneel waarop het bloedig toegaat. Het is een strijd van man tegen man, maar de aanwezigheid van het driemanschap zet de bergbewoners aan tot grootse verrichtingen.

Pater Maquis die bij het lijk van Pierre Prost zit, spoort alleen al door zijn aanwezigheid de bergbewoners aan; kolonel Varroz strijdt zeer heldhaftig.

De burgers die geen wapens bij zich hadden, zijn gevlucht, hetzij uit zelfbehoud, hetzij om wapens te halen.

Enkele seconden later verschijnt Lacuzon met zijn mannen op de drempel van de poort; een doordringende fluittoon weerklinkt. De bergbewoners staken onmiddellijk hun strijd en scharen zich om Lacuzon.

‘Wel’ vraagt Varroz ‘waar is de man met het zwarte masker?’

‘Hij is gevlucht, de lafaard. En hij heeft de poorten achter zich gesloten. Maar ik zal hem vinden en dan ......’

Maar Lacuzon wordt onderbroken.

Een boer schreeuwt: ‘Kapitein, de Zweden en de Grijzen komen eraan!’

 


 

Raoul

 

80. Raoul vergeet alles, nadat hij het schot heeft gehoord: zijn belofte, de opdracht die hij heeft gekregen en zelfs Eglantine! Hij weet dat zijn vrienden in gevaar zijn en dat hij niet bij hen is om ze te helpen. Hij haast zich naar het Lodewijk XI-plein, maar verdwaalt in de ontelbare kleine straatjes. Onophoudelijk passeren hem vluchtende mensen, maar niemand gunt zich de tijd hem antwoord te geven op zijn vragen. Hij is de weg volkomen kwijt.

De huizen lijken allemaal op elkaar en niets kan hem de weg wijzen. Raoul holt door de straatjes heen en probeert zich te herinneren uit welke richting het schot kwam.

Eindelijk, wanneer hij de hoop om zijn vrienden terug te vinden al heeft opgegeven, komt hij toevallig in een straat die naar het Lodewijk XI-plein leidt.

Voor zich ziet hij een groot plein waarop honderden mensen tegen elkaar vechten. Hij hoort schreeuwen: ‘De dood aan Lacuzon! Leve Zweden en Frankrijk!’

Andere stemmen roepen: ‘Weg met Lespinassou! Saint-Claude en Lacuzon! 

Het is juist op dat moment dat Lespinassou, profiterend van de algemene verwarring, met nieuwe troepen terugkomt.

 

 


 

De hergroepering van Lespinassou en zijn mannen

 

81. Lespinassou heeft geprofiteerd van de verwarring in het eerste moment van de strijd door nieuwe troepen te halen. Zijn troepen worden echter ontvangen met geweerschoten.

‘Vecht burgers’ roept Lacuzon. ‘Ik heb mijn oom beloofd zijn dood te zullen wreken.’

De mannen van Lacuzon staan even stil, verbluft door de onverwachte tegenstand. Lespinassou zijn mannen hergroeperen zich en langzaam herwinnen zij het verloren terrein.

In plaats van het teken te geven voor een ogenblik rust, uit Lacuzon een woedende kreet en stort hij zich naar voren. Hij heeft juist gezien hoe Lespinassou zijn zwaard trok. Hij holt recht op de aanvoerder van

de vijandelijke troepen af. De Zweden aan de ene kant en de Grijzen aan de andere kant maken nu eerst aanstalte om hun chefs te gaan helpen.

Lacuzon is zo vervuld van woede dat de mannen van Lespinassou aarzelen.

Alsof er een bevel was gegeven blijven beide troepen staan, vastbesloten te blijven waar ze zijn en het schouwspel van het gevecht van man tegen man dat zo direct zal beginnen, te aanschouwen.

In deze tijd is een gevecht van man tegen man niet zeldzaam. Lespinassou is echter veel zwaarder bewapend dan Lacuzon. Hij heeft zijn lange zwaard, een dolk en twee pistolen. Lacuzon heeft alleen zijn degen.

 


 

De strijd tussen Lacuzon en Lespinassou

 

82. Een vreselijke strijd begint. Het staat vast dat één van de twee aanvoerders in dit gevecht zal moeten sterven. De Grijzen en de bergbewoners staan toe te kijken, angstig en bedrukt. De Zweden echter beschouwen het kennelijk als een boeiend schouwspel.

Lacuzon is razend van woede. ‘Slappeling! Ga je straks weer op de vlucht, zoals nog niet zo lang geleden in Longchaumois?’ roept bij uit.

‘Als ik vlucht, zal jij het aan niemand meer kunnen vertellen!’ roept Lespinassou terug.

De geweldenaar laat zijn woorden vergezeld gaan van een verschrikkelijke klap met zijn zwaard.

Lacuzon is echter lenig en hard als staal en hij weet de klap handig te pareren. Voordat Lespinassou opnieuw zijn zwaard kan heffen, doet de kapitein een heftige uitval. Even deinst Lespinassou terug en Lacuzon benut deze seconde door een tweede uitval te doen.

Er stroomt nu bloed uit de mouw van Lespinassou.

Lacuzon ziet het. ‘Over enkele minuten zal je hele uitrusting rood zijn!’ roept hij. ‘Je uniform zal dezelfde kleur hebben als de pij van pater Marquis!’

‘Dat doe je maar!’ schreeuwt Lespinassou, zijn tanden op elkaar klemmend, ‘dat moet je maar doen!’

 


 

Gaat Lacuzon het gevecht verliezen?

 

83. Lespinassou raakt eerder vermoeid dan Lacuzon. De Zweden en Grijzen zien het met angst. Zijn borst hijgt en bloed sijpelt over zijn gezicht. Lacuzon begrijpt dat het ogenblik waarop hij voorgoed kan afrekenen met deze schurk, nabij gekomen is. Als Lespinassou langzaam en vermoeid zijn zwaard heft, wil hij toesteken. Maar hij maakt één fout, hij onderschat de sterkte van het zwaard van zijn tegenstander. Lespinassou slaat het zwaard van Lacuzon in tweeën. De Zweden en de Grijzen uiten een triomfkreet. 

De boeren van Lacuzon staan te aarzelen: zullen zij ingrijpen in deze nu ongelijke strijd? De kapitein herstelt de situatie echter zelf. Hij werpt zich op Lespinassou, pakt hem bij zijn middel en tracht hem omver te werpen.

Lespinassou laat door de onverwachte aanval het zwaard uit zijn handen vallen waardoor de strijd weer gelijk wordt. Hij begrijpt nu echter dat hij deze strijd op leven en dood alleen kan winnen door brute kracht. En deze kracht is enorm!

De aanvoerder van de Grijzen kan de aanvallen van Lacuzon gemakkelijk weerstaan. Deze probeert hem omver te gooien, maar hij wankelt zelfs niet. Lespinassou heeft nu gelegenheid zijn dierlijke kracht te tonen. Hij drukt Lacuzon met alle kracht tegen zich aan en wanneer hij ziet dat deze methode niet het gewenste resultaat oplevert, probeert hij hem te wurgen. Lacuzon voelt de kracht van zijn tegenstander en beseft dat hij zal verliezen.

 

 


 

Zal Lespinassou toch nog winnen?

 

84. Lacuzon die voelt dat hij zijn sterke tegenstander niet lang meer kan weerstaan, verzamelt zijn laatste krachten en met zenuwen die tot het uiterste gespannen zijn, weet hij zich onder Lespinassou vandaan te werken. De strijd is echter nog lang niet beslist, de kansen wisselen ieder ogenblik en het lijkt of de twee strijders aan elkaar gewaagd zijn. Dan weet Lespinassou zich weer aan de greep van Lacuzon te onttrekken.

Lacuzon heeft bijna geen kracht meer en de bergbewoners kunnen nauwelijks aanzien dat hun aanvoerder door Lespinassou  wordt verslagen. Kolonel Varroz probeert tussenbeiden te komen. Hij dringt zich naar voren, maar als de Grijzen raden wat

hij van plan is, duwen hem van de vechtenden weg. Varroz geeft de strijd echter niet op. Hij blijft opdringen en roept: ‘Lacuzon! Lacuzon!’ De bergbewoners nemen de kreet over. De Zweden zorgen er echter voor dat niemand de vechtenden te hulp kan komen.

Lespinassou ziet dat zijn tegenstander geen krachten meer heeft. Hij ziet echter het zwaard van Varroz dicht bij zich en hij weet dat deze zich over enkele minuten door de barrière heen zal weten te werken. Hij besluit om, voor dat hij zal sterven, zijn tegenstander te doden.

Hij neemt zijn dolk, heft zijn sterke arm omhoog en zal Lacuzon de genadeslag toebrengen.

 


 

Raoul grijpt in

 

85. Maar juist als de sterke Lespinassou zijn dolk wil laten neerdalen, verschijnt een nieuwe figuur op het terrein. Hij baant zich met zijn zwaard een weg door de Zweden die hem tegen willen houden.

‘Lacuzon, Lacuzon’ roept hij. Dan stort hij zich op Lespinassou.

Hij stoot zijn zwaard tussen de ribben van Lespinassou die op de grond valt en zijn laatste woorden lispelt. Voor de tweede maal heeft Raoul de

Champ d'Hivers het leven van Lacuzon gered. ‘Dank je, broeder’ zegt deze eenvoudig, terwijl hij gaat staan.

Dan begint een kort gevecht met de Zweden die de dood van hun aanvoerder willen wreken. Maar deze strijd is gauw beslist. De Zweden gooien hun wapens neer en zoeken hun heil in de vlucht.

De bergbewoners zetten de achtervolging in. Lacuzon vecht weer in de voorste gelederen.

 


 

De brandstapel

 

86. Er blijven nog slechts enkele mensen over op het Lodewijk XI-plein: pater Marquis en vier helpers, aan wie hij opdracht geeft het lichaam van Pierre Prost in de kathedraal te brengen.

‘En ga daarna weer naar de kapitein’, zegt hij tegen twee van de mannen, ‘en zeg dat, wanneer ik me vanavond niet bij hen voeg in de Grote Straat, ik hen morgen zal ontmoeten bij Gangônes’.

Een aantal inwoners van Saint-Claude dat gevlucht was na het schot van de man met het zwarte masker, is inmiddels op het plein teruggekeerd.

De mensen zien tot hun grote vreugde welke wending de gebeurtenissen hebben genomen. Ze vinden tussen de lichamen van de soldaten dat van Lespinassou en pakken het op.

In optocht brengen de boeren Lespinassou naar de brandstapel die bestemd was voor Pierre Prost. Ze binden hem vast, zoals enkele minuten geleden Pierre Prost werd vastgebonden en gooien dan een brandende fakkel tussen het hout. Dat is het einde van één van de voor Saint-Claude wreedste en gevaarlijkste mensen.

 


 

Saint Claude brandt

 

87. Na de overwinning op het Lodewijk XI-plein zetten de bergbewoners onder aanvoering van Lacuzon en Varroz de achtervolging in. De vluchtende Zweden rennen voor hun leven en al lopende gooien zij hun wapens die hen meer belemmeren dan van dienst zijn, weg. De mannen die jarenlang terreur hebben uitgeoefend in Saint-Claude, gaan nu smadelijk op de vlucht voor de bewoners van dat dorp!

Dan vermengt zich opeens een ander geluid met het strijdgejoel. De brandklok luidt! Vanaf de wallen die het oude stadje omringen, laat de muurwachter zijn waarschuwing klinken. Tegelijkertijd stijgen vanuit vier punten in de stad dichte rookkolommen omhoog. De rook vormt even later een tweede muur rond de

stad. Er ontstaat paniek: ‘Brand! Brand!’ wordt er geschreeuwd. Het is een verschrikkelijk laatste souvenir dat de vluchtende Zweden achter zich laten.

In de stad is nagenoeg geen water. De straten zijn recht en de huizen zijn van hout. Men kan niets tegen het vuur beginnen. Machteloos staan de mannen te kijken. Vluchten is onmogelijk, omdat het vuur de hele stad insluit. De bewoners lopen hun huizen uit, vrouwen schreeuwen, niemand weet waarheen hij vluchten moet.

De Zweden hebben een volmaakte revanche genomen: Saint-Claude zal tot het laatste huis toe afbranden!

 

 


 

Eglantine vermoord?

 

88. Bij het afschuwelijke schouwspel dat de brandende stad biedt, mogen Lacuzon en Varroz hun ontmoediging en wanhoop niet laten blijken. Ook nu zal het volk op hen rekenen.

Een bergbewoner met verschroeide kleren komt naar hen toe. ‘Kapitein’, hijgt hij, ‘het vuur is overal! Men kan de lager gelegen straten niet meer bereiken! Het huis De IJzeren Voet brandt als een fakkel!’

Lacuzon en Raoul kijken elkaar aan.

‘Ze hebben Eglantine vermoord!’ roept Lacuzon.

‘We kunnen haar misschien nog redden’ zegt Raoul, terwijl hij in de richting van het huis snelt.

Lacuzon holt mee en enkele mannen voegen zich bij de twee.

Overal om hen heen voltrekt zich hetzelfde drama.

Bijna alle huizen staan in brand: over enkele minuten zal de stad een grote ruïne zijn. De inwoners hollen overal heen, zonder dat zij weten waarom. Want nergens kunnen zij zich veilig stellen voor het vuur.

Als Lacuzon en Raoul bij het huis De IJzeren Voet aankomen, blijkt dat inderdaad in lichterlaaie te staan. Vlammen slaan uit de vensters. De raamkozijnen branden. Lacuzon probeert de deur open te duwen, maar deze geeft niet mee. Raoul uit een kreet van afgrijzen: de deur is van buiten afgesloten! Dat moet het werk zijn geweest van de Grijzen die nadat Raoul was vertrokken dit snode plan hebben bedacht. Met hun schouders duwen Raoul en Lacuzon uit alle macht tegen de deur.

 


 

Is Eglantine te redden?

 

89. Plotseling zwaait de deur open. Een afschuwelijke hitte komt hen tegemoet en de helheid van de vlammen verblindt hen.

‘Eglantine! Eglantine!’ schreeuwt Lacuzon wanhopig.

Een stem die uit de diepte van de aarde schijnt te komen antwoordt: ‘Ik ben hier, Jean-Claude ik leef! Help mij!’

Lacuzon denkt eerst dat het zijn verwarde geest is die hem deze stem doet horen. Maar dan bedenkt hij dat Eglantine het verstandigste heeft gedaan wat zij had kunnen doen: Zij heeft zich in de kelder verborgen! Hij wil haar helpen, maar hoe? Het lijkt of er geen enkele uitweg is om het meisje te helpen.

Maar dan krijgt hij een idee.

Juist op het moment dat de mannen Raoul moeten tegenhouden die in de kelder wil afdalen om mét Eglantine te sterven, holt hij naar de fontein, zijn wijde mantel over de arm.

Hij haalt zijn mantel door het water, tot deze zwaar is. Het is de enige kans om Eglantine te redden als het nog niet te laat is.

Voor de tweede maal horen de mannen de stem van Eglantine, maar zij klinkt nu zwakker en verder weg: ‘Jean-Claude, Jean-Claude. Ik sterf, ik stik!!’

Raoul die niet heeft gezien wat Lacuzon doet, probeert zich opnieuw los te rukken en Eglantine te hulp te snellen.

 

 


 

Verstikt door de rook

 

90. Lacuzon hult zich in de mantel waaruit het water stroomt. Hij beschermt zijn hoofd zo goed als hij kan. Een tweede jas die hij kletsnat heeft gemaakt, neemt hij onder zijn arm. Snel loopt hij op het huis toe. Men hoort nu niets anders dan het loeien van het vuur en het vallen van hout. De stem van Eglantine zwijgt.

Angstig gaat de kapitein het huis binnen: als hij maar niet te laat komt!

Als Lacuzon in het huis komt, is hij een ogenblik zo verblind door de vlammen en krijgt hij het zo

benauwd door de rook dat hij niet direct de trap kan vinden die naar de kelder leidt. Achter zich hoort hij de stem van Raoul die aanwijzingen geeft. Dan vindt hij het luik dat de trap afsluit.

Hij loopt de trap af en roept de naam van Eglantine. Er komt echter geen antwoord. Verstikt door de rook en geheel uitgeput door de doorgestane angst is Eglantine op de grond gevallen. Zij is buiten bewustzijn. Lacuzon ziet haar liggen en vreest het ergste.

 


 

Net op tijd!

 

91. Zonder een ogenblik te verliezen rolt Lacuzon Eglantine in de natte mantel. Hij neemt haar in zijn armen en draagt haar de treden van de kelder op. Dan komt hij weer in de oven waarin het huis is veranderd. Overal om hem heen zijn de vlammen en het vuur sist op de natte mantels. Het water in de mantel zal bij deze temperatuur spoedig verdampt zijn. Lacuzon moet zo snel mogelijk het huis verlaten!

Als hij de drempel is over gestrompeld, ziet hij Raoul die zich los heeft weten te rukken en die de twee

tegemoet snelt. Met donderend geraas stort even later achter Lacuzon een stuk muur in.

Als hij een minuut later bij Eglantine was geweest, was zij levend begraven in de kelder.

Het meisje ziet erg bleek, maar zelfs geen haar is verschroeid! Zij zucht. Vol verwachting kijken Raoul en Lacuzon naar het bleke gezichtje. Raoul gaat naar de fontein om water te halen voor Eglantine.

Juist als hij weggaat, komt er een boer aanhollen. Hij ziet er verschrikt uit.

 


 

Het gevecht om Eglantine

 

92. De man staat hijgend stil voor Lacuzon en stoot dan uit: ‘Kapitein! De Zweden en de Grijzen hebben zich weer verzameld! Ze rukken op naar de stad! Kolonel Varroz wacht op u!’

Lacuzon  keert zich tot Raoul: Deze keer kun je ons niet volgen. Neem Eglantine van mij over en trek het water van de Bienne over. Wacht dan op mij in het dichte struikgewas dat je vinden zal achter het dennenbos!’

Nadat hij Raoul nog een laatste handdruk heeft gegeven, verdwijnt Lacuzon met zijn bergbewoners achter een kromming in de weg. Raoul heeft nu nog maar één gedachte: ver weg te komen van deze

vervloekte stad. Zijn verloofde dragend, begint hij te lopen in de richting die Lacuzon hem heeft aangeduid. Hij ziet de Bienne al voor zich met daarachter het bos dat hem een veilige schuilplaats zal bieden, tot zijn vrienden terugkeren. Raoul komt langs een klein huisje. Het ziet er verlaten uit en het brandt niet. De Zweden vonden kennelijk het miserabele huisje hun vuur niet waardig! Maar plotseling zwaait de deur open en twee mannen komen naar buiten. Ze staan midden op de weg en beletten Raoul de doorgang. Raoul herkent de mannen direct: het zijn de metgezellen van de Grijze die hij gedood heeft.

 


 

Kan Raoul tegenstand bieden?

 

93. De twee Grijzen komen naderbij. Raoul torst nog steeds zijn kostbare last. Eglantine is nog niet tot bewustzijn gekomen en de bandieten kunnen haar gezicht niet zien.

‘Aha!’ roept een van de  mannen uit. ‘Ben je daar weer, mooie meneer? Jij, verdediger van heksen!’

De ander doet ook een duit in het zakje: ‘Loop je je geluk te zoeken in een brandende stad?’ smaalt bij.

Raoul neemt Eglantine in zijn linkerarm en dekt haar met de mantel van Lacuzon toe. Met zijn linkerhand trekt hij zijn zwaard: ‘Zet je in positie!’ zegt hij koel tegen de man die het laatst het woord heeft gevoerd.

‘Werkelijk, mijn edele heer? En als ik dat eens niet zou doen?’

‘Dat zou heel jammer voor je zijn. In dat geval zou je het beste doen je nu te gaan voorbereiden op je dood.’

‘Die knaap heeft praatjes!’ zegt de ander grof. ‘Vooruit! Aan het werk.’

Eén van de Grijzen dringt nu op Raoul toe, de degen in de hand. De jongeman slaat de aanval behendig af, ondanks zijn zware last. Helaas let Raoul alleen maar op de man tegen wie hij vecht.

Hij merkt daardoor niet dat de ander achter hem weet te komen. Het zal voor Raoul erg moeilijk zijn om tegen twee mannen te vechten  met Eglantine op zijn arm ...

 

 


 

De klap

 

94. Raoul weet enkele minuten de aanvallen van zijn tegenstander af te weren. Hij kan zijn volle kracht niet gebruiken, omdat hij Eglantine die nog steeds buiten bewustzijn is, in zijn linkerarm draagt. Raoul gaat echter geheel in de strijd op en hij merkt niet dat de tweede Grijze die achter hem staat, zijn zwaard opheft om hem een verschrikkelijke slag toe te brengen.

Raoul die voelt dat hij deze zeer ongelijke strijd zal verliezen, probeert Eglantine beter te ondersteunen. De ander ziet deze beweging. Een valse grijns trekt over zijn gezicht. Hij voelt zich trots, omdat hij later zal kunnen vertellen dat hij deze sterke jongeman heeft verslagen. Hij zal natuurlijk niets vertellen over de omstandigheden waaronder dat gebeurde… Dan ziet hij hoe zijn metgezel, de boosaardige Limassou,

zijn zwaard laat neerdalen op het hoofd van Raoul. ‘Ik geloof dat de klap goed aangekomen is!’ roept deze uit.

‘Wat denk jij ervan Francatripa?’

‘Niet slecht. Ik hoop ‘dat hij dood is.’

‘Wat dat betreft kun je gerust zijn!’

‘De vrouw heeft zich nog niet bewogen en ze zegt geen woord,’ zegt dan Limassou, terwijl hij zich over Eglantine heen buigt. Hij tilt de mantel op waaronder het gezicht van het meisje verborgen gaat. Dan uiten ze een kreet van verbazing.

‘Maar dat is de nicht van Lacuzon!’

‘De nicht van een vijand, bravo!’

‘Het is een mooi meisje,’ zegt de ander.

‘Het gaat er nu om aan wie van ons beiden ze zal toebehoren!’

 


 

Een gevecht op leven en dood

 

95. Tot nu toe zijn de mannen het dus roerend eens: het is goed dat ze die verwaande haan uit de weg hebben geruimd en het is nog beter dat ze nu het nichtje van hun tegenstander als gijzelaar hebben. Maar nu komt een grote moeilijkheid: aan wie komt dat nichtje toe? De een zegt dat hij de rechtmatige eigenaar is, omdat hij het was die de jongeman durfde aan te vallen. Limassou is echter van het tegendeel overtuigd: ten slotte was hij het die de genadestoot gaf!

Tussen schurken van dit soort komt het al gauw tot een gevecht.

‘Als jij weigert mij het meisje goedschiks af te staan, moet het kwaadschiks,’ schreeuwt Limassou, zijn zwaard trekkend.

‘Zoals je wilt,’ daagt de ander uit.

En even later zijn de twee vrienden van enkele minuten geleden in een gevecht op leven en dood gewikkeld. De strijd kan nog lang duren, want de mannen zijn bijna even sterk.

Na enkele minuten echter laat Limassou zijn zwaard zakken. Hij lacht. Francatripa kijkt geërgerd naar hem: ‘Wat valt er te lachen? Zijn we geen dwazen dat we nu elkaar willen doden, terwijl het veel gemakkelijker is om in de hut te gaan zitten en daar om haar te spelen.’

‘Ik, geloof dat dat een goed voorstel is,’ zegt Francatripa.

‘Goed, laten we dan maar naar de hut gaan.’

 


 

Wie wint het spel om Eglantine?

 

96. Eén van de mannen neemt Eglantine in zijn armen en draagt haar naar de hut. Zij zijn er vast van overtuigd dat Raoul dood is en zij laten hem dan ook rustig langs de weg liggen. Ze gaan het huisje binnen dat als enig meubilair een houten tafel, twee krukjes en een oud ledikant herbergt. Het meisje is nog steeds buiten kennis en zij heeft geen idee van het grote gevaar waarin zij verkeert.

Eglantine wordt op het bed gelegd en de twee mannen gaan rond de tafel zitten. ‘Hoe spelen we?’ vraagt Francatripa, twee dobbelstenen uit zijn zak halend.

‘Wie in vijf keer de meeste punten haalt als je dat goed vindt.’ Limassou begint. ‘Vijf en vier. Nu jij!’

‘Vier en vier. Ga verder.’

Na de tweede worp heeft Limassou al aanzienlijk

meer punten dan zijn metgezel.

Bij de vijfde en laatste worp heeft Limassou een grote voorsprong op Francatripa. Hij heeft gewonnen.

‘Het meisje is voor mij’, zegt hij triomfantelijk.

‘De dóód is voor jou!’ schreeuwt Francatripa plotseling woedend, zijn pistool tevoorschijn halend.

‘Jij bruut! Jij wilt dit meisje, de nicht van Lacuzon, kwaad doen, terwijl we veel geld kunnen verdienen door haar goed te verzorgen en haar uit te leveren als gijzelaar aan de man met het zwarte masker.’

Terwijl hij deze woorden uitspreekt, haalt Francatripa de trekker van zijn pistool over. Limassou valt dood neer in de hut.

 

 


 

Raoul krijgt hulp

 

97. Voor hij de hut verlaat, onderzoekt Francatripa de zakken van Limassou. Hij vindt er geld en stopt het zorgvuldig weg in zijn eigen beurs.

‘Geld is eigenlijk het enige dat je nodig hebt’, mompelt hij in zichzelf. ‘Als je geld hebt, ontbreekt het je nooit aan goede wijn.’

Even later neemt Francatripa Eglantine in zijn armen. Hij draagt haar het huisje uit, de weg op zonder de man die bewegingsloos langs de weg ligt, ook maar

een blik waardig te keuren.

Haastig loopt hij verder met zijn zware last die hij zo snel mogelijk wil omruilen tegen goudstukken.

Zodra de Grijze uit het gezicht is verdwenen, komt een oude vrouw uit de struiken te voorschijn. Zij knielt neer bij het lichaam van Raoul.

De vrouw is niemand anders dan Magui de heks die het gebeurde vanuit de verte heeft gevolgd, maar die niet tussenbeide kon komen.

 


 

Wat is er met Eglantine gebeurd?

 

98. Een ijskoude windvlaag doet Raoul zijn ogen opslaan. Hij ziet het bezorgde gezicht van een oude vrouw die over hem heen gebogen is. Het is de oude Magui die nu aan Raoul de dienst die hij haar eens bewees, terug kan bewijzen. Zij bet zijn oogleden met ijswater en verzorgt zijn wond die niet zo groot is als men zou verwachten.

Zeker, de klap van Limassou was hevig, maar door een gelukkig toeval was het heft in de hand van Limassou iets gedraaid waardoor de klap werd gegeven met de platte kant van het zwaard in plaats van met de scherpe zijde. Eerst kan Raoul zich niets herinneren van hetgeen er gebeurd is, maar dan keert zijn geheugen terug en een verschrikkelijk vermoeden dringt zich aan hem op: ‘Ik herinner me alles weer’, mompelt hij.

Lacuzon en, oh … Wat is er met Eglantine gebeurd?’

Als Raoul van Magui heeft gehoord dat Francatripa het meisje heeft meegenomen, is Raoul radeloos.

‘Ik verzeker u, meneer,’ zegt Magui, ‘dat deze man Eglantine geen kwaad zal doen. Hij heeft haar niet meegenomen als vrouw, maar als een buit die hij zo duur mogelijk zal zien te verkopen aan de meest gevreesde vijand van de Franche-Comté.’

‘En wie is die vijand?’

‘De man met het zwarte masker!’

‘De man met het zwarte masker’, herhaalt Raoul somber. ‘Kent u de man die zich achter dat zwarte masker verbergt?’ vraagt hij dan.

‘Ik weet het’, is het eenvoudige antwoord.

 


 

Raoul en Magui op weg naar Gangônes

 

99. Raoul voelt dat Magui meer weet over de geheimzinnige man die zich verbergt achter een zwart masker.

Maar zij schijnt vastbesloten geen woord meer erover los te laten.

‘Als u de naam en de schuilplaats weet van de man met het zwarte masker waarom vertelt u mij die dan niet?’ vraagt Raoul.

‘Dat zal ik u zeggen, maar niet aan u alleen’.

‘Waarom?’

‘Omdat er een man is die er minstens evenveel belang bij heeft dit te weten als u’. 

‘En deze man.... ?’

‘Dat is uw vriend, kapitein Lacuzon.’

‘U hebt gelijk’, antwoordt Raoul. ‘Lacuzon heeft er recht op alles zo spoedig mogelijk te weten. We moeten nu gaan, want hij zal waarschijnlijk al op de plaats die wij hebben afgesproken, op mij wachten.’

‘Wanneer hebt u met hem afgesproken?’

‘Toen we uit elkaar gingen, ongeveer een uur geleden!’

Raoul geeft zich echter geen rekenschap van alle tijd die sindsdien is verstreken. Het is al nacht geworden en Raoul voelt nu dat zijn maag totaal leeg is. Ze gaan in een holte bij de weg zitten. Magui heeft wat brood en water bij zich en Raoul kan zijn honger voor korte tijd stillen.

Als hij zich weer wat sterker voelt gaan de twee op weg naar Gangônes. Daar is een kleine herberg, slechts bekend aan de bergbewoners. Het is dan ook de plaats waar Lacuzon en de zijnen elkaar steeds weervinden. Terwijl ze langs de oever van de Bienne lopen, vraagt Magui naar de loop van de laatste gebeurtenissen. De Zweden zijn voorgoed uit Saint-Claude verjaagd en op dit moment achtervolgen Lacuzon en zijn mannen de soldaten in de richting van Longchaumois.

 

 


 

Het dorp Saint Laurent

 

100. De weg die naar de herberg leidt is lang. Terwijl ze verder lopen, begint Magui te spreken over de familie Champ d'Hivers. ‘U spreekt heel gevoelvol over deze familie’, zegt Raoul. ‘Het is echter een uitgestorven familie en ik geloof dat de naam in deze streek al bijna is vergeten.

‘Vergeten’ herhaalt Magui heftig. ‘Men vergeet weldoeners niet. Eeuwenlang hebben de Champ d'Hivers niets dan goed gedaan in de provincie’. Raoul voelt zijn hart sneller slaan en een moment staat hij op het punt zijn identiteit te onthullen. Als ze weer een eind hebben gelopen, staat Magui stil. 

‘We hebben nu niets meer van de Grijzen te vrezen. Ik zie dat u erg moe bent en ik weet een plaats waar u zou kunnen rusten’.

Maar Raoul heeft haast: hij wil zich zo snel mogelijk weer bij Lacuzon voegen.

‘Zijn we nog ver van Gangônes af?’ vraagt hij.

‘Ja. En de weg wordt hoe langer, hoe slechter’. Raoul toont zich moedig maar hij heeft nog last van de klap die de Grijze hem gaf en zijn krachten zijn uitgeput. Bovendien heeft hij honger. Hij heeft sinds vierentwintig uur niets gegeten behalve het armzalige stuk brood dat Magui hem gaf. Geld heeft Raoul niet meer, want de Grijzen hebben hem zorgvuldig gefouilleerd. Er is maar één oplossing: Magui laat Raoul voor korte tijd in de steek en gaat naar het dorp Saint-Laurent dat vlak voor hen ligt om een aalmoes te vragen.

 

 


 

Eindelijk iets te eten

 

101. Met vlugge tred begeeft Magui, de ‘heks’ zich naar Saint-Laurent. Zo nu en dan keert zij zich om, om te zien of Raoul haar niet volgt om zich bij haar te voegen, ondanks de belofte die bij haar heeft gegeven. Ze wil niet dat de boeren de jongeman zien in gezelschap van een bedelares. Raoul ziet de vrouw gaan en hij voelt zich ontroerd door de toewijding en de liefde die zij hem betoont. Hij denkt erover haar achterna te gaan en haar te verbieden zich voor hem te vernederen, maar hij herinnert zich zijn belofte en

besluit te blijven waar hij is.

Magui wordt in het dorp vriendelijk ontvangen en het duurt niet lang of zij heeft genoeg eten voor haar en haar metgezel. De inwoners van de Franche-Comté zijn goed voor hen!

Als Magui weer bij Raoul terug is opent zij haar tas. ‘Kijk’, zegt ze, ‘er wonen nog veel goede mensen in onze bergen’. Ze toont de stukken brood en zelfs heeft ze een stuk kaas gekregen! Raoul valt hongerig aan en ook Magui begint te eten.

 


 

Langs het meer van Bonlieu

 

102. Raoul en Magui zijn weer op weg gegaan.

‘Ik hoop dat we voor vanmiddag twaalf uur in Gangônes zijn’, zegt Magui.

Al spoedig komen ze in een bos. Het terrein wordt hoe langer hoe bergachtiger en hoewel de omstandigheden zich daartoe nu niet direct lenen, kan Raoul het niet nalaten het landschap om zich heen te bewonderen. Bij iedere meter die ze verder gaan, wordt de omgeving imposanter en wilder. Rotsen zijn nu rondom de twee wandelaars. Sommige zijn naakt, andere worden bekroond door het prachtige groen van talloze dennen.

Als ze onder een overhangende rotspunt doorlopen

staat Raoul plotseling stil.

‘Wat doet u, meneer’, vraagt Magui verbaasd.

‘Ik kijk en bewonder’, zegt Raoul.

Magui heeft echter geen oog voor de schoonheid rondom hen. ‘Het is nu geen tijd om te bewonderen. Ik smeek u: laten we verder gaan’.

Resoluut gaat de vrouw een bergspleet binnen die duizenden jaren geleden werd uitgeslepen door water. Na een moeilijke tocht komen Magui en Raoul aan de oevers van het meer van Bonlieu. Een klein beekje komt in het meer uit. In onze dagen heet dat beekje nog steeds de Hérisson.

 

 


 

De schim in het kasteel

 

103. Het terrein wordt hoe langer hoe vlakker. Er komen minder bomen en meer grasvelden. Raoul en Magui gaan iets langzamer lopen. Ze kijken naar het kasteel van Antide de Montaigu dat hoog oprijst en dat van ver al was te zien. Raoul werpt een lange blik op het kasteel. Het is een blik vol haat en vol woede. ‘Daar kwam alle ellende vandaan’, mompelt Raoul in zichzelf.

Dan wordt de jongeman plotseling doodsbleek. In zijn ogen staat angst, verbazing en ontsteltenis te lezen. ‘Is er iets, meneer?’ vraagt Magui de veranderde uitdrukking bestuderend.

‘Een spook!’ mompelt Raoul. ‘Een schim gehuld in witte nevelen’.

‘Het is een hersenschim’.

‘Nee’ het is een realiteit. Ik ben er zeker van’.

‘Het is een laken dat wappert in de wind’.

‘Nee, het heeft een menselijke gedaante. Mijn ogen kunnen me niet bedriegen. Ik zag het gezicht van een vrouw. Het gezicht van een dode. . ..!’

‘Alles is mogelijk’, zegt dan Magui. ‘Zelfs het onmogelijke, want dit kasteel is zeer slecht en zijn meester is boos’. Dan draait Magui zich om en vervolgt de tocht.

Raoul volgt. Hij is stil en is verdiept in zijn gedachten.

‘We komen al dichterbij’, zegt Magui even later. ‘Het enige wat we nodig hebben om zo spoedig mogelijk in Gangônes te zijn is een goed begaanbare weg’.

Dan gaat ze een rotsspleet binnen.

 

 


 

Langs de rotsen

 

104. Nauwelijks is Magui echter de rotsspleet binnen gelopen of een stem die van boven komt, roept gebiedend: ‘Wie gaat daar?’ Raoul kijkt omhoog. Hij ziet een bergbewoner staan met het geweer in de aanslag.

‘Antwoord!’ zegt Magui haastig.

‘Zeg het wachtwoord!’ ‘Ik ben op weg naar de kapitein die me verwacht’.

‘En deze vrouw?’

‘Zij vergezelt mij’.

‘Ga maar door’. zegt de man. Hij zet een hoorn aan zijn lippen en blaast erop. De korte stoten worden weggedragen door de wind.

Het was voor het eerst dat Raoul een bergbewoner zag in het uniform van het vrijheidskorps.

‘Ha’, mompelt Magui, ‘Lacuzon laat zich goed bewaken. Men zou arendsvleugels moeten hebben om hem te kunnen verrassen!’

De weg die Magui heeft uitgezocht, wordt hoe langer hoe gevaarlijker. Ze lopen over smalle paden, klauteren over rotsen heen en komen ten slotte aan bij een pad dat zo smal is dat slechts één persoon juist langs de rotswand kan schuifelen. Beneden zich zien ze een enorme diepte.

‘Kijk alleen voor je uit’ waarschuwt Magui. ‘Kijk vooral niet achterom of naar beneden’.                      

 


 

Over de Hérisson

 

105. Raoul en Magui vervolgen hun weg naar de herberg van Gangônes. De weg die eerst langs zeer gevaarlijke ravijnen liep, gaat nu langs een wild stromend beekje verder. Het water murmelt niet, het buldert. Eindelijk komen de twee reizigers op de plaats waar zij de rivier moeten oversteken. Ze zijn vermoeid en hebben door de lange tocht honger en dorst gekregen.

Een boomstam verbindt de ene oever van de rivier met de andere. Aan de overkant staan twee bergbewoners Raoul en Magui op te wachten. De mannen hebben hun geweren in de aanslag en ze staan klaar om de boomstam bij de minste verdachte

beweging in de rivier te duwen. 

‘Wie is daar?’ schalt het over het water.

‘Saint-Claude en Lacuzon’, antwoordt Raoul.

‘Ga door’ zegt de bergbewoner.

Evenals de bergbewoner die zij enkele uren tevoren ontmoet hadden, laat deze man twee korte stoten op zijn hoorn klinken. Raoul en Magui lopen over de geïmproviseerde brug en Raoul voelt de boomstam bij iedere stap doorbuigen. Even voelt hij angst voor het kokende water beneden zich. Hij ziet echter dat Magui zelfverzekerd en rechtop de brug afloopt en hij krijgt een groot vertrouwen in haar: zij kent deze woeste bergstreken goed!

 


 

Naar de grot van Lacuzon

 

106. Als ze de rivier overgestoken zijn en de twee bergbewoners die bij de brug de wacht houden, hebben begroet, trekken Magui en Raoul verder. Het landschap wordt steeds woester. Massieve rotsblokken rijzen aan weerskanten van de weg op, eeuwenoude bomen zien neer op de twee reizigers. Raoul voelt zich bedrukt. Hij heeft het gevoel, alsof er ieder ogenblik iets kan gebeuren dat zijn ontmoeting met Lacuzon die nu niet ver meer is, zal verhinderen. Pas wanneer Raoul en Magui in een klein bos komen, begint hij zich vrij te voelen. Hij ademt de lucht diep in. Nauwelijks zijn ze het bos ingegaan of drie mannen komen naar hen toe.

In een van hen herkent Raoul Gerbas. ‘Ah meneer’, zegt hij.

‘Wat hebt u Lacuzon lang op u laten wachten!’

‘Wilt u de kapitein van mijn aankomst verwittigen?’ vraagt Raoul.

‘Verwittigen?’ roept Gerbas uit. ‘Al een uur geleden ontvingen wij het bericht van uw aankomst bij de rivier. De kapitein verwacht u!’

Aan het eind van het bos begint de weg sterk te stijgen. Bomen zijn er nu niet meer, rotsblokken vormen de enige entourage. Magui en Raoul lopen achter de drie mannen aan.

‘Eindelijk zullen we op de plaats van bestemming komen’, zegt Magui.

‘Het wordt tijd’, antwoordt Raoul, ‘ik ben aan het eind van mijn krachten’

 

 


 

Waar is Eglantine?

 

107 Het woord ‘herberg’ is eigenlijk veel te veel gezegd voor de grote spelonk die Raoul en Magui eindelijk bereiken. Maar de bergbewoners zijn trots op hun ‘herberg’. Rondom een houtvuur waarboven een ketel hangt, zitten de trouwe bergbewoners de gebeurtenissen van de dag te bespreken. Sommigen zitten zomaar op de grond, anderen hebben een boomstronk tot zetel gemaakt.

‘Ik zie de kapitein nergens,’ zegt Raoul dan.

‘Dit is het soldatenverblijf’, antwoordt Gerbas. ‘Ik zal u nu naar het vertrek van de kapitein brengen. Ik verzoek u echter dringend mij alléén te volgen. Deze vrouw moet hier op u wachten.’

Raoul wil woedend uitvallen, maar Magui vraagt hem zacht alleen te gaan. Voorafgegaan door zijn gids gaat Raoul dieper de grot in.

Ze komen bij een trap die in de bergwand is uitgehouwen.

Deze trap blijkt naar een tweede spelonk te leiden die als het ware de tweede verdieping vormt boven de eerste.

Lacuzon, Varroz en Marquis zitten om een ruwe houten tafel. Zwijgend schudden de drie mannen de hand van Raoul.

Lacuzon begint te praten over Eglantine: ‘Waar is zij? Waar hebt u haar achtergelaten?’ vraagt hij aan Raoul.

‘Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt,’ antwoordt Raoul. ‘Alleen doordat men mij van achteren aanviel kon men haar van mij afnemen . Maar ik weet een manier om haar  terug te krijgen.’

‘Waarom hebt u dat al niet uitgeprobeerd?’ vraagt Marquis scherp.

‘Omdat de vrouw die het geheim bewaart alleen maar wil spreken zolang Lacuzon  meeluistert.’

 

 


 

Is Magui te vertrouwen?

 

108. Wie is de vrouw die weet waar Eglantine verborgen wordt gehouden?’ vraagt de geestelijke.

‘U kent haar onder de naam Magui de heks’, antwoordt Raoul.

‘Magui de heks!’ herhaalt Marquis. ‘Een leugenaarster, een zwerfster en niet goed bij haar hoofd! En u hebt vertrouwen in haar?’

‘Een volledig vertrouwen,’ antwoordt Raoul rustig.

‘En op welke wijze heeft zij dit vertrouwen verdiend?’ Raoul vertelt nu in het kort, wanneer hij Magui voor het eerst heeft ontmoet en hoe zij hem verder heeft geholpen.

‘Hij heeft gelijk,’ zegt Lacuzon die aandachtig heeft geluisterd. ‘En ik geloof dat ik ook vertrouwen in deze vrouw heb.’ De kapitein roept Gerbas en geeft hem order Magui te halen. Het lijkt of deze maatregel de pastoor slechts matig bevalt. Terwijl Gerbas Magui

haalt, legt Lacuzon aan Raoul uit dat hij een soldaat heeft achtergelaten op de plaats waar hij met Eglantine langs zou moeten komen.

Raoul heeft echter een andere weg gekozen en zonder twijfel staat de soldaat nu nog steeds op Raoul te wachten.

Dan komt Gerbas binnen met Magui.

‘Vrouw,’ zegt Marquis, wees welkom en wees niet bang. U hebt een slechte naam en uw bijnaam zegt voldoende. Maar u moet wel een goed hart goed hebben, ondanks alles wat men van u zegt ... Maar wie u ook zijn moge, wij danken u voor de goede diensten die u aan onze vriend hebt bewezen.’

‘Ik heb niets anders gedaan dan mijn plicht,’ stamelt Magui. ‘Deze man heeft zijn eigen leven geriskeerd om dat van mij te redden. Daarvoor wilde ik hem heel erg bedanken.’

 


 

Het kasteel De Arend

 

109. Lacuzon laat het aan Marquis over Magui te ondervragen.

‘U hebt tegen Messire Raoul gezegd dat u weet waar Eglantine verborgen wordt gehouden? En u hebt hem ook gezegd dat u de verblijfplaats en de identiteit kent van de man met het zwarte masker?’

‘Inderdaad. En wat ik gezegd heb is waar!’

‘Goed. Dit is kapitein Lacuzon, dit is kolonel Varroz en u weet waarschijnlijk dat ik Marquis ben. Wilt u voor ons drieën spreken?’

‘Ja, dat kan ik en dat wil ik. U moet me echter beloven, alles wat ik nu ga zeggen te geloven.’

‘Ja, als u ons belooft niets dan de waarheid te spreken.’

‘Dat verzeker ik u. En u van uw kant zult u de

verrader straffen, zoals we met een verrader omgaan! Wie hij ook mag zijn?’

‘We zullen hem straffen’ roepen Lacuzon, Raoul, Varroz en Marquis tegelijkertijd uit.

‘Goed,’ herneemt Magui, terwijl ze haar stemgeluid dempt. ‘U moet naar het kasteel De Arend gaan om Eglantine terug te vinden.’

‘Wat?’ vragen de drie aanvoerders verbaasd.

‘U hebt het goed gehoord!’ zegt Magui. ‘Op het kasteel zult u ook de Grijze Francatripa vinden die Eglantine daar heeft gebracht om haar als gijzelaarster te verkopen aan de nobele heer Antide de Montaigu!’

De laatste woorden zijn langzaam en vol haat uitgesproken.

 


 

Lacuzon gaat op onderzoek

 

 110. Als de hele grot plotseling boven hun hoofd was ingestort zou de verbazing en de verwarring die de woorden van Magui hebben teweeggebracht, niet groter kunnen zijn. De drie aanvoerders kijken elkaar sprakeloos aan. Alleen Raoul toont geen enkele verrassing. Maar Antide de Montaigu is een van onze trouwste bondgenoten,’ roept Lacuzon dan uit. Magui kijkt Lacuzon strak aan. ‘Een trouwe bondgenoot, hij, de man met het zwarte masker!’ roept ze uit. ‘Wat ik heb gezegd is waar!’

‘En ik zeg dat deze vrouw gelijk heeft!’ zegt Varroz

‘Ik geloof dat het voorgevoel van Raoul hem niet bedrogen heeft!’

‘Wees voorzichtig,’ zegt de priester. ‘Een verkeerd voorgevoel kan veel schade aanrichten. En u bent bevooroordeeld, want u haat Antide de Montaigu.’ ‘Ja,’ zegt Varroz. ‘En ik zal hem blijven haten, zoals ik deze haat reeds twintig jaar heb gehad.

Steeds weer als ik zijn gezelschap verkeer, denk ik bij mezelf: ‘Daar zit de rover van Blanche. Daar zit hij: de moordenaar van Tristan de Champ d’Hivers! Ik heb ertegen gevochten, maar altijd heb ik me overtuigd gevoeld. Ik heb vaak tegen mezelf gezegd: hij kan een goede bondgenoot zijn, maar… vandaag kan ik er niet meer aan twijfelen! Ik zie de waarheid voor ogen. Antide de Montaigu is een rover, een moordenaar en een landverrader. Hij heeft niet alleen Tristan de Champ d’Hivers vermoord, maar ook Pierre Prost! Maar eindelijk zal er dan een eind komen aan de reeks misdaden.’  Dan hervindt hij zijn kalmte. Hij wendt zich tot Lacuzon en zegt:

‘Ben jij nu overtuigd, Jean-Claude?’

‘Nog niet helemaal. Ik ga een onderzoek doen.’ ‘Wat voor onderzoek?’ 

‘Ik ga naar het kasteel De Arend… alleen en met als enig wapen mijn zwaard.’ 

‘En  wat ga je daar doen?’

 


 

Hoe het kasteel De Arend binnen gaan?

 

111. Lacuzons voorstel wordt door zijn vrienden niet erg enthousiast ontvangen. ‘Ik zal met Antide de Montaigu spreken en hem in zijn gezicht zeggen welke verdenkingen wij tegen hem hebben. Ik zal de waarheid dan kunnen lezen in zijn ogen en kunnen horen aan zijn stem’, zegt de kapitein.

Magui laat een sinister lachje horen: ‘Dat is het dwaaste wat u kunt doen’, zegt zij. ‘In dat geval kunt u uw vrienden een vaarwel zeggen in plaats van een tot ziens’.

Dan komt Marquis tussen beiden. ‘Ik begrijp het niet’ zegt hij. ‘U weet allang dat wij worden verraden en bedrogen. Had u ons niet eerder kunnen waarschuwen?’ ‘Hoe had ik dat kunnen doen?’ vraagt Magui droevig glimlachend. ‘Ik werd door iedereen veracht en niemand sprak met mij. U niet, de Grijzen

niet en de Zweden niet. Had ik u dan toch moeten waarschuwen? Waarschijnlijk had één van uw soldaten een kogel op mij afgevuurd, omdat ik het wachtwoord niet kende! Nu ben ik echter door onvoorziene omstandigheden hier terecht gekomen’. Magui zwijgt.

‘Vreemde vrouw’, denkt Marquis.

‘Zij heeft gelijk’, mompelt Varroz. ‘Iemand die op zo'n manier spreekt kan niet liegen’,  roept Lacuzon dan uit.

‘Wat is je besluit, Jean-Claude?’

‘We moeten Eglantine redden en haar zo snel mogelijk bevrijden van die schurk’.

‘Roep alle bergbewoners op’, oppert Varroz, ‘en laten we opmarcheren naar het kasteel De Arend’.

‘Een slechte manier’, antwoordt Lacuzon

 


 

De list

 

112. Lacuzon begrijpt direct dat een gewelddadig optreden tegen het kasteel De Arend geen doeltreffend middel is om Eglantine te bevrijden.

‘Als hij ontdekt dat wij hem doorzien, zal hij het meisje tegen ons gaan gebruiken’, legt hij uit. ‘We zullen door een list moeten proberen het kasteel binnen te dringen. Ik zal in het geheim naar het kasteel vertrekken.’ ‘Maar hoe wilt u een zo goed bewaakt kasteel binnenkomen?’ interrumpeert Marquis.

‘Ik zal wel een middel vinden’, zegt Lacuzon.

‘Ik zal u een middel aan de hand doen!’ roept dan plotseling Magui uit.

‘U?’ vraagt Marquis verbaasd.

‘Ja. Vandaag gaan alle boeren hun belastinggelden aan de heer van het kasteel De Arend brengen. Waarom verbergt u zich niet in een boerenwagen, verkleed als boer? Ik weet een man die u daarbij zeker zal willen helpen; de vader van Gerbas. Ook hij

moet vandaag zijn belasting betalen.’

‘Dat is waar’, zegt Lacuzon. Hij wendt zich tot Gerbas en legt hem het plan voor. ‘Hoe laat gaat je vader naar het kasteel?’ vraagt hij.

Hij moet om drie uur van de boerderij vertrekken.’

‘Wat neemt hij  mee?’

‘Tarwe, gerst, rogge en ruim zestig daalders.’

‘Ga nu naar hem toe en zeg hem dat hij op de een of andere manier een incident moet veroorzaken. Hij moet dicht bij Saut Girard op mij wachten.’

‘Goed kapitein’, antwoordt Gerbas terwijl hij weggaat.

‘U gaat uzelf vermommen?’ vraagt Varroz. ‘Nee, een vermomming zou me vernederen en bovendien zou ik er last van hebben.’

‘Wees voorzichtig!’

Lacuzon doet zijn degen om en steekt zijn pistool tussen zijn gordel.

 

 


 

Een geheime toegang

 

113. Als Lacuzon zijn vrienden wil gaan verlaten houdt Magui hem tegen. ‘Kapitein, u hebt nog iets vergeten!’

‘Wat dan?’

‘Een middel om Eglantine snel te verbergen zodra de zaak een verkeerde wending zou mogen nemen.’

Lacuzon zwijgt en luistert naar de vrouw die snel vertelt dat er in het kasteel een geheime toegang bestaat tussen de woonhuizen en de punt van de rots waarop de grote toren staat. Het betreft een bergspleet die nooit is dichtgegooid. Er is een soort dak overheen gebouwd waardoor een gewelf ontstaat dat uitkomt op het voorplein. In het midden van dit gewelf bevindt zich een gat voor de regeling van de afvoer van het water. Een deksel dat niet is afgesloten, dekt het gat af.  ‘U hoeft alleen dit deksel op te lichten, om in de spleet te komen die uitkomt aan de voet van de muren van het kasteel.’

‘Dank u’, zegt Lacuzon eenvoudig.

‘Maar hoe weet u dit alles?’

‘Misschien zal ik U dat eens vertellen ..... Bewaar uw geheim zorgvuldig. Ik ben u dankbaar voor alles wat u tot nu toe voor ons hebt gedaan.’

Dan draait hij zich om. Lang schudt hij zijn drie vrienden de hand. Dan verwijdert hij zich snel.

‘Vrouw’ zegt dan Marquis tot de oude Magui die oplettend luistert naar de wegstervende stappen van Lacuzon, ‘ik weet dat alles wat u hebt gezegd waar is. Maar Lacuzon is nu weg en het zijn uw woorden die hem tot dit vertrek hebben aangezet. Daarom verzoek ik u hier te blijven, tot Lacuzon is teruggekeerd. Het is een oorlogswet.’

‘Met andere woorden: Ik ben een gevangene?’

‘Precies, maar we kunnen u niet toestaan hier vandaan te gaan.’ En Marquis vertrouwt de vrouw toe aan de zorgen van een van de soldaten.

 


 

In het kasteel de Arend

 

114. Het is drie uur in de middag. De boeren uit de omtrek gaan hun schulden betalen aan Sire Antide de Montaigu. Sommigen dragen de zakken graan op hun rug, maar de rijkeren komen met karren die moeizaam tegen de berg op rijden. Het is een lange rij wagens. Bij het kasteel staan enkele soldaten opgesteld die de orde bewaren bij de betalingen. Een huismeester inspecteert nauwkeurig alles wat wordt binnengebracht. Een groep burgers die staat te wachten tot er zal worden gecontroleerd, begint een vreemd gesprek.

‘Ik heb naar de toren van De Arend gekeken, maar ik heb niets gezien’, zegt een van de boeren.

‘Wees Gode dankbaar’, roept een vrouw.

‘Waarom dankbaar?’ vraagt de boer.

‘Omdat de geest van het kasteel je anders het gezicht zou doen verliezen’.

‘Een geest?’

‘Wat? Weet u dat niet? Ja, er is een geest die rondwandelt op de transen van de toren en

wanneer men de geest ziet, verliest men het gezicht’.

Terwijl de boeren het gesprek over de geheimzinnige verschijning die de hele omgeving verontrust voortzetten, gaat de huismeester door met de inspectie. Boeren laden de wagens uit terwijl de eigenaars met verbeten gezichten staan toe te kijken.

‘Het lijkt, of u deze belasting niet graag betaalt’, zegt de huismeester brutaal tot een van de boeren.

‘Inderdaad’ antwoordt de boer. ‘Men moet tegenwoordig hard werken om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen en als men dan ook nog een groot gedeelte van de opbrengst moet af staan....’

De huismeester doet of hij de laatste woorden niet heeft gehoord en zegt: ‘Dat zijn zaken die Monseigneur niet aangaan. Als hij zijn schatting maar op tijd ontvangt!’

 

 


 

Antide de Montaigu

 

115. Bijna nooit verloopt de betaling zonder incidenten. Ook nu niet. Enkele boeren kunnen de vereiste belastingen niet opbrengen en de huismeester blijkt ongevoelig voor de smeekbeden van de mannen en de tranen van de vrouwen. Hij schenkt geen stuiver! Sommige boeren die weten dat smeekbeden niets uitrichten, uiten vreselijke bedreigingen aan het adres van Antide de Montaigu, maar alles is tevergeefs. Onder aan een trap staat Antide zijn onderhorigen gade te slaan. De mensen groeten hem. Zij respecteren hem, ondanks alles, omdat hij een van de  vrijheidsstrijders is, maar ze haten hem om de hoge belastingen die hij durft te vragen. Ze weten dat alles wat zij brengen bestemd is voor de soldaten van Lacuzon. Maar toch voelen de boeren iets van onbehagen, wanneer zij de naam van Antide de Montaigu horen noemen in verband met Lacuzon die zij vereren en hoogachten.

Als bijna alle boeren voorbij zijn gegaan, wendt

 

Antide de Montaigu zich tot zijn huismeester.

‘Hoe is de stand van zaken?’ vraagt hij.

‘Iedereen is geweest, behalve Rémy Gerbas’.

‘De vader van de helper van Lacuzon?’

‘Inderdaad. Hij moet onderweg een oponthoud gehad hebben’.

‘Dat is jammer voor hem’, zegt Antide de Montaigu laconiek. ‘Hij had voorzorgsmaatregelen moeten nemen’.

‘Wat moet ik nu doen?’ vraagt de huismeester.

‘De jongens terugroepen en de poorten sluiten. Gerbas zal morgen aan de beurt komen!’ De man gaat deze orders uitvoeren en juist als hij de poorten wil sluiten hoort hij een stem die een lied zingt dat alleen door de aanhangers van Lacuzon wordt gezongen.

‘Meester, daar is Gerbas!’ roept de huismeester.

‘Laat hem hiervoor rijden. Hij kan zijn goederen ontladen, terwijl ik er bij sta!’

 

 


 

Wordt de wagen met koren uitgeladen?

 

116. De huismeester die de orders van zijn meester prompt uitvoert, opent de poorten en laat de wagen het binnenplein oprijden. Maar het is niet de vader van Gerbas die daar op de bok zit, het is de strijder voor de vrijheid van de Franche-Comté. Antide de Montaigu ontdekt dit het eerst.

‘Maar dat is niet de oude Gerbas!’ roept hij uit. ‘Het is Gerbas, de vrijheidsstrijder’.

‘Inderdaad, heer’, antwoordt de boer. ‘Het is niet de vader, maar de zoon die u de schatting komt brengen’.

‘Waarom komt je vader niet?’ vraagt de meester van het kasteel De Arend. ‘Dat is gauw verteld, heer. Mijn vader is onderweg onwel geworden en om toch op tijd de belasting te kunnen betalen, heb ik zijn plaats op de bok ingenomen, terwijl hij naar huis werd gebracht’.

‘De kapitein heeft u dus vandaag niet nodig?’.

‘Het schijnt van niet, meneer, want hij liet mij gaan

tot morgen’.

‘Is hij in de grot van Gangônes op het ogenblik?’.

‘Nee, hij is vanmorgen vertrokken!’.

‘Alleen?’

‘Met kolonel Varroz, pater Marquis en zestig bergbewoners'.

‘Waarschijnlijk een expeditie?’.

‘Dat denk ik, heer’.

‘Welke kant zijn zij opgegaan?’. Dat heeft de kapitein mij niet verteld’.

‘Weet u wanneer hij terug zal keren?’

‘Vannacht, heer’.

‘De nacht is al gevallen.’

‘Heer’, interrumpeert dan de huismeester. ‘Vindt u het goed dat we nu de wagen gaan uitladen?’

‘Niet vanavond’, zegt Antide de Montaigu. ‘Het is nu hoog tijd dat de poort zal worden  gesloten en morgen is het nog vroeg genoeg om de wagen uit te laden’.

 


 

Stilte op de binnenplaats

 

117. Voor hij de poorten sluit vraagt de huismeester aan Antide de Montaigu: ‘Wat moet er gebeuren met de wagen van Gerbas?’

‘Laat die naar het binnenhof leiden waar de regenput staat en laat de ossen uitspannen’.

‘Meneer’, vraagt Gerbas dan, ‘kunt u mij toestaan de nacht hier door te brengen? Ik kan slapen in mijn wagen’.

‘Wat de ossen betreft: die kunnen hier blijven, maar jijzelf zult terug moeten. Geen enkele vreemdeling mag de nacht in dit kasteel doorbrengen’.

‘Ga bij je vader slapen en zeg hem dat hij morgen zelf zijn wagen weer kan ophalen’, vervolgt Antide de Montaigu.

‘Goed, heer’.

‘En als je kapitein Lacuzon ziet en Varroz en Marquis,

zeg hen dan dat mijn gevoelens ten opzichte van hen nooit zullen veranderen. Nu kun je gaan, mijn vriend!’

Gerbas leidt de wagen de binnenhof op bij de regenput. Dan spant hij de ossen uit en zegt zacht, alsof hij in zichzelf spreekt: ‘Het moeilijkste deel is achter de rug.... Veel succes!’.

Gerbas verlaat het kasteel zingend, precies zoals hij erin gekomen was. De tijd gaat voorbij. De klok van een kerk in de verte heeft reeds tien slagen laten horen. De soldaten die het kasteel bewaken zijn allen op hun post, de brug is opgehaald en de zware poorten zijn gesloten. Bijna alle lichten van het kasteel zijn een voor een uitgedoofd.

Een grote stilte heerst rondom het kasteel De Arend.

 


 

De gevangene in het kasteel

 

118. Laten we het kasteel De Arend eens van binnen gaan bekijken. We zijn in een zaal van enorme afmetingen die gelegen is naast de kamer waarin de wacht zit. De heer Antide de Montaigu zit op een grote stoel; het familiewapen is uitgesneden in de rugleuning. Antide de Montaigu zal ongeveer vijftig jaar oud zijn. Hij is groot en sterk. Zijn gezicht disharmonieert eigenlijk met zijn lichaam: het is afschrikwekkend door de harteloosheid die het weerspiegelt.

Een bediende wacht op zijn bevelen: ‘Laat de gevangene binnenkomen,’ zegt hij op droge toon. Nauwelijks is de lakei vertrokken, of Montaigu springt op van zijn stoel en begint de kamer op en neer te lopen. Hij laat zijn hoofd op de borst hangen en is in diep gepeins verzonken.

De vlammen in de haard accentueren de scherpe lijnen van zijn gezicht dat daardoor wreder lijkt dan ooit. Na enkele minuten klinken voetstappen in de gang. De lakei komt binnen met de gevangene, die, zoals de lezers al zullen vermoeden, niemand anders is dan Eglantine.

De verloofde van Raoul de Champ d'Hivers loopt langzaam de zaal in en blijft stilstaan voor Antide de Montaigu. Op haar bleke wangen zijn de sporen van tranen te zien. Haar anders zo mooie ogen staan dof. Antide de Montaigu staat Eglantine onbeweeglijk aan te staren. Hij neemt haar gezicht en haar gestalte goed op, dan zegt hij: ‘jonge dame, luister naar mij.’

Eglantine heft het hoofd op en luistert.

 


 

Eglantine bij Antide de Montaigu

 

119. Eglantine zwijgt en Antide de Montaigu maakt van deze gelegenheid gebruik om het meisje goed te bekijken. Onwillekeurig komt hij onder de bekoring van haar schoonheid en zowaar: een sprankje medeleven ontdooit in hem. ‘U hebt er waarschijnlijk wel iets voor over, om uit dit kasteel te komen?’ vraagt hij.

‘U vergist u, heer!’

‘Wat?

Je realiseert je niet wat het wil zeggen een gevangene van mij te zijn!’

‘Ik ben gelukkig, zolang ik weet dat er eerlijke mannen strijden voor de vrijheid van de Franche-Comté’.

‘Maar dat is fanatisme!’

‘Nee, heer. Dat is liefde voor het land!’

Na een geladen stilte begint Antide de Montaigu weer te spreken: ‘Als u een belofte geeft, houdt u die dan ook?’

Eglantine richt haar hoofd op. ‘Hoe denkt u over mensen die hun beloften niet houden?’ vraagt ze hooghartig.

‘Als ik u de vrijheid geef op voorwaarde dat u aan niemand zult vertellen waar men u heeft gebracht en...’

 ‘U hoeft niet verder te spreken; dat is nutteloos.’

‘Wat bedoelt u daarmee? Dat u dat geheim niet zult kunnen bewaren?’

‘Dat ik het niet zal willen bewaren, heer!’

‘En waarom niet?’

‘Omdat het voor de hele provincie van het grootste belang zal zijn te weten wie de trouwe bondgenoot Antide de Montaigu in werkelijkheid is. En zodra u mij de vrijheid geeft, zal ik dat vertellen aan de vrijheidsstrijders!’

‘Wees voorzichtig, jongedame!’

‘Waarom?’

‘Omdat u de vrijheid waarover u zo graag spreekt op deze manier verspeelt.’

‘Misschien,’ antwoordt Eglantine glimlachend. Antide heeft zich lang genoeg beheerst. Woedend schreeuwt hij: ‘Waar hoop je dan nog op?’

‘Bent u er wel zeker van dat Lacuzon.... Kijk! Waarom wordt u nu plotseling zo bleek?’

 


 

Eglantine moet vertrekken

 

120. Antide laat zich in de stoel vallen en steunt het hoofd in de handen. Tegenstrijdige gevoelens zijn af te lezen van zijn gezicht.

‘Jongedame,’ zegt hij dan. ‘Ik zou je moeten laten doden, omdat je mijn geheim niet wilt bewaren. Maar ik kan de moed daartoe niet opbrengen. Je zult dus gevangene moeten blijven.’

‘Ik zal uw gevangene blijven zo goed als ik zou zijn gestorven, indien u dat had gewild’.

‘Laten we weer tot ons eerste plan terugkeren. Zeker: je zou een uitstekende gijzelaarster zijn.’

Als tot zichzelf sprekend gaat Antide verder: ‘Je kunt natuurlijk niet hier blijven. Je zult moeten vertrekken.’

Eglantine wordt doodsbleek, wanneer zij deze woorden hoort: ‘Vertrekken....’, herhaalt zij. ‘Inderdaad’. En wat wilt u met mij doen?’

‘De hertog van Guébriand, mijn machtige bondgenoot, zal zeker een geschikte gevangenis voor u kunnen vinden.’

‘Dat is goed’, zegt Eglantine die het niet veel kan schelen of zij de gevangene van Guébriand of van Antide de Montaigu is.

‘Ik zal morgen vertrekken.’

‘Nee, niet morgen, jongedame!’

Een rilling trekt door het lichaam van Eglantine. Haar handen beven. ‘Wanneer dan?’ stottert zij.

‘Vannacht. Over enkele minuten!’

‘Vannacht.... o, nee.... dat is onmogelijk’, Ik smeek u: wacht tot morgen.’

Antide de Montaigu werpt Eglantine een verbaasde blik toe. ‘Waarom wil je de nacht hier doorbrengen? Waarop hoop je nog, dwaas kind?’

‘Nergens op, heer.... nergens op.... Ik ben dodelijk vermoeid!’

‘In het Zweedse kamp zult u kunnen uitrusten. Eerst zal men u overbrengen.’

‘Wie?’

‘Dat zult u wel zien!’

 

 


 

De geheime doorgang

 

121. Antide de Montaigu loopt op een schilderij toe dat de baron De Vaudry voorstelt. Hij drukt op een knop die is verborgen tussen de vele ornamenten op de lijst. Een zachte klik komt van achter het schilderij. Angstig wacht Eglantine op de dingen die gaan gebeuren.

Op onzichtbare scharnieren draait het schilderij, tot het een opening in de muur vrijlaat. Eglantine begrijpt dat dit de geheime doorgang is die het kasteel met de buitenwereld verbindt.

Door deze gang konden de bondgenoten van de heer van De Arend die helaas de vijanden zijn van de boeren van de Franche-Comté, in het kasteel komen.

Antide de Montaigu doet een pas naar achteren en kijkt in de gang.

‘Kapitein Brunet’, zegt hij, ‘U kunt komen!’ Dan maakt zich langzaam een figuur los uit de duisternis. Voetstappen weerklinken hol in de gang. Dan kan men onderscheiden wie de gang uitkomt.

 


 

Hoe komt Magui aan die sleutel?

 

122. In plaats van kapitein Brunet, de verschrikkelijke compagnon van Lespinassou, ziet Antide de Montaigu verbaasd een oude vrouw uit het donker naar voren treden. Ze ziet er arm en verwaarloosd uit. Eglantine slaakt een kreet. De heer van het kasteel De Arend doet een stap achteruit.

‘Wie bent u?’

‘Ik ben een arme vrouw en men noemt mij Magui de heks!’

‘En hoe bent u hier gekomen? Om mij mijn geheimen afhandig te maken?’

‘Uw geheimen, heer die ken ik al zolang!’

‘Sinds de dag dat het kasteel de Champ d'Hivers in vlammen opging heb ik geweten wie de man met het zwarte masker was.’ Antide de Montaigu verbleekt, ‘Ik had die naam kunnen verkopen, heer, maar u weet dat ik dat niet heb gedaan.’

‘Maar,’ zegt Antide die zijn emotie tracht te verbergen, ‘hoe bent u tot hier kunnen komen?

Wie heeft u verteld van het bestaan van deze geheime gang? Wie heeft de poort voor u geopend?’

‘Ik zou kunnen zeggen: doordat ik een heks ben. Maar ik vertel u liever de waarheid.’

‘Spreek! Spreek snel!’

‘Kent u deze sleutel, Monseigneur?’

‘Ja,’ antwoordt Antide, ‘die ken ik zelfs heel goed: dat is  de sleutel die de doorgang verleent.’

‘U hebt deze sleutel zelf gegeven aan degene die u op dit uur hier verwacht: Brunet, de kapitein van de Grijzen.’

‘Hoe kan het dat u deze sleutel die ik gisteren aan Brunet gaf, in uw bezit hebt?’ ‘Dat is heel eenvoudig, heer, maar hebt u tijd om naar mijn verhaal te luisteren?’ ‘Ja, maar probeer mij niet te bedriegen!’

‘Ik zal geen woord zeggen dat niet waar is, Monseigneur!’

 


 

Magui doet haar verhaal

 

123. Hoe kon de oude Magui de sleutel bemachtigen die toegang verleende tot het slot en die de heer van het kasteel De Arend persoonlijk aan kapitein Brunet had overhandigd? Dat was heel eenvoudig. Magui vertelt over haar bezoek aan de herberg van Gangônes en over de wijze waarop zij aan haar bewakers wist te ontsnappen. In het bos was Magui getuige van een vechtpartij: Vier bergbewoners streden tegen een overmacht van twaalf Grijzen. Drie bergbewoners werden gedood. De vierde die gewond was, werd als gevangene weggevoerd.

Nauwelijks gingen de Grijzen echter verder of ze werden aangevallen door vijftien bergbewoners. Enkele minuten later moesten de Grijzen vluchten, enkele doden achterlatend. Magui wilde verder gaan, maar zij hoorde één van de gewonden roepen. Het was kapitein Brunet die dodelijk was getroffen en Magui iets had te vertellen had. Hij overhandigde haar de geheime sleutel en vroeg haar deze te brengen naar de heer van het kasteel De Arend.

gehaast.

Hij vroeg haar ook een belangrijke boodschap over te brengen.

‘Wat voor boodschap?’ zegt Antide de Montaigu.

‘Dit zijn de woorden die de kapitein sprak: ‘De tweede en de derde zijn ons ontsnapt. Maar de eerste is in onze macht. Wij leiden hem naar het kasteel van Clairvaux’

‘Ah!’ roept Antide verheugd uit. ‘Dat zijn de woorden die hij heeft gesproken? En u bent daar heel zeker van?

‘Ik ben er zeker van, heer’.

‘En vervolgens?’

‘De kapitein vertelde mij dat u hem verwachtte om tien uur en hij heeft me uitgelegd hoe ik hier kon komen. Door de geheime gang te gebruiken die naar deze salon leidt.

‘Wacht in deze gang tot de heer de Montaigu de deur voor u opent’, zei hij voor hij zijn ogen voor altijd sloot.

 


 

Eglantine blijft

 

124. Als zij haar verhaal heeft beëindigd zegt Magui: ‘Nu ik hier ben, heer, sta ik geheel tot uw beschikking. Ik wacht slechts op uw bevelen. Ik hoop daarmee uw protectie te winnen’.

‘Er zal u niets gebeuren’, zegt Montaigu die Magui nu volkomen vertrouwt. Eglantine heeft niet begrepen wat Magui bedoelde met de woorden

‘De eerste is in onze macht’. Wel voelt zij dat Magui haar niet kwaad gezind is. Brutaalweg vraagt zij nu: ‘Wel, moet ik nog steeds vanavond vertrekken?’

Antide de Montaigu haalt zijn schouders op en zwijgt. Hij weet niet wat hij zal doen.

Magui begint nu te spreken met Eglantine. ‘Jongedame’, zegt ze vriendelijk. ‘Ik ben geen slechte vrouw. Als ik de opdracht krijg je ergens heen te brengen, zal ik dat onvoorwaardelijk naar mijn beste kunnen doen. Ik verzeker je echter dat ik geen kwaad zal doen’.

‘Je zult vanavond niet vertrekken’, zegt dan plotseling Antide de Montaigu. ‘Ik kan je niet toevertrouwen aan deze vrouw die ik weliswaar volkomen vertrouw, maar aan wie je te gemakkelijk zou kunnen ontsnappen. Je zult dus op het kasteel moeten blijven tot morgenavond’.

‘Je verzocht me één nacht om uit te rusten en de omstandigheden noodzaken mij daarmee akkoord te gaan. Doe er je voordeel mee!’ Dan klopt hij op een deur.

De knecht die Eglantine een uur eerder de zaal binnenleidde, treedt binnen. ‘Breng deze jongedame naar haar kamer gebiedt hij. ‘En kijk of de ramen en deuren goed gesloten zijn zodat ze niet kan ontsnappen. Je staat borg voor haar met je leven’ en dan tot Magui: ‘Blijft u nog even. Ik heb u nodig!’

 


 

Wat gebeurt er in die wagen met koren?

 

125. Op de binnenhof van het kasteel heerst een drukkende stilte. De knechten hebben één voor één de plaats verlaten. Enkele uren zijn voorbijgegaan sinds Gerbas het kasteel zingende verliet, een wagen met graan achterlatend. Geen geluid doet zich horen.

Degene die echter op dit ogenblik over de binnenplaats zou hebben gelopen, had daar iets vreemds gezien. Het koren op de wagen beweegt namelijk. Het lijkt of heel voorzichtig iemand onder de last op de wagen uit komt kruipen. Dan verschijnt er een hoofd. Twee schouders duwen ongeduldig de kriebelende aren opzij. Even is  het koren helemaal in beweging.

De man kijkt rond. Dan werkt hij zijn hele lichaam naar boven en even later springt hij op de grond. Inderdaad: dit is Lacuzon die dit fantastische plan heeft uitgedacht om Eglantine uit haar gevangenschap te verlossen. Onbeweeglijk blijft Lacuzon staan. Hij bekijkt het kasteel nauwkeurig. Tussen zijn eenvoudige kleren schittert iets: het is de diamanten egelantier op het medaillon dat Pierre Prost hem gaf en dat hij sindsdien om de hals draagt. Twee pistolen zijn tussen de riem van de vrijheidsstrijder gestoken. Enkele minuten staat hij bewegingsloos, luisterend naar ieder geluid.

 


 

Waar is het verblijf van Eglantine?

 

126. Lacuzon kent deze omgeving goed. Hij kwam hier dikwijls om te spreken met de ‘trouwe bondgenoot’ Antide de Montaigu die altijd ‘waardevolle’ aanwijzingen gaf. Langzaam loopt hij van de wagen vandaan. Achter de twee ramen van de salon ziet hij licht branden. Hij aarzelt even. Maar dan denkt hij plotseling aan de wacht die hier langs moet komen en snel steekt hij de binnenplaats over. Hij heeft een vermoeden van de plaats waar Eglantine zal zijn ondergebracht en daarom loopt bij vastbesloten op een kleine poort toe.

Het hout van deze poort is al gedeeltelijk vergaan. Achter deze deur liggen de vrouwenverblijven. Lacuzon’s ogen die aan de duisternis zijn gewend, zien direct de zwakke plekken in het hout.

Hij trekt zijn dolk te voorschijn en zet die tussen twee planken. Een zacht gekraak klinkt. Alles gaat goed tot nu toe. Maar dan komen de moeilijkheden. Lacuzon’s mes stuit op een harde ondergrond. De deur moet van binnen met ijzer beslagen zijn. Hij begrijpt dat hij nu zijn verdere pogingen bij deze deur wel kan staken.

Langzaam loopt hij langs de muur om de binnenplaats, speurend of er geen enkele oplossing is voor het vraagstuk: hoe kom ik bij Eglantine? De kapitein is de wanhoop nabij door deze tegenslag Zou hij alle moeite voor niets hebben gedaan? Hij staat stil en kijkt omhoog. Alles is echter tevergeefs.

 

 


 

Het slot knarst

 

127. Lacuzon geeft het echter nog niet op. Hij zet zijn onderzoekingstocht voort en mompelt: ‘Zou het dan voor niets zijn dat ik weet wie mijn land zoveel nadeel berokkent? Zal ik dat ooit kunnen bewijzen? En Eglantine, zou ik haar ooit terugzien? Ik zou mijn leven willen geven voor het hare!’

Dan stoot zijn voet tegen de onderste tree van een trap. Lacuzon staat stil en ziet dat de trap leidt naar een soort terras voor het gebouw van de vrouwen. Bijna schreeuwt hij het uit van blijdschap. Opeens herinnert hij zich dat hij deze trap al eerder heeft gezien.

‘Dwaas die ik ben,’ mompelt hij. ‘Dat ik daar niet eerder aan heb gedacht!’

Snel loopt Lacuzon de trap op. Aan het einde van die trap zal hij Eglantine vinden.

Aan het einde van de trap is op dezelfde hoogte als het terras een hek dat de verdere doortocht belemmert. Het hek is gesloten, maar de sleutel steekt nog in het slot. Lacuzon hoeft alleen zijn arm door de tralies te steken om de sleutel te kunnen omdraaien. Het slot blijkt een beetje verroest en het knarst. Even blijft Lacuzon staan om te luisteren of niemand dit geluid heeft gehoord.

 


 

Een deur die op een kier staat

 

128. Lacuzon hoort en ziet niemand. Hij duwt het hek open. Ook de scharnieren kraken. Weer luistert Lacuzon oplettend, maar weer is er niets te horen. Dan besluit Lacuzon de stap te wagen. Snel loopt bij verder over het terras. Dan staat hij voor het gebouw waarin de vrouwen wonen.

Een van de ramen op de eerste verdieping is geopend, ondanks de koude. Er straalt een zwak licht naar buiten.

‘Daar wacht Eglantine op haar bevrijding,’ denkt Lacuzon. Hoopvol loopt hij op de hoofdingang toe.

Hij duwt tegen de deur en merkt tot zijn grote verbazing dat deze open is. Een hoge trap leidt naar boven. Aan het eind straalt een zwak licht. De deur van de kamer op de eerste verdieping die Lacuzon van buiten af heeft gezien, staat open op een kier.

‘Dat is vreemd,’ denkt Lacuzon. ‘Bewaakt men op deze manier zijn gevangenen op het kasteel De Arend?’

Of zou Lacuzon te laat zijn gekomen en zou Eglantine reeds ergens anders zijn ondergebracht?

 


 

De kamer van Eglantine

 

129. Het idee dat Magui hem heeft kunnen verraden, komt geen moment in Lacuzon op. Het is mogelijk dat Eglantine in een andere kamer is ondergebracht. Lacuzon besluit het zekere voor het onzekere te nemen.

Hij gaat de trap op en duwt de deur open. Hij komt in een leeg vertrek dat wordt verlicht door een kaars die op een grote houten tafel staat. Het ameublement van deze kamer is eens heel mooi geweest, maar het verkeert nu in een erbarmelijke staat.

De gordijnen langs de muren, de bekleding van de stoelen, het tapijt op de grond: alles is versleten. Het hout van een groot bed is vermolmd. Het licht van de kaars verlicht een bijbel die opengeslagen op de tafel ligt. Lacuzon uit een zachte kreet.

Op het kasteel De Arend moet Eglantine de enige vrouw zijn die een bijbel heeft en erin leest. Bijna tegelijkertijd ziet hij over een stoel de wijde mantel hangen die Eglantine droeg. Dit is zonder twijfel de kamer van Eglantine.

Maar waar is het meisje zelf?

Lacuzon zet zijn onderzoekingen voort. Hij opent een deur en komt dan in een lange gang waaraan alle andere vrouwenvertrekken grenzen. Hij ziet echter dat deze ontdekking hem niet verder zal helpen. Juist gaat hij in de kamer van Eglantine terug als hij voetstappen hoort op het terras. De stappen komen de trap op. Er is weinig tijd voor Lacuzon om na te denken. Snel verbergt hij zich achter het grote bed.

 


 

Eglantine houdt moed

 

130. Nauwelijks heeft Lacuzon zich verstopt of hij hoort het hek beneden dichtslaan. Hij hoort hoe een sleutel in een roestig slot wordt omgedraaid. ‘Ik geloof dat ik gevangen ben,’ mompelt Lacuzon. Op de trap hoort hij de lichte tred van een vrouw. Het hart van de kapitein bonst wild in zijn keel. Eglantine komt de kamer binnen. De kapitein is op het punt zijn schuilplaats te verlaten.

Maar hij bedenkt nog bijtijds dat het beter is nog even te wachten. Eglantine zou kunnen schrikken en schreeuwen, daardoor zijn plan in de war sturend.

Hij wacht tot degene, die haar hier bracht ver genoeg verwijderd is.

Eglantine komt juist bij Antide de Montaigu vandaan. Zij gaat voor de tafel zitten en neemt de bijbel in haar handen.

Stil zit ze te lezen. Dan staat ze op en loopt naar het geopende venster toe.

Ze kijkt naar buiten en denkt aan Gerbas die ze enkele uren geleden heeft horen zingen: ‘Uw vrienden helpen u altijd waar ge ook zijt! Houd moed en vrees niet!’ 

Dat zijn de woorden die Eglantine deden zeggen dat ze liever niet deze avond het kasteel wilde verlaten.

 

 


 

Lacuzon ontmoet Eglantine

 

131. Lacuzon wacht. Dan denkt hij dat de bediende die Eglantine hier bracht, ver genoeg verwijderd is. Hij komt achter het bed vandaan en fluistert: ‘Eglantine…’

Het meisje draait zich snel om. Met ogen groot van verbazing kijkt zij naar de hoek, van waaruit haar naam werd genoemd. Dan ziet ze Lacuzon. Haar hart bonst van vreugde.

Snel herstelt Eglantine zich van de schrik die Lacuzon's plotselinge verschijning onwillekeurig teweeg heeft gebracht. Zij legt haar vinger tegen haar lippen.

Ze loopt weer op het raam toe en kijkt peinzend naar buiten. Ze ziet de bediende die haar wegbracht, een gebouw aan de overkant binnengaan. Dan sluit ze voorzichtig het raam.

Met glanzende ogen kijkt ze Lacuzon aan. Dan stort ze zich in zijn armen, fluisterend ‘ben je daar eindelijk?’ Lacuzon voelt de zachtheid van haar wangen en de streling van haar haren. Even wil hij haar tegen zich aandrukken alsof ze zijn geliefde was, maar dan bedenkt hij zich: Eglantine is de verloofde van Raoul. Toch houdt hij van haar met zijn hele hart.

 


 

Het vluchtplan

 

132. Lacuzon begint het eerst te praten: ‘Vertel me wat er is gebeurd, sinds je hier werd binnengebracht’, vraagt hij vriendelijk.

Eglantine echter slaat haar ogen neer en zegt zacht: ‘Vertel me eerst hoe het met mijn vader gaat en met.... Raoul’.

‘Je vader is gered’, zegt Lacuzon die niet direct de verschrikkelijke waarheid wil vertellen. ‘En Raoul is in de herberg van Gangônes met Varroz en Marguis. Maar jij? Vertel vlug!’.

‘Maar ik heb weinig te vertellen.... Ik verloor het bewustzijn toen ik in de kelder van het brandende huis lag. Jij hebt me toen gered, nietwaar?’

‘Ja, maar Raoul wilde dwars door de vlammen heen naar je toegaan. Met de grootste moeite konden we hem tegenhouden’, antwoordt Lacuzon op de onuitgesproken vraag over Raoul. Dan vertelt Eglantine hoe ze in het kasteel De Arend is gebracht en hoe zij naar Antide de Montaigu werd gevoerd.

Die besloot haar tot zijn gevangene te maken.

‘Dus die Montaigu is werkelijk een verrader?’

‘Een valse en laffe verrader die misbruik maakt van jullie vertrouwen!’

‘Maar waarom? Zou hij verwachten dat Lodewijk XIII en Richelieu de Franche-Comté van hem zullen kopen?’

Even heerst er een stilte in het vertrek.

Dan zegt Lacuzon. ‘Later zal ik mijn rekeningen met deze man vereffenen. Nu moeten we zien te vluchten’.

‘Ja, maar hoe?’

‘Het zal niet gemakkelijk gaan, maar ik heb een plan. Ik weet waar de muur het laagst is. Als men over de muur is, komt men op een soort plateau en als men eenmaal op dat plateau is dan is ontsnappen niet moeilijk’.

‘Maar hoe komen we over die muur heen op dat plateau?’

‘Daar heb ik al aan gedacht. Kijk.’ De kapitein laat een stuk touw zien dat hij onder zijn jas om zijn middel had gewonden.

 


 

De rol van Magui

 

133. Eglantine vertelt dan aan Lacuzon hoe het komt dat zij nu nog op het kasteel is. ‘De man die Antide de Montaigu verwachtte is gedood. Kapitein Brunet heette hij geloof ik...’

‘Brunet? De kapitein van de Grijzen? Wie vertelde dat nieuws?’

‘Een oude vrouw die zich de heks noemt en die Brunet voor hij stierf gesproken heeft.’

‘Een oude vrouw die zich de heks noemt! Hoe heette ze?’ ‘Magui!’ ‘Dat is vreemd!’

‘Waarom?’

‘Ik heb Magui achtergelaten in de herberg van Gangônes toen ik vertrok.’

‘Zij is op het ogenblik bij Antide de Montaigu’.

‘Wat doet zij daar?’

‘Wel, eerst dacht ik dat zij een verraadster was in dienst van Antide de Montaigu, maar ik merkte dat hij haar helemaal niet kende. Zij keek mij steeds aan alsof ze me wilde geruststellen en alsof ze me kende’.

‘Maar ze kent je ook! Zij is het die je hierheen heeft gebracht!’

‘Zij .... ?’ herhaalt Eglantine verbaasd.

‘Ja, zij! En ik kan niet geloven dat zij ons nu verraadt!’

‘Zij heeft ons reeds grote diensten bewezen,’ gaat Lacuzon verder. ‘Zij heeft Raoul naar de herberg van Gangônes gebracht, nadat zij zijn leven had gered’. ‘Wat!’ roept Eglantine.

‘Zij heeft Raoul gered, de goede vrouw! Je moet beslist niet verder aan haar te twijfelen!’

‘Je hebt gelijk,’ zegt Lacuzon. ‘Ik ben er zeker van dat zij hier is gekomen om mij te helpen. Ik verwacht dat ze mij op zekere dag een groot geheim zal vertellen’.

‘Ja,’ mompelt Eglantine. ‘Maar ik hoop dat het niet op dit kasteel zal zijn dat die geheimen worden onthuld’.

 


 

Wie is die geest op de toren?

 

134. ‘Er gebeuren hier geheimzinnige dingen’, zegt Eglantine dan.

‘Vertel er eens iets over’, vraagt Lacuzon.

‘Er gebeuren vreemde dingen op dit kasteel. Toen ik hier kwam, leek het of er klaagzangen oprezen vanuit de aarde. En 's avonds zingt een weemoedige stem een droevige ballade in de toren. 's Nachts verschijnt er een gedaante in witte klederen op de transen van de toren.

‘Heb je die gezien?’

‘Ja, vlak nadat ik de stem van Gerbas had gehoord, wandelde de ‘geest’ langer dan een uur onder de grote bomen op het bordes.’

‘Dus’, mompelt Lacuzon, ‘het was geen hersenschim. De ‘geest’ op de toren bestaat dus.

‘Het is een vrouw, daar ben ik zeker van. Een vrouw die leeft en lijdt en de stemmen die uit de aarde schijnen omhoog te rijzen, getuigen van andere misdaden!’

De kapitein zwijgt enkele ogenblikken. Dan zegt hij:

‘Ah, graaf van Montaigu, heer van het kasteel De Arend, edele schurk, eens komt er een dag -en die dag is misschien dichter bij dan u denkt- dat ik terugkom in dit kasteel!’

Lacuzon is vergeten dat er iemand naar hem luistert. Hij spreekt slechts tot zichzelf: ‘Eens kom ik terug, met een zwaard in de ene hand en een brandende toorts in de andere. Dan zullen uw ondergrondse gevangenissen hun geheimen prijs moeten geven. Het uur is nabij!’

‘Maar op dit moment is er slechts één ding dat van belang is: het kasteel ontvluchten. Ik zal je langs dit koord uit het raam laten zakken’, zegt Lacuzon nu tot Eglantine. ‘Heb je al een bezoek gebracht aan de andere vertrekken die aan het jouwe grenzen?’

‘Nee, ik durfde deze kamer niet te verlaten!’

‘Dan zullen we samen op onderzoek uitgaan’. Lacuzon neemt de lamp en opent de tweede deur, op de voet gevolgd door Eglantine.

 


 

De poort naar het binnenhof

 

135. Nadat ze alle kamers die op de gang uitkomen, hebben geïnspecteerd en nergens iets vreemds hebben kunnen ontdekken, komen ze in het laatste vertrek. Daar is een geopende deur die uitkomt op een trap.

‘Dit moet de trap zijn die op de binnenplaats uitkomt,’ zegt Lacuzon.

Ze lopen de trap af en komen dan bij het vermolmde poortje dat Lacuzon tevergeefs van buiten af open heeft proberen te maken.

Lacuzon bestudeert het slot.  Een sleutel is nergens te zien, maar dat is ook niet nodig. De deur wordt gesloten met een grote balk die een sterke man vrij gemakkelijk kan verwijderen.

Lacuzon trekt de balk weg en zonder moeite kan de deur nu geopend worden. De poort blijkt inderdaad toegang te verlenen tot de binnenhof.

Lacuzon blijft stilstaan in de deuropening. Hij luistert of het gekraak van de balk hen niet heeft verraden en kijkt of de binnenplaats inderdaad zo verlaten is als men zou vermoeden. Er is echter niets verdachts op de hof. Het is doodstil en alleen achter het raam van de kamer van Antide de Montaigu brandt nog steeds licht.

‘Kom,’ zegt Lacuzon tegen zijn nicht, ‘volg mij en maak vooral geen geluid. Loop alsof je slechts een schaduw was!’

 

 


 

Er klinkt een stoot op een hoorn

 

136. Eglantine loopt achter Lacuzon aan de binnenplaats op. Nauwelijks is ze echter de drempel over of de wind zorgt voor een onaangename verrassing. Met een harde klap valt de deur achter Eglantine dicht. De twee vluchtelingen verstijven van schrik.

‘Daarmee heb ik geen rekening gehouden,’ mompelt Lacuzon. Hij weet dat hij, wil hij niet worden ontdekt, nu snel maatregelen moet nemen.

Hij neemt Eglantine bij de hand en holt met haar naar het gewelf waardoor ze op het pad kunnen komen dat op de muur van het kasteel achter de schietgaten langsloopt.

‘Het is mogelijk dat er een soldaat op de muur staat,’ zegt Lacuzon. In dat geval zal er gevochten moeten worden.

Snel geeft hij Eglantine enkele aanwijzingen over wat zij in dat geval zal moeten doen.

‘Als alles goed gaat,’ zo besluit hij, ‘laat ik je aan het koord van de muur zakken.

Dan horen Lacuzon en Eglantine plotseling een stoot op een hoorn. Het klinkt van dichtbij. Verschrikt kijkt Lacuzon op.

‘Wat is dat? Welke gast zou op dit uur in het kasteel kunnen arriveren?’ mompelt hij.

‘Vannacht heb ik hetzelfde geluid gehoord,’ zegt Eglantine. ‘Het was alleen iets later. De poorten werden geopend en binnen enkele minuten was de binnenhof vol soldaten en paarden.

‘We kunnen hier in geen geval blijven staan en we zullen ons zo vlug mogelijk moeten verbergen!’

 

 


 

Verstopt

 

137. Het is een kritiek moment. Als Eglantine en Lacuzon nog een paar seconden op de binnenplaats blijven, zullen zij zeker worden ontdekt.

‘Waar moeten we ons verbergen?’ fluistert Lacuzon gejaagd. ‘De deur die naar de vrouwenvertrekken leidt is achter ons dichtgeslagen’.

‘We moeten opschieten’, fluistert het meisje angstig.

‘Misschien kunnen we nog snel de muur bereiken’, zegt Lacuzon.

‘Onmogelijk’, zegt Eglantine beslist.

De mannen komen via de weg op de muur in het gewelf!’ Dan valt Lacuzon’s blik op de grote regenbak in het midden van de hof. De bak waarbij Gerbas zijn wagen liet staan...

‘We zijn gered!’ roept Lacuzon uit.

‘Hoe?’ vraagt Eglantine wanhopig.

‘Er staat heel weinig water in die put’.

‘En wat zou dat?’

‘Wel, ik zal in de put afdalen. Het water zal wel koud zijn, maar ik heb er een koud bad voor over’. Hij pakt een ladder die tegen een muur staat en vervolgt:

‘Als het gevaar voorbij is kom je weer bij mij’.

Eglantine vraagt ongerust: ‘En ik? Wat moet ik doen?’

‘Jij holt de trap op die naar het bordes gaat. ‘Er staan bomen en de mannen zullen er zeker niet komen. Je verstopt je achter een boom en als de soldaten zijn vertrokken kun je weer tevoorschijn komen’.

‘Kan ik niet bij je blijven?’

‘Nee. We zullen samen veel eerder worden ontdekt en bovendien hebben we nu vijftig procent meer kans dat in ieder geval één van ons de dans zal ontspringen.’

 

 


 

In de regenput

 

138. Eglantine voelt zich gerustgesteld door de uitleg van Lacuzon.

Inderdaad: als zij wordt ontdekt is het enige risico dat zij loopt dat zij weer zal worden opgesloten en opnieuw zal moeten wachten op een bevrijding. Want dat zij weer bevrijd zal worden staat voor haar vast. Als de Montaigu hen echter samen zou treffen, zou hij alles in het werk stellen om te verhinderen dat zij het kasteel weer uitkomen. De zo zorgvuldig gemaakte plannen mogen niet uitlekken. En de Montaigu zal omdat te verhinderen, geen enkele maatregel schuwen!

Lacuzon spreekt met Eglantine af dat zij de ladder op zal halen als Lacuzon haar daartoe een teken geeft. Eglantine zal daarna naar het bordes gaan om zich te verbergen. Langzaam daalt Lacuzon af. Met zijn handen tast hij langs de wand, zoekend naar enig

houvast. Boven hem staat Eglantine. Gespannen tuurt zij in de put; door de duisternis ziet zij echter niets.

Dan ontmoet de hand van Lacuzon een uitsteeksel.

Hij tast en merkt dat dit een rand is die om de hele put loopt.

‘Haal de ladder op!’ roept hij, nadat hij zijn voet op deze rand heeft gezet.

Hij voelt zich echter niet erg gerust. Wat zullen de gevolgen zijn van deze gewaagde onderneming. Het verraad! Dit woord en de fatale betekenis ervan dringt zich opeens aan hem op. Tot vandaag sprak men van loyaliteit en van vrijheidslievendheid, van een vrij Franche-Comté en nu dit grote verraad dat fataal zal kunnen zijn.... en de eerste medeplichtige aan dit verraad blijkt een vooraanstaande vrijheidsstrijder te zijn!

 


 

De gevangene in de regenput

 

139. De regenput blijkt bijzonder groot te zijn. Wanneer de ogen van Lacuzon aan de duisternis zijn gewend, bespeurt hij een enorm onderaards gewelf dat de hele ruimte onder de binnenhof inneemt. Langs de hele muur loopt een brede richel, bijna een pad. Enkele minuten zijn reeds verlopen sinds Eglantine de ladder ophaalde. Dan hoort Lacuzon plotseling een geluid dat het bloed in zijn aderen doet stollen. Hij hoort iemand zwaar zuchten.

Een jammerklacht weerklinkt door het gewelf. Lacuzon denkt dat hij zich iets verbeeldt. Toch blijft hij oplettend staan luisteren. Het zuchten gaat echter door. Dan hoort hij een zacht gesnik. Er is nu geen twijfel meer mogelijk. Hier, dicht bij hem, is een mens die lijdt. Een mens die het slachtoffer is geworden van de slechtheid van Antide de Montaigu.

Dan hoort Lacuzon nog een ander geluid. Dat van een lichaam dat zich moeizaam voortbeweegt.

Dan herinnert de kapitein zich plotseling de woorden van Eglantine die vertelde dat 's nachts klaagzangen opstegen die vanuit de aarde leken te komen. De stappen komen hoe langer hoe dichterbij.

Lacuzon voelt een onberedeneerbare angst. Een windvlaag strijkt langs zijn gezicht. Hij wil vluchten, maar dat is onmogelijk. Lacuzon blijft op de richel staan, dicht tegen de muur gedrukt. Dan ziet hij de plooi van een kledingstuk vlak bij zich. Hij voelt een menselijke adem over zijn gezicht strijken en twee vurige ogen kijken hem aan.

 

 


 

De gevangenis van een onbekende

 

140. Een langzame stem vraagt op vlakke toon: ‘Wie bent u?’ Nu Lacuzon zeker weet dat hij met een mens te doen heeft, maakt een grote opluchting zich van hem meester. Weliswaar is hij nog steeds verbaasd, maar bang is hij niet meer. Is degene die tot hem sprak een vriend of een vijand? ‘Wie bent u zelf? ‘ vraagt hij. ‘Weet ik niet’ mompelt de stem. ‘Nee, dat weet ik niet’. ‘Wat komt u hier doen? Waarom komt u onnodig een gevangene wekken? ‘

‘Wat’, roept Lacuzon, ‘u bent een gevangene?’

‘Probeer me niet te bedriegen’, gaat de man onverstoorbaar verder. ‘Als u wordt gestuurd door Antide de Montaigu, mijn doodsvijand en als u de opdracht heeft mij te doden, doe dat dan nu. De hand die doodt is ook de hand die bevrijdt. ‘ Lacuzon wil juist antwoorden als een geluid van wapenen en paarden tot beneden in de put doordringt.

‘Wees stil’ fluistert Lacuzon.

‘Wie bent u?’ vraagt de stem weer, maar nu zachter. Wellicht uw redder, maar wees nu stil. Als ze ons hier ontdekken zijn we beiden verloren.’ ‘Laten we dan naar mijn cel gaan.’

Lacuzon voelt een hand die de zijne neemt. Langzaam loopt hij mee.

Lacuzon ontdekt al spoedig een vrij grote opening in de rotswand. Dat is de gevangenis van de onbekende.

‘We zijn er’, zegt deze.

‘Daar ligt een bos stro. U kunt erop gaan zitten als u dat wilt. Het is hier minder koud dan in de put. Maar ik zie dat u jong bent en de jeugd heeft minder last van de kou dan oudere mensen.’

‘Hoe kunt u zien dat ik jong ben?’

‘Mijn ogen zijn gewend aan de duisternis; ik slijt mijn leven in de duisternis van deze cel.’

 

 


 

Twintig jaar

 

141 ‘U bent dus al lang gevangene?’ vraagt Lacuzon.

‘Reeds twintig jaar.’

‘Twintig jaar,’ herhaalt Lacuzon ontzet.

‘Kunt u begrijpen wat ik heb geleden in deze twintig jaar? Ja, ik heb verschrikkelijk geleden. Ieder ander was krankzinnig geworden van deze geestelijke marteling. Maar bij mij is alles intact gebleven: de geest, de gedachten  ...... over alles heb ik gewaakt, de spijt, de verwachting, de haat ...... O, al die lange uren waarin ik heb gewenst dat de dood zou komen om me weg te halen uit deze verschrikking!’

‘Hoe vaak,’ gaat de oude man verder, ‘heb ik me moeten weerhouden om niet met mijn hoofd tegen de muur te lopen. Alleen de haat gaf mij de kracht om te leven. ‘Even zwijgt de vreemdeling, overweldigd door emoties. Dan gaat hij verder: ‘Jongeman, mijn opgewondenheid zal je wel vreemd

voorkomen en ik denk niet dat je mij begrijpt. Maar ik heb twintig jaar lang geen gezicht gezien.’

‘Zelfs zag ik nooit het gezicht van de gevangenbewaarder, want het luikje waardoor mij mijn eten wordt aangereikt, wordt nooit verder dan op een kier geopend. In twintig jaar heb ik geen mens een hand kunnen geven en ziedaar: er komt plotseling iemand die me zijn vriendenhand biedt, want u bent mijn vriend, omdat ook u een vijand van Antide de Montaigu bent!’

‘Ja, zijn vijand,’ zegt Lacuzon peinzend, ‘zijn grootste vijand!’

‘Na mij,’ zegt de gevangene zacht.

‘En onze rekening met hem zal spoedig vereffend worden!’

‘Dat zegt u goed, ik zal gelukkig sterven als deze twintig jaar worden gewroken.’

 


 

De vreemdeling vraagt

 

142. Na een ogenblik stilte zegt Lacuzon: ‘Het is een toeval dat mij tot U bracht. Zeker: als dat maar enigszins mogelijk is, zal ik u de vrijheid teruggeven. Maar ik denk toch vóór alles aan degene, voor wie ik hier ben gekomen en die zeker ook zal helpen te ontvluchten’.

‘Is het misschien een vrouw die u naar het kasteel De Arend voerde’, vraagt de gevangene.

‘Ja, een vrouw’.

‘Een jong meisje, niet waar?’

‘Ja’

‘En zij werd hierheen gebracht door  een schurk die haar als gijzelaarster uitleverde aan Antide de Montaigu?’

‘Inderdaad!’ roept Lacuzon verbaasd uit, ‘maar hoe kunt u dat weten?’             

‘Vindt u het vreemd dat ik dit alles weet? Ik kan u nog veel meer vertellen. Ik weet zelfs wie u bent! En toch heb ik u nooit eerder gezien’.

Lacuzon is te verbaasd om iets te kunnen zeggen. ‘Er is slechts één man’, zo gaat de vreemdeling verder, ‘die zich op deze wijze in het hol van de leeuw zou durven wagen. Er is ook maar één man die dit zou doen om Eglantine te bevrijden.’

‘Eglantine’ herhaalt Lacuzon als in een droom. ‘En deze man is Jean Claude Prost dat is kapitein Lacuzon.’

De kapitein kan niet antwoorden.

‘Zeg me dat ik me niet heb vergist’, vraagt de gevangene.

En als Lacuzon blijft zwijgen zegt hij bedroefd: ‘Héér, heb ik me vergist? Ik weet dat het de nicht van Lacuzon is die op dit kasteel gevangen wordt gehouden. En ik weet ook dat dit meisje verwacht dat iemand haar zal bevrijden. Zeg me toch, heb ik me vergist?’

‘Nee’, antwoordt Lacuzon. ‘Ik ben inderdaad Jean-Claude Prost!’

 


 

Luister bij deze muur

 

143. Nu Lacuzon weet dat hij de ander kan vertrouwen, vertelt hij hoe hij in de put is gekomen. ‘Het was de stoot op de hoorn die mij hierheen deed vluchten.’

‘De stoot op de hoorn zegt de oude man.’

‘Gisteren had Antide de Montaigu een lang onderhoud met een man die u zeker kent. Toen ze uit elkaar gingen zeiden ze: tot morgen.’ 

‘Maar hoe kunt u alles weten wat er in het kasteel plaatsvindt?’

‘Ik zal het u vertellen.’ De oude man neemt de hand van de kapitein en brengt hem naar een van de hoeken van het hol.

Lacuzon begrijpt hoe langer hoe minder zijn vreemde metgezel. Hoe kan deze man die in twintig jaar het daglicht niet heeft gezien, die nooit met iemand spreekt, al deze bijzonderheden over het kasteel weten?

Ja, deze man weet zelfs dingen over gebeurtenissen in de provincie.

‘Leg uw oor tegen deze muur’, zegt de onbekende. Lacuzon gehoorzaamt. Hij hoort twee stemmen.

Een van deze stemmen –Lacuzon twijfelt daar geen moment aan- behoort aan Antide de Montaigu. Als hij op dit moment in de kamer van De Montaigu  zou zitten, zou hij het gesprek niet beter kunnen verstaan. Zo duidelijk klinkt alles wat daarbinnen wordt gezegd.

‘Wat heeft dit alles te betekenen?’ vraagt hij.

‘Ik zal alles uitleggen’, zegt de gevangene, ‘maar luister nu naar datgene wat daarbinnen wordt besproken. Want ik zou me al heel sterk moeten vergissen als u daarin niet hevig geïnteresseerd zou zijn.’

Lacuzon legt zijn oor weer tegen de muur en luistert oplettend toe.

 


 

Waarom gaat Antide naar de binnenplaats?

 

144. We zijn nu weer in de salon van Antide de Montaigu, de heer van het kasteel De Arend, enkele minuten voordat de hoornstoot het kasteel in rep en roer zal brengen. Antide de Montaigu zit bij het vuur en op een stuk papier dat voor hem op tafel ligt, tekent hij bizarre figuren. Vlak voor hem staat Magui, de heks, schijnbaar rustig en ongeïnteresseerd, maar in werkelijkheid elke verandering op het gezicht van Antide de Montaigu bestuderend.

Dan klinkt opeens het geluid van de hoorn in de salon door. De Montaigu schuift haastig zijn stoel achteruit en drukt op de knop naast het schilderij waardoor de geheime gang weer zichtbaar wordt waardoor Magui

enkele uren geleden bij De Montaigu kon komen.

‘Vrouw’, zegt dan Antide de Montaigu, ‘ik ben van plan u een grote opdracht te geven waarvoor veel intelligentie nodig zal zijn. Maar nu is het beter dat u zolang in deze gang blijft en wacht tot ik u roep.’

‘Vergeet mij dan niet’, smeekt Magui.

‘Wat dat betreft kunt u gerust zijn’, zegt De Montaigu  hooghartig.

Als het schilderij weer achter Magui is gesloten, roep De Montaigu de knecht binnen die Eglantine de zaal had binnengeleid. De man heeft een lantaarn bij zich. De twee mannen verlaten de zaal en gaan de trap af die naar de binnenplaats leidt.

 


 

De aankomst van een ruiter

 

145. Antide de Montaigu roept iets naar de wachters op de muur. Dan geeft hij bevel om de brug neer te laten. Even later verbreekt het geratel van de kettingen die de brug dragen de stilte van de nacht. Dan is er weer de immense stilte van enkele minuten tevoren. Niets verraadt dat daarbuiten mensen staan. Antide heeft zorgvuldig voorzorgsmaatregelen genomen, zodat niemand van zijn plannen op de hoogte kan komen!

Dan rijdt een ruiter de poort binnen. Hij is gehuld in een donkerbruine mantel en wordt geëscorteerd door een tiental soldaten.

De bezoeker en Antide de Montaigu begroeten elkaar zonder een woord te spreken. Dan gaan de mannen naar de weg die achter de schietgaten loopt.

De brug is weer opgehaald. Slechts voorafgegaan door de lakei die de lantaarn draagt, lopen de mannen de binnenhof over en gaan de trappen op die naar de salon van Antide de Montaigu leiden. Op de binnenhof is het geluid te horen van mannen die gedempt spreken en van paarden die ongeduldig met hun hoeven over de straatstenen schrapen

 


 

Het gesprek met de hertog van Guébriant

 

146. Als de twee mannen eenmaal in de salon zijn, laat de late bezoeker de mantel van zijn schouders glijden. Antide de Montaigu biedt hem een stoel aan en dan zegt hij op hartelijke toon: ‘Hertog van Guébriant, wees welkom’.

‘De vertegenwoordiger van Zijne Majesteit de Koning van Frankrijk verheugt zich dat hij welkom is bij de gouverneur van het graafschap Bourgogne!’ antwoordt de hertog, terwijl hij de laatste vijf woorden beklemtoont.

Als hij deze titel hoort uitspreken, de titel waar hij zo hartstochtelijk naar heeft verlangd, begint Antide de Montaigu te beven en zijn gezicht wordt donkerrood van vreugde

‘Gouverneur van het graafschap Bourgogne?’ herhaalt hij. 

‘Ja’, antwoordt de hertog van Guébriant, ‘en dat

houdt in dat u aan het hoofd staat van ‘Saint-Claude, Lons- le-Saunier, Dôle, Salins en Nozeroy’. ‘Dus’, roept Antide uit, ‘kardinaal Richelieu verwaardigt zich eindelijk toe te stemmen....’

De hertog van Guébriant valt de heer van het kasteel De Arend in de rede. ‘Graaf van Montaigu’, zegt hij, ‘om geen misverstanden te wekken is het nodig om nog eens over enkele dingen te praten die zijn gebeurd sedert het begin van onze samenwerking’.

‘Waarvoor is dat nodig? We hebben alles toch besproken?’

‘Zeker, maar ik geloof dat er enkele punten waren waarover wij van mening verschilden en ik geloof dat het goed is nog eens over deze punten te spreken.

 


 

Het verwijt aan Antide de Montaigu

 

147. Het gesprek tussen de heer van het kasteel De Arend en de hertog van Guébriant is lang. De mannen kunnen moeilijk tot overeenstemming komen. Inderdaad, het gedrag van Antide de Montaigu is streng beoordeeld aan het Franse hof en Guébriant verbergt dat niet. ‘Men verwijt u dat u zo langzaam werkt wat betreft het driemanschap Lacuzon, Varroz en Marquis. U geniet hun vertrouwen; de gedachte aan verraad komt niet in hen op. En u hebt sinds de zes maanden dat u met ons samen werkt al twintig keer de gelegenheid gehad om deze mannen gevangen te nemen en hen aan ons over te leveren.

Wat is toch de oorzaak van deze langzame reactie?’

‘Dat is niet moeilijk te verklaren: Inderdaad meermalen had ik de gelegenheid om  Lacuzon en de andere twee leden van het driemanschap te overmeesteren en hen uit te leveren. Maar wat had ik

daaraan? Ik zou met handen en voeten gebonden zijn aan uw stilzwijgen en aan dat van de koning en kardinaal Richelieu. En dat is wat ik niet heb gewild. Als de dienst eenmaal is bewezen, vergeet de koning dikwijls zijn dienaar’.

‘Seigneur’, roept Guébriant bijtend uit,‘deze twijfel aan de koning is een rechtstreekse belediging!’

‘Deze belediging is echter niet bedoeld voor u’. Handig pareert De Montaigu de antwoorden van zijn partner. Hij leidt het gesprek in andere banen en eindelijk kan hij beginnen over datgene wat hij zo graag wil horen.

‘De titel waarover u sprak, vlak nadat u hier was binnengekomen, doet mij geloven dat er nu eindelijk een beslissing is genomen. Maar ik zou graag meer zekerheid hierover willen hebben en de bewijzen willen zien.’

 

 


 

Instructies van kardinaal Richelieu

 

148. De hertog van Guébriant haalt een papier te voorschijn uit een enveloppe. Hij overhandigt de brief aan de heer van het kasteel De Arend en zegt: ‘Hier is het bewijs’.

Snel neemt Antide de Montaigu het papier aan. Hij ontvouwt het en vliegt met zijn blikken langs de regels. Het is een boodschap, verzonden door de hertog van Saxen-Weimar, aan de hertog van Guébriant.

‘Deze brief,’ zegt de Montaigu, ‘kondigt een andere brief aan van kardinaal Richelieu die direct aan mij verzonden zal worden.

‘Juist, heer. En hier is die brief, hoewel de instructies die ik heb ontvangen mij voorschrijven u deze brief pas te overhandigen, nadat u al uw beloften nagekomen bent. Maar u hebt mij vertrouwen ingeboezemd’.

De heer van het kasteel De Arend verbreekt de rode lakzegels die de enveloppe gesloten hielden. Hij ontvouwt de brief en leest. De uitdrukking op zijn gezicht wordt hoe langer hoe opgewekter en als hij de brief helemaal heeft uitgelezen roept hij uit: ‘Hertog van Guébriant, u weet wat erin deze brief staat, niet waar?

Ik ben gelukkig dat ik daarin de loyaliteit van de kardinaal Richelieu, de hertog van Saxen-Weimar en de uwe heb kunnen lezen. Morgen zal ik mijn plichten vervullen. Overigens heb ik nu reeds goed nieuws voor u: een van de leden van het driemanschap is reeds in onze macht!’

‘Lacuzon?’ roept de hertog van Guébriant uit. ‘Nee, niet Lacuzon of Varroz, de eerste en tweede konden ons ontsnappen. Maar de derde hebben we in onze macht: pater Marquis is onze gevangene’.

‘Inderdaad dat is een belangrijk en goed bericht. Kunt u mij over de gevangenneming niet enkele bijzonderheden vertellen? En wat zijn uw verdere plannen?’

‘Enkele Grijzen hebben Marquis gevangengenomen en ik gaf hun bevel de gevangene direct over te brengen naar het kasteel van Clairvaux waar de hertog van Bauffremont, onze bondgenoot, zich over hem kon ontfermen. Mijn plannen zijn u duidelijk: Ik zal u binnenkort Lacuzon en Varroz uitleveren. Maar de gevangenneming zal niet gemakkelijk zijn’.

‘Waar zijn zij?’

‘In de herberg van Gangônes.’

 


 

De ‘Judas’

 

149. ‘Ik wil een voorstel doen’, begint Guébriant opnieuw het gesprek. ‘Ik ben geen diplomaat, alleen maar een goed soldaat. Varroz en Lacuzon zijn onze vijanden, maar het zijn goede mensen en ik wil dat zij een eerlijke dood sterven, zoals zij verdienen, op het slagveld met de wapenen in de hand. Is dat niet mogelijk, in plaats van een smartelijke dood op een brandstapel? We kunnen naar de herberg van Gangônes gaan met een klein leger en hen daar overvallen’. Antide de Montaigu glimlacht. Het is goed bedacht, maar volkomen onmogelijk’, zegt hij. ‘U moet namelijk weten dat de herberg van Gangônes wordt gevormd door een complex van rotsblokken en grotten. Deze plaats is onneembaar, zelfs al zouden we de plaats lang omsingelen. Bovendien heeft de herberg geheime ingangen die alleen bekend zijn aan Varroz, Marquis en Lacuzon. Als we dus de herberg zouden omsingelen, hebben we grote kans dat de mensen ontsnappen en ons in de rug aanvallen.’

‘Ik begrijp het. We kunnen alleen onze toevlucht nemen tot een list. En hoe bent u van plan te werk te gaan?’

‘Ik weet het nog niet. Mijn plan zal worden bepaald

door de omstandigheden. Het lijkt me niet moeilijk om mannen die geen enkel wantrouwen koesteren, in een wat afgelegen vertrek te krijgen....’

‘Judas’, mompelt Guébriant met afschuw, maar zo zacht dat de ander het niet kan horen.

‘Tot morgen’, gaat Antide de Montaigu verder. ‘Het is reeds middernacht geweest. Ik moet aan het werk’.

‘Ik moet nog even een boodschap schrijven voor de hertog van Bauffremont waarin ik hem op het hart wil binden vooral goed op Marquis te letten.’ Al sprekende neemt Antide de Montaigu de ganzenveer op. Hij staart op de lijnen die hij enkele uren geleden op het papier heeft getrokken. En wie zal deze brief wegbrengen?’

‘Een vrouw die ik volkomen kan vertrouwen. Haar kan niets gebeuren en al zou zij de brief verliezen: niemand zou er zijn voordeel mee kunnen doen, want ik heb hem geschreven in tekens die slechts bekend zijn aan de hertog en mij’.

‘Ik bewonder de voorzichtigheid die u in alles wat u doet aan de dag legt’.

 

 


 

Magui krijgt een opdracht

 

150. Nadat hij zijn brief herlezen heeft en in een enveloppe heeft gedaan, drukt hij op de knop naast het schilderij en roept Magui. Zij komt direct. ‘U kunt nu bewijzen dat het u werkelijk ernst is ons te helpen. Bent u in staat nu direct af te reizen?’

‘Dat ben ik’.

‘Hoeveel tijd hebt u nodig om in Clairvaux te komen?’

‘Vier uur’

‘Dus u kunt er voor het dag wordt arriveren?’

‘Ja’.

‘Dat is goed. Neem deze brief en overhandig hem aan de hertog van Bauffremont persoonlijk’.

‘Ik zal de brief in mijn bedeltas doen, daar zal niemand hem zoeken. Maar er blijft één moeilijkheid: men zal mij, een heks, niet bij de hertog toelaten’.

‘Dat is waar. Neem deze ring, toon hem aan de wacht en zeg dat u door mij bent gezonden. Alle moeilijkheden zullen dan uit de weg worden geruimd. U zegt tegen de hertog dat u op antwoord moet wachten. U brengt dat antwoord naar mij, nadat u enkele uren hebt gerust’. En door welke poort moet ik binnenkomen als ik ben teruggekeerd?

’Door het kleine poortje. Hier is de sleutel.’

Magui verdwijnt in de geheime gang en het schilderij wordt achter haar gesloten. ‘Graaf van Montaigu’, zegt dan de hertog van Guébriant, ‘ik geloof dat we ons gesprek als beëindigd kunnen beschouwen’.

‘We zijn het nu over alle punten eens’.

‘Dat verheugt mij. En ik zal mij haasten te bewijzen dat ik het vertrouwen van de koning en de kardinaal niet beschaam’.

‘Het hangt geheel van u zelf af of u spoedig gouverneur van Bourgogne zal zijn. Dat zal gebeuren als de Franche-Comté een Franse provincie is geworden’. ‘Binnen drie maanden zal de Franche-Comté een Franse provincie zijn’.

‘Wilt u nu orders geven dat mijn mensen zich gereed moeten maken?’

De heer van het kasteel De Arend roept een knecht binnen en geeft hem een opdracht. De man verdwijnt haastig in de richting van de binnenhof. Enkele minuten later verlaat de hertog van Guébriant die tot aan de ophaalbrug wordt vergezeld door Antide de Montaigu, het kasteel De Arend.

 


 

Naar de vrijheid

 

151. Lacuzon en de gevangene hebben, zonder ook maar één woord te missen, het lange gesprek tussen Antide de Montaigu en de hertog van Guébriant verstaan. De kapitein heeft zich moeten beheersen om het niet uit te schreeuwen van woede en verontwaardiging. Bij het nieuws dat Marquis gevangen is genomen sprong hij op, maar de oude man kalmeerde hem door te zeggen dat het nu toch niet zo moeilijk zou zijn de trouwe bondgenoot te bevrijden. De verschijning van Magui is onverklaarbaar. Lacuzon is er echter zeker van dat zij niet de rol van verraadster speelt, want hoewel Lacuzon op het kasteel is, heeft zij hier klaarblijkelijk niets over gezegd.

‘Hoe is het mogelijk dat wij hier alles verstaan wat in de salon van Antide de Montaigu wordt besproken?’ vraagt Lacuzon.

‘Dat heb ik me ook dikwijls afgevraagd. Het is

opmerkelijk dat we alleen dan iets kunnen horen, wanneer we onze oren tegen de muur leggen. Ik denk dat een muur of een gedeelte van een muur van de kamer van De Montaigu aan dit hol grenst. Een deskundige zou het waarschijnlijk beter kunnen verklaren dan ik.

‘Later zal ik u vertellen welke gebeurtenissen mij - na een verschrikkelijke nacht - tot de ontdekking deden komen dat ik op deze wijze gesprekken af kan luisteren. Maar nu moeten we slechts denken aan de manier waarop we het kasteel kunnen verlaten.

De hof is nu leeg.

‘Kom.’ De onbekende neemt de hand van Lacuzon en leidt hem opnieuw naar de gang die in de put uitkomt. ‘Volg mij’, zegt hij. ‘Nu is voor mij de kans op de vrijheid eindelijk gekomen’

 

 


 

Wie is die grijze vriend?

 

152. Nauwelijks zijn Lacuzon en zijn metgezel op de glibberige rand aangekomen of er plonst iets naast hen in het water.

Een stem boven hen fluistert: ‘Daar is de ladder’.

Dankbaar kijkt Lacuzon omhoog. Hij voelt de hand van de gevangene trillen van emotie. De vrijheid die hij voor altijd dacht te moeten ontberen is dichtbij. ‘Moedig zijn nu’, fluistert Lacuzon.

‘Vergeef mij mijn angst’, zegt de gevangene. ‘Het is allemaal niet te geloven. Ik zal kalm zijn’.

‘Meneer’, zegt Lacuzon dan, ‘ik zal als eerste naar boven gaan. Eglantine verwacht mij alleen te zien en als u dan eerst naar boven gaat, schrikt ze misschien’.

‘Ja, ga snel naar boven. Ik volg u direct’.

Lacuzon klimt naar boven. De gevangene volgt

hem met de ogen terwijl hij onbeweeglijk op de richel staat.

Eglantine heeft echter twee stemmen vanuit de put gehoord. Haar ogen staan wijd open. Opgelucht loopt ze op de put toe als zij Lacuzon ziet die behendig over het muurtje klautert dat om de put staat.

‘Je bent niet alleen’, vraagt ze gespannen.

‘Nee’.

‘Met wie ben je?’

‘Met een vriend’ 

‘Hoe kan dat?’

‘Dat vertel ik je later. Het enige wat ik je nu vraag is niet meer te spreken’.

Op dat moment komt het hoofd van de grijze gevangene boven de putrand uit.

 


 

Aristocratisch, ondanks de lompen

 

153. Lacuzon loopt op de put toe om de man te helpen. Het is hier minder donker dan onder de grond en nu kan Lacuzon pas goed zien, hoe zijn metgezel er uitziet.

Het is een man van 55 tot 60 jaar. Hij is lang en ziet er aristocratisch uit, ondanks de lompen die hij draagt en ondanks de lange haren die om zijn hoofd slierten en de verwarde baard die half grijs en half wit is.

De vreemdeling heeft Lacuzon oplettend opgenomen en in zijn blik is iets van herkenning.

‘Ik ben gereed, kapitein’, zegt de man.

‘Eerst aan de andere kant van deze muren wacht u de vrijheid’, antwoordt Lacuzon.

‘Ik zal u volgen, maar haal eerst de ladder uit de put’.

‘Waarvoor?’

‘Het is beter als De Montaigu zo laat mogelijk iets bemerkt van onze vlucht’. ‘Inderdaad’ geeft Lacuzon toe, terwijl hij de ladder uit de put omhoog trekt.

Terwijl Lacuzon de ladder op de plaats brengt waar hij haar vandaan heeft gehaald, lopen Eglantine en de gevangene naar het gewelf dat de verbinding vormt tussen de binnenhof en het pad dat achter de schietgaten loopt. Alles is stil en verlaten. Alleen in de kamer waarin Antide de Montaigu zijn verradersplannen uitbroedt, brandt nog licht.

 


 

Ontdekt

 

154. Lacuzon loopt het gewelf binnen gevolgd door Eglantine en de gevangene. Hij loopt ongeveer tien passen voor de anderen uit. Eén hand omklemt het pistool, de andere het handvest van zijn zwaard. Zijn ogen spieden in de duisternis; hij probeert de geheimen van alle donkere hoeken te ontsluieren wat niet helemaal gelukt. Oplettend luistert hij of geen verdacht geluid te horen is.

Eglantine beeft. Zij beseft heel goed wat van deze tocht afhangt: óf ze zullen de vrijheid terugkrijgen en een eind maken aan de activiteiten van Antide de Montaigu en daarmee de hele streek kunnen redden óf ze zullen zeer binnenkort dit avontuur moeten beëindigen en de gevolgen daarvan zijn niet te overzien.

Al gauw zijn ze het gewelf uit. Ze zien reeds het begin van de weg die achter de schietgaten loopt.

Ze zullen nu spoedig bij dat gedeelte van de muur zijn dat de kapitein het meest geschikt acht om er over heen te klimmen. De lippen van Lacuzon zijn op elkaar geklemd. Hoe zal deze riskante onderneming aflopen?

Hij probeert niets van zijn twijfel te laten doorschemeren aan zijn metgezellen die geheel van hem afhankelijk zijn.

Dan, geheel onverwachts, maakt zich een figuur uit de duisternis los die zij tot nu toe niet hebben opgemerkt.

‘Wie is daar’, vraagt een soldaat. Verrast door deze onverwachte en ongunstige wending van de zaak blijven de drie vluchtelingen stokstijf staan, door de schrik niet in staat redelijk te denken of te handelen.

 

 


 

Alarm!

 

155. Lacuzon antwoordt niet op de vraag van de soldaat. Even kijkt hij achterom naar Eglantine en de gevangene. Bijna onmerkbaar knikt hij hen toe. Hij hoopt nog steeds de muur te bereiken, voor de achtervolging is begonnen. Hij loopt door. Even is de soldaat beduusd door zoveel brutaliteit. Hij is zo verbaasd dat hij aarzelt om iets te doen.

Dan neemt hij zijn musket, zet die aan zijn schouder en lost een schot. Een oorverdovende knal verscheurt de stilte van de nacht. Duizendvoudig wordt het geluid weerkaatst. Een kogel vliegt op enkele centimeters afstand langs het hoofd van Lacuzon.

Enkele ogenblikken later is de man in de duisternis verdwenen, maar de vluchtelingen horen hem roepen: ‘Alarm! Alarm!’

Van deze kreet die in de nacht weerklinkt, lijkt het hele kasteel te ontwaken. Lichten worden aangestoken achter de vensters en mannen met toortsen komen naar buiten. Mannen en knechten nemen de roep van de soldaat over: ‘Alarm! Alarm!’ De binnenhof is gevuld met door elkaar lopende mannen. Niemand weet precies wat er aan de hand is en de verwarring is groot. ‘Alarm! Alarm!’ nog steeds klinkt die kreet.

 


 

Kunnen ze ontkomen?

 

156. ‘We zijn verloren’, roept Eglantine ontdaan.

‘Nog niet,’ zegt Lacuzon, even aarzelend. Dan neemt hij een besluit. ‘Vooruit, we moeten weer terug,’ zegt hij gejaagd. ‘We moeten zien weer in de put te komen’.

‘Daar kunnen we misschien blijven tot morgennacht’.

De kapitein heeft opgemerkt dat de achtervolgers nog ver van de put zijn verwijderd en er is een grote kans dat de drie vluchtelingen de put kunnen bereiken zonder te worden opgemerkt.

De tijd echter dringt en ze zullen vlug moeten handelen. Maar juist als Lacuzon de ladder van zijn plaats haalt die gelukkig in een donkere hoek hangt, komen tien knechten met brandende toortsen de binnenplaats ophollen.

‘Te laat,’ mompelt Lacuzon, ‘zo kunnen we de put nooit bereiken’. Maar dan denkt hij plotseling aan een andere mogelijkheid: ‘Het bordes! Vlug. We moeten naar het bordes!

 


 

Worden ze ontdekt?

 

157. De drie vluchtelingen rennen de trap op die naar het bordes leidt. ‘Misschien kunnen we hier verborgen blijven’, zegt Lacuzon. ‘En als we worden ontdekt kunnen we ons verdedigen van achter de bomen.’ Hij sluit het hek dat open stond zorgvuldig achter zich dicht.

Eglantine, Lacuzon en de onbekende verbergen zich tussen de takken van de bomen.

‘Kapitein’, zegt de onbekende zacht. ‘Kapitein, geef mij een wapen, zodat ik als het zover mocht komen,

mijn leven kan verdedigen.

Ik wil alles riskeren als ik de gelegenheid krijg mijn vrijheid te herwinnen!’

Lacuzon geeft hem zijn dolk.

Dan komt het rumoer dat zij steeds vanuit de verte hebben gehoord plotseling dichterbij. De mannen moeten nu vlak bij het bordes zijn en de kans op ontdekking is niet gering. Eglantine ziet doodsbleek.

Lacuzon mompelt: ‘Zullen we hier moeten sterven?’

 


 

Waar zijn de vluchtelingen?

 

158. De heer van het kasteel ‘De Arend’ heeft het geweerschot en de alarmkreet gehoord. Hij heeft zich naar buiten gehaast en ondervraagt enkele knechten. Zij verwijzen hem naar de soldaat die het schot gelost heeft. Deze vertelt kort wat er is gebeurd. De heer van het kasteel de Arend ziet het belang van de ontdekking van de vluchtelingen duidelijk voor ogen. Hij neemt de leiding

in handen. Gangen en duistere hoeken zijn doorzocht en alles wordt hel verlicht door talloze brandende toortsen. Antide de Montaigu pijnigt zich het hoofd, door zich af te vragen, hoe de vreemdelingen het kasteel hebben kunnen binnen dringen. Zijn oog valt op de wagen met koren van Gerbas en direct geeft

hij bevel deze overhoop te halen. Echter zonder resultaat. De Montaigu kan niet vermoeden dat deze wagen het begin was van de ontvluchtingspoging van twee mensen die door hem gevangen werden gehouden.

Het kasteel wordt systematisch doorzocht. Alles echter zonder resultaat. Op het binnenhof kunnen de vluchtelingen niet zijn. Dat is meter voor meter doorzocht. Zelfs de keukens worden met bezems gekeerd. De vluchtelingen houden zich nog steeds verborgen tussen de bomen op het terras. Maar dan zien zij tot hun ontzetting een tiental soldaten op het terras afkomen en de trap opgaan.

 

 


 

Wordt het zoeken gestaakt?

 

159.  Langzaam komen de helpers van De Montaigu dichterbij. Ze zijn nog ongeveer tien meter van het hek verwijderd en met kloppend hart zien de vluchtelingen hun belagers naderen. De mannen zijn echter vermoeid door het lange zoeken en slecht gehumeurd door het vreemde uur waarop zij aan het werk werden gezet. Dat wordt de - voorlopige - redding van het drietal.

Eén van de soldaten loopt op het hek toe en kijkt door de spijlen naar binnen. Met zijn sabel slaat hij tussen de struiken die vlak bij het hek staan. Geluidloos trekken de vluchtelingen zich terug. De man schudt even aan het hek en bemerkt dat het open staat. Dan ziet hij echter de sleutel in het sleutelgat steken.

Hij sluit het hek en doet de sleutel in zijn zak. Hij mompelt enkele onverstaanbare woorden tegen zijn kameraden en dan verwijderen de mannen zich.

De nasporingen gaan nog ruim een uur verder. Alles wordt nogmaals doorzocht, maar niemand zoekt blijkbaar de gevangenen op het terras. Dan verdwijnen de mannen één voor één. Blijkbaar heeft De Montaigu opdracht gegeven het zoeken te staken in de mening verkerend dat de vluchtelingen al buiten het kasteel moeten zijn. De lichten worden weer gedoofd en het kasteel staat rustig en zwartafstekend tegen de nachtlucht als weleer. De Montaigu heeft het aantal wakers laten verdubbelen!

 


 

Kunnen ze ontsnappen?

 

160.  ‘Zijn we gered?’ vraagt Eglantine fluisterend.

‘Nog niet’. antwoordt de kapitein, ‘maar ik heb een plan. We zullen deze nacht niet met z'n drieën kunnen ontsnappen. Er zijn te veel wachten uitgezet. Ik stel u voor terug te gaan naar de put en u daar te verbergen. Ik zal proberen de wacht te overmeesteren die aan het begin van de weg die achter de schietgaten loopt, staat opgesteld. Ik klim over de muur en roep mijn bergbewoners en soldaten bij elkaar. Als de dag aanbreekt komen wij u bevrijden. Wat denkt u daarvan?’

‘Kapitein’, antwoordt de grijsaard ‘Wat moet er met dit arme meisje gebeuren als u mocht sterven?’

‘Dan is zij verloren en u met haar. Maar het is onze enige kans en die moeten wij aangrijpen’.

‘Je hebt gelijk’. zegt Eglantine, ‘maak je niet ongerust over ons. Ik ben er zeker van dat je zult terugkeren’.

‘Wel?’ vraagt Lacuzon, zich tot de grijsaard wendend.

‘Ja, u moet gaan. U vertrouwt dit meisje aan mij toe en ik zal voor haar zorgen, zoals u verwacht dat ik dat doen zal’. Lacuzon staat langzaam op en onderwerpt zijn pistool aan een nauwkeurig onderzoek.

‘Denk er vooral aan, de put niet te verlaten. Alleen, wanneer ik u daartoe zelf verlof geef, kunt u dat doen’, zegt Lacuzon voor hij zijn vrienden verlaat.

Dan sluipt hij het struikgewas uit. Het plein is stil en verlaten; geen geluid doet zich horen.

 


 

Daar zijn ze!

 

161. Lacuzon loopt de trap af, op het hek toe. Hij wil het hek openduwen, maar bemerkt dan tot zijn verbazing dat het van buitenaf gesloten is.

Op het zelfde moment springen enkele soldaten uit de duisternis te voorschijn, roepend: ‘Daar zijn ze! Doodt hen, doodt hen!’ De lopen van vier, vijf geweren worden door de tralies heen op Lacuzon gericht.

Even blijft de kapitein als aan de grond genageld staan. Dan geeft hij gehoor aan zijn eerste impuls. Hij neemt zijn pistolen vliegensvlug uitzijn gordel en

schiet op de soldaten van Antide de Montaigu.

Twee kreten weerklinken en door de kruitdampen heen ziet Lacuzon twee mannen in elkaar zakken en naar beneden vallen, de trappen af.

De andere soldaten, verbluft door de bruuskheid van de aanval van hun tegenstander en verbijsterd door het feit dat twee van hun kameraden beneden aan de trap liggen, zonder enig teken van leven, vluchten zo snel zij kunnen.

De kapitein rent terug naar de plek waar hij Eglantine en de grijsaard achter liet.

 


 

Naar de toren

 

162. ‘Ze hebben ons ontdekt’, hijgt Lacuzon als hij weer bij Eglantine en haar begeleider is gekomen. ‘En deze keer zijn wij verloren!’

‘En wij kunnen ons niet verdedigen, want zij hebben geweren waarmee zij ons van op grote afstand kunnen doden!’ roept de onbekende uit. In de verte zien de vluchtelingen brandende toortsen. Woedende kreten dringen tot het drietal door.                    

Lacuzon denkt gejaagd na: hij heeft een nieuw plan. ‘We moeten zo vlug mogelijk bij de toren zien te komen. Maar we zullen door het hek moeten en dat is gesloten’. De mannen lopen op het hek toe.

‘We zullen het moeten forceren’, zegt de vreemdeling.

‘Als we eenmaal in de toren zijn, kunnen we ons verdedigen tot de dood’, zegt Lacuzon.

Lacuzon heeft één van de spijlen van het hek gegrepen en probeert die om te buigen. De vreemdeling helpt hem en zijn krachten blijken hem gedurende zijn gevangenschap niet in de steek te hebben gelaten. De mannen gebruiken alle kracht die zij in zich hebben en eindelijk zegeviert deze kracht over die van het metaal: er ontstaat een gat dat juist een mens kan doorlaten!

 


 

Een stem onder de grond

 

163. Eén voor één glippen de drie vluchtelingen tussen de omgebogen spijlen van het hek door. Er is nu geen tijd meer te verliezen, want het is duidelijk dat de soldaten versterkingstroepen zijn gaan halen en dat zij nu reeds op weg zijn naar de plaats waar zij hun gewonde kameraden moesten achterlaten. Lacuzon weet dit en hij luistert gespannen naar de geluiden die van ver tot hem doordringen.

De ingang van de toren is nu niet ver van de vluchtelingen af. Zij hoeven slechts een klein gedeelte van de binnenhof over te steken en juist dit gedeelte wordt overschaduwd door de hoge muur.

De vluchtelingen blijven echter nog even stilstaan bij het hek. Het is niet zeker of op deze punten geen soldaten verdekt staan opgesteld.

Dan geeft Lacuzon een teken. De drie mensen hollen het plein over. Hijgend staan ze even later in de toren. Besluiteloos kijken de drie mensen elkaar aan. Dan richten hun blikken zich opeens naar de bodem. Een stem lijkt vanuit de grond te komen: ‘Lacuzon, Lacuzon!’ wordt er zacht geroepen.

Eglantine wordt doodsbleek en dreigt flauw te vallen.                 

 


 

Is er toch een uitweg?

 

164. Lacuzon bukt zich en roept dan uit: ‘We zijn gered!’ In de grond heeft hij het rooster gezien waarover Magui de heks indertijd met hem had gesproken. ‘Help mij,’ zegt hij tot zijn onbekende metgezel. ‘Ik begin nu werkelijk te geloven dat er nog een goede kans is om te ontsnappen aan Antide de Montaigu’.

De twee mannen proberen het rooster uit de grond te lichten, maar dit karwei lijkt niet zo eenvoudig als het is: het rooster lijkt in de grond vastgeroest te zijn. Hun eerste poging moeten ze dan ook staken. Maar als ze hun krachten weer hebben verzameld, proberen ze het opnieuw en nu met beter resultaat:

het rooster schiet omhoog, zodat de twee mannen even hun evenwicht verliezen. Onder zich zien zij een donker gat dat uitkomt in een zeer donkere en nauwe gang.

Dan klinkt opnieuw de stem: ‘Lacuzon, wees moedig!’

Lacuzon  neemt het koord dat hij om zijn middel had gewonden en bindt een van de uiteinden om het middel van de vreemdeling. ‘Ik laat u aan dit koord zakken,’ zegt Lacuzon. ‘Als u beneden bent, moet u het touw losmaken, zodat ik het weer omhoog kan halen. Maak u dan klaar om Eglantine te ontvangen die ik daarna zal neerlaten.’

 


 

De geest

 

165. Zonder ook maar een seconde te aarzelen -want het geringste oponthoud kan gevaarlijk zijn voor de drie vluchtelingen- neemt de onbekende de hand van Lacuzon die daarna snel het touw om het middel van zijn metgezel vastmaakt. Even later verdwijnt de man in de duisternis van het gat. Eglantine spreekt geen woord, maar er is weer hoop in haar hart. Even later voelt de kapitein dat het touw niet meer gespannen staat.

Hij haalt het koord op. ‘Jouw beurt, Eglantine’, zegt Lacuzon zachtjes, zich naar het meisje kerend.

Maar Eglantine antwoordt niet. Met wijd open ogen staart ze naar de poort in de toren.

Ze ziet lijkwit en fluistert: ‘De geest’.

Lacuzon staat met zijn rug naar de poort toe. Hij ziet echter het bloed uit Eglantine's gezicht wegvloeien en dan volgt hij haar uitgestoken vinger.

De haren rijzen hem te berge. De deur van de poort heeft zich geluidloos geopend en op enkele passen afstand van Eglantine en Lacuzon is een vage, blanke gestalte verschenen die daar stilzwijgend staat.

‘Achteruit! Achteruit!’ fluistert Lacuzon.

Maar de ‘geest’ verroert zich niet.

 

 


 

De diamanten egelantier

 

166. Dan doet de ‘geestverschijning’ een stap voorwaarts. Lacuzon kan nu, doordat het schijnsel van de maan gunstig valt, het gezicht van een vrouw onderscheiden. Het is doodsbleek en kijkt diepbedroefd. Het lijkt het gezicht van een dode.

Dan echter ziet de vrouw om de hals van Lacuzon de diamanten egelantier. Zij valt op haar knieën en fluistert met een stem, bevend  van ontroering en verdriet: ‘Mijn dochter! Waar is mijn dochter?’

Lacuzon gelooft nu niet meer in een geest. Hij gelooft dat bij te maken heeft met een gevaarlijke krankzinnige die hij zo gauw mogelijk moet zien kwijt te raken, want de soldaten komen al dichterbij.

De stem van Antide de Montaigu klinkt over de binnenplaats: ‘Voorwaarts! Ze kunnen ons niet

weer ontsnappen. U hebt permissie direct te schieten!’

‘Mijn dochter?’ herhaalt de vrouw.

‘Waarom praat u tegen mij over uw dochter’, vraagt Lacuzon. ‘Ik ken haar niet’ en als de vrouw blijft aandringen. ‘Ik bid u, mevrouw, laat ons gaan.... ze komen....!’

De vrouw staat langzaam op en neemt even voorzichtig de diamanten egelantier in haar handen. Dan zegt ze met een donkere stem: ‘Degene die dit sieraad draagt moet ook weten waar mijn dochter is’.

Deze woorden geven Lacuzon een schok: U!’ roept hij uit. ‘U was het!’

 

 


 

De moeder van Eglantine

 

167. ‘Ik weet wie u bent’, zegt Lacuzon. ‘De nacht van de 17e januari niet waar?’

‘Ja, de nacht van de 17e januari 1620 werd mijn dochter geboren’, antwoordt de vrouw. ‘En de man aan wie de heer van het kasteel De Arend mijn kind toevertrouwde en aan wie ik dit medaillon gaf, liet bloedsporen achter op de eerste boog in dit gewelf. U weet waar mijn dochter is. Vertel het mij! ik smeek u!’

De kring die de soldaten van Antide de Montaigu rond de toren vormen, wordt al nauwer aangetrokken.

‘Reeds achttien jaar ween ik om mijn kind’, gaat de vrouw voort. ‘Zeg mij waar ze is.’

Maar de tijd gaat voorbij en Lacuzon moet snel handelen. Hij kijkt naar Eglantine die is flauwgevallen, toen zij de ‘geest’ zag.

Hij neemt haar van de grond en legt haar in de armen van de vrouw, terwijl hij uitroept: ‘Hier is het kind dat werd geboren in de nacht van 17 januari 1620. Het is uw dochter en zij heet Eglantine. Zij gelooft dat haar moeder is gestorven.

En zij weet niet beter of de man die bloedsporen achterliet in dit gewelf  haar vader is. Neem haar mee en waak over haar. Ik ben Jean-Claude Prost, kapitein Lacuzon. Ik kom spoedig terug om u beiden te bevrijden!’

Een vreugdekreet ontsnapt aan de borst van de gekwelde vrouw. Zij omarmt de zojuist teruggewonnen schat en draagt haar gemakkelijk in haar armen. Het lijkt of bovenmenselijke machten haar deze kracht geven. Zij loopt met haar dochter naar de poort.

 


 

Het onderaardse gewelf

 

168. De vrouw heeft opeens niets meer van een geest; zij is nu een moeder die haar dochter zo snel mogelijk in veiligheid probeert te brengen.   

Lacuzon kijkt even besluiteloos om zich heen en het is in deze enkele seconden dat Antide de Montaigu die zijn soldaten persoonlijk aanvoert, het silhouet van de jonge man ontdekt, dank zij het licht van de vele toortsen.

‘Vuur!’ roept de Montaigu. Op hetzelfde moment geven een tiental musketten vuur. De knallen weerklinken tot ver in de omtrek. Het is echter al te laat.

Lacuzon heeft zich bliksemsnel omgekeerd en heeft zich reeds in het gat in de grond laten zakken.

De kogels ketsen af op de harde muren van de toren.

Lacuzon spoedt zich voort in het ondergrondse gewelf. Alles lijkt nu makkelijk: hij zal nu spoedig buiten het kasteel zijn. Er is echter één ding dat hem hindert: hij heeft de stem niet herkend die zijn naam noemde, toen hij op het rooster trapte. Hij heeft het aan deze stem te danken dat hij het rooster in de grond ontdekte!

 

 


 

De ontsnapping

 

169. Lacuzon's ontsnapping verloopt wonderbaarlijk goed. Slechts enkele kleerscheuren en een paar kleine verwondingen aan zijn handen getuigen van zijn ontsnapping. Al gauw bereikt hij het einde van de gang. De onbekende grijsaard wacht hem daar op. Lacuzon ziet behalve de grijsaard echter nog iemand: een vrouw die hij door de duisternis niet direct kan herkennen.

‘Ah! Kapitein, u hebt ons lang laten wachten’, zegt de vrouw.

‘Magui!’ roept Lacuzon uit, vandaar dat hij haar stem heeft herkend.

‘Ja, de arme Magui die men gevangen wilde houden in de herberg van Gangônes tot u terug zou keren. U ziet dat ik heb weten te ontsnappen en ik geloof zelfs dat ik kan zeggen dat ik voor de tweede maal uw

leven heb gered’.

‘Hebt u mij geroepen toen ik het rooster niet ontdekte?’

Ja, dat deed ik’.

‘Geef mij je hand, Magui, ik heb je altijd vertrouwd!’

‘Wat  hebt u gedaan met Eglantine?’ vraagt dan de onbekende grijsaard.

‘Wees gerust, alles is in orde. Ik kan u echter op het ogenblik nog niet alles vertellen, omdat ik nog een geheim moet bewaren, maar ik verzeker u dat alles in orde is. Maar nu moeten we ons haasten. Onze vrienden wachten op ons en bovendien zijn we hier nog niet veilig, want de soldaten van het kasteel kunnen ons gemakkelijk tot hier achtervolgen.’

 


 

De geheime ingang

 

170. De drie vluchtelingen begeven zich op weg en het is weer Magui de heks die de mannen de weg wijst. Zij is uitstekend bekend met het terrein en zij weet dat hier verscheidene kleine moerassen zijn die in deze duisternis moeilijk zijn te onderscheiden. Met een lange stok onderzoekt zij, wanneer zij twijfelt, de bodem. Zo nu en dan kijken de vluchtelingen om, om te zien of zij niet worden achtervolgd door de kasteelbewoners.

Na ongeveer twintig minuten komen zij op de openbare weg.

‘Meneer’, zegt Lacuzon tegen de onbekende grijsaard, ‘we zijn nu vrij. U bent van uw langdurige gevangenschap bevrijd!’

‘Kapitein’, antwoordt de onbekende, ‘als ik u niet bedank, zoals ik dat eigenlijk behoorde te doen, dan is het omdat woorden te kort schieten.

Maar ik hoop vurig dat ik later iets zal kunnen doen om de schuld die ik nu jegens u heb, te vereffenen’.

Dan wendt de kapitein zich tot Magui: ‘Ik bevind me nu in een moeilijke positie. U hebt bijzonder veel voor me gedaan, maar toch moet ik nu van u scheiden’. ‘Waarom?’

‘Omdat ik nu de herberg van Gangônes wil binnengaan door een geheime ingang die alleen bekend is bij Marquis, Varroz en mij. Wij hebben elkaar gezworen om deze ingang nooit te zullen verraden aan buitenstaanders’.

‘Kapitein’, zegt Magui met een lage lach, ‘U zult niets verraden door deze ingang te gebruiken. Ik kende namelijk vóór u reeds alle geheime ingangen van de herberg van Gangônes.’

 

 


 

Marquis gevangen genomen?

 

171. De kapitein is weinig verbaasd als hij hoort dat Magui alle geheime ingangen van de herberg van Gangônes kent. Dan bedenkt hij dat de vrouw gedurende twintig jaar nooit een vaste woonplaats heeft gekend. Al die jaren zwierf zij door de Jura en het is dus eigenlijk vanzelfsprekend dat zij alle goede schuilplaatsen op haar duimpje kent. ‘Ga dan met ons mee’ zegt Lacuzon.

Nadat ze weer een poosje hebben gelopen, houdt Lacuzon plotseling zijn pas in. Hij draait zich naar Magui en vraagt: ‘Is het waar dat Marquis gevangen genomen is, zoals u Antide de Montaigu meedeelde?’

‘Helaas, ja!’

En wat ik vertelde over mijn ontmoeting met kapitein Brunet was ook waar’. ‘Wat is er dan gebeurd?’

‘Ik zal u alles vertellen. Direct nadat u was

vertrokken gaf Marquis aan twee soldaten opdracht mij te bewaken. Dat verontrustte mij, want ik wist dat u in gevaar verkeerde. Ik ging op een bos stro liggen en deed of ik sliep. Na ongeveer een uur verslapte de oplettendheid van mijn bewakers.  De reden daarvoor was dat een opgewonden man kwam vertellen dat een groep Grijzen in de omgeving was aangekomen. Zij hadden reeds twee boerderijen geplunderd en boeren mishandeld. Direct verzamelde Marquis een aantal boeren om zich heen en hij besloot de Grijzen aan te vallen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik en liet me wegglijden tussen de rotsen. Omdat ik de omgeving zeer goed ken, was ik al gauw op het open veld’.

 

 


 

Waar wordt de pastoor heengebracht?

 

172. ‘Eerst had ik het plan, vervolgde Magui, om mij toegang tot het kasteel te verschaffen door me onder de boeren te voegen die hun belastinggeld gingen betalen, maar dat bleek niet nodig en bovendien zou dat gevaarlijk zijn! Ik wilde me niet in het open veld wagen op klaarlichte dag. Ik verborg me dus in een spelonk om het vallen van de avond af te wachten. Het was daar dat tegen het donker worden de strijd ontbrandde tussen de Grijzen en de bergbewoners waarover u me hebt horen spreken tegen Antide de Montaigu. Omdat ik niets kon doen bleef ik in mijn schuilplaats.

Ik zag hoe Marquis werd gevangengenomen. Toen kapitein Brunet vlak langs mij heenliep hoorde ik hem tot één van zijn soldaten zeggen: ‘U neemt het commando over van het escorte van de gevangene. U brengt de gevangene naar de rots bij de rivier die onder Clairvaux loopt. Als u rechts langs de rivier loopt, zult u een man ontmoeten die u het wachtwoord zal vragen.

Dat geeft u. Wat mij betreft, de meester kan mij tegen tien uur verwachten. Vannacht voeg ik me weer bij u. Intussen staat u met uw hoofd borg voor de pastoor’.

De Grijzen verwijderden zich en de kapitein verdween alleen in de richting van het kasteel De Arend.

Maar nu moet ik u eerst vertellen, zo onderbrak Magui haar vreemde verhaal, dat ik het bestaan kende van een onderaardse gang die uitkomt in het kasteel De Arend. Ik had opgemerkt dat Lespinassou en Brunet dikwijls door deze ingang het kasteel binnengingen. Ik vermoedde dan ook dat Brunet ook nu door deze  ingang het kasteel wilde binnengaan. Maar hij had de sleutels en juist het bezit van die sleutels had ik nodig. Om die sleutels te krijgen, moest ik verhinderen dat Brunet het kasteel zou binnengaan. Mijn plan was al gauw gemaakt’.

 

 


 

Brunet uitgeschakeld

 

173. ‘Ongeveer een half uur van de plaats waar Brunet zich op dat ogenblik bevond, loopt een diepe ravijn. Over dat ravijn hebben de bergbewoners de stam van een den gelegd bij wijze van brug. Ik wist dat Brunet, om bij de geheime ingang te komen, dit ravijn zou moeten oversteken. Ik snelde vooruit en ging de brug over. Ik verschoof met moeite de stam van de den, zodat die wankel tussen de twee hellingen kwam te liggen. Daarna verborg ik mij in de bosjes. Na een minuut of vijf hoorde ik Brunet komen. Hij liep te fluiten.

Ik zag hem tot het midden van de stam lopen. Toen kwam ik uit mijn schuilplaats tevoorschijn en gaf een duw tegen de stam. Met een schreeuw viel Brunet in het ravijn. Voorzichtig ging ik naar beneden. Hij moet op slag dood zijn geweest. Ik fouilleerde hem en vond de sleutel van de onderaardse geheime gang van het kasteel De Arend. Ik kwam, zoals ik al dacht,

gemakkelijk het kasteel binnen en vertelde daar een verhaal dat onmiddellijk werd geloofd door de hertog de Montaigu. De rest van de geschiedenis kent u.’

Lacuzon en de onbekende hebben het verhaal van Magui met de grootste oplettendheid gevolgd. Het vreemde gedrag van Magui is nu verklaard. Alle twijfel die nog bij Lacuzon bestond is verdwenen.

‘Bent U er zeker van dat Marquis naar Clairvaux is gebracht?’ vraagt hij.

‘Ik ben er zeker van dat hij is overgeleverd aan de heer van Bauffremont’.

‘Nog voor vannacht zullen wij Marquis hebben bevrijd en de heer van Bauffremont hebben gevangengenomen,’ roept Lacuzon uit.

‘Mag ik u een raad geven, of liever gezegd: mijn mening zeggen?’ vraagt Magui.

‘Zeker!’

 


 

Wat ziet u aan mij?

 

174. ‘Geloof mij’, zegt Magui. ‘De bevrijding van Marquis zal niet zo eenvoudig gaan als u denkt. In de eerste plaats hebben wij onvoldoende bewijzen voor het verraad van De Bauffremont. Bovendien zal Marquis gevangen gehouden worden in een geheime gevangenis om het ons onmogelijk te maken hem te bevrijden. Maar bedenk ook dat wij een prachtig middel hebben om te weten te komen wat onze vijand in zijn schild voert. Ik bezit namelijk een ring en een brief die de hertog de Montaigu mij overhandigde om mij te verzekeren dat ik zal worden toegelaten tot De Bauffremont. We kunnen veel te weten komen van onze vijand’.

‘Ongetwijfeld kunnen we dat’, antwoordt Lacuzon, ‘maar ieder oponthoud kan fataal zijn voor Marquis’.

‘Dat geloof ik niet. Marquis is als gijzelaar veel te kostbaar. Ze zullen hem niets doen’.

‘Misschien hebt u gelijk. Ik wil echter niets ondernemen zonder dat ik overlegd heb met Varroz.

Ik verzoek u aanwezig te willen zijn bij ons onderhoud’.

Het woud wordt hoe langer hoe donkerder. Magui en Lacuzon die veel minder goed in het donker kunnen zien dan hun metgezel van wie de ogen aan de duisternis zijn gewend, zijn bang te verdwalen of in een moeras terecht te komen.

Magui wrijft enkele droge takken tegen elkaar. Het is niet gemakkelijk een vonk te doen springen in het droge mos dat Lacuzon gereed houdt, maar na veel mislukte pogingen begint het mos te branden waardoor Magui een droge tak kan aansteken.

‘Ik zal vooruitgaan kapitein om het terrein te verkennen’, zegt zij. Lacuzon let echter niet op haar. Hij staart zijn onbekende metgezel van wie het gezicht voor het eerst duidelijk verlicht is stomverbaasd aan. Zijn handen beven. Zijn metgezel bemerkt zijn verwarring.

‘Ziet u iets vreemds aan mij?’ vraagt hij.

 


 

Tristan de Champ d'Hivers

 

175.  ‘Meneer’, mompelt Lacuzon, ‘Ik had uw gezicht nog niet goed gezien. In de grot waarin ik u vond hebt u mij uw naam niet gezegd en de mijne kende u reeds. Wilt u mij nu uw naam zeggen?’

‘De mijne....’ zegt de vreemdeling aarzelend. ‘Waarom wilt u die weten? Ik ben hem zelf bijna vergeten’.

‘Ik zal het u zeggen’, antwoordt Lacuzon opgewonden. ‘Uw naam is die van een sterke en beminde man die hier in de provincie niet is vergeten. Ik zal hem noemen: Tristan de Champ d'Hivers’.

‘Hoe weet u dat’, stamelt de man die doodsbleek geworden is.

‘Ik zal het U later uitleggen. Nu zou ik graag iets over u zelf willen horen. Wilt u mij iets vertellen over de afgelopen jaren?’

‘Zeker. Ik zal u mijn geschiedenis vertellen en als u die gehoord hebt, zult u begrijpen dat ik zelfs mijn

leven ervoor over heb als ik daardoor kan wreken wat Antide de Montaigu mij heeft aangedaan’.

De baron zwijgt even, dan vraagt hij aan de kapitein: ‘Wat weet u van mijn geschiedenis?’

‘Ik ken alleen de geruchten die in de provincie de ronde deden na het ongeluk op het kasteel van de Champ d'Hivers en verder weet ik niets’. ‘Zoals zoveel mensen’, gaat Lacuzon verder, heb ik lange tijd gedacht dat het onweer uw huis verwoestte en dat tijdens deze brand u en uw zoon om het leven kwamen. Sinds korte tijd ben ik echter van gedachten veranderd. Ik weet dat hier een dubbele misdaad is begaan en Antide de Montaigu is de enige die ik hiertoe in staat acht’. ‘Mag ik weten wat u van gedachte heeft doen veranderen?’

‘Dat zult u zeer binnenkort te weten komen, heer, maar u mag het me niet kwalijk nemen als ik het u nu nog niet vertellen wil.’

 


 

Was Tristan dan niet vermoord?

 

176. ‘U hebt in mijn dood geloofd, nietwaar?’ vraagt de baron aan Lacuzon.

‘Ik heb er zo vast in geloofd dat het leek of ik u zelf als een dode heb gezien’.

‘Hoe kan dat?’

Een oude bediende had u in bed zien liggen temidden van de vlammen’.

‘Ik wil nog één ding weten. Hoe is het mogelijk dat u mij herkende? Want toen het ongeluk kwam over mijn kasteel moet u nog een kind zijn geweest’.

Lacuzon voelt zich in het nauw gedreven. Snel denkt hij na: Kan hij deze man die in de laatste uren al zo veel heeft meegemaakt, de schok verdragen die de mededeling dat zijn zoon nog leeft ongetwijfeld zal geven? Want het was Raoul die sprekend op zijn

vader lijkt die maakte dat Lacuzon hem herkende. Lacuzon besluit zijn geheim nog te bewaren: ‘Ik vraag u, heb nog enkele uren geduld. Alles zal u duidelijk worden gemaakt’.

De baron knikt instemmend. ‘Ik zal geduld hebben, zolang u dat wenst.’ Dan zegt hij als in gedachten verzonken: ‘Marcel-Clément, mijn oude bediende die mij bloedend en naar hij meende levenloos in het bed zag liggen, heeft zich vergist. Ik leefde nog. Tien gewapende mannen stormden mijn kamer binnen. Onder hen was ook Antide de Montaigu, de man met het zwarte masker. De mannen sloegen mij met hun degens en ik dacht dat ik spoedig zou sterven’.

 

 


 

De geschiedenis van de baron de Champ d'Hivers

 

177. ‘Toen ik weer bijkwam,’ vervolgt de baron de Champ d'Hivers zijn verhaal, ‘bevond ik mij in een duistere grot. Het was het hol waarin u mij hebt gevonden. Ik was zo versuft dat ik de eerste tijd me niet kon realiseren wat er met mij gebeurde. Veel dagen gingen voorbij zonder dat er iets voorviel. Toen maakte een verschrikkelijke wanhoop zich van mij meester. Ik gilde en schreeuwde en sloeg mijn handen kapot tegen de muur.

Ik had nog maar één wens: te sterven. Enkele dagen lang weigerde ik al het eten. Maar de kwellingen die de honger me deden ondergaan, deden mij mijn besluit vergeten. Ik at en mijn krachten namen weer toe. En daarmee mijn verlangen naar de dood!

Ik probeerde me zelf te doden door met mijn hoofd tegen de harde rotswand te lopen. Ik raakte zwaar gewond, maar sterven kon ik niet.

Toen ik weer zo'n poging ondernam, leek het plotseling of er mensen in mijn gevangenis waren die spraken.

Ik hief mijn hoofd op en staarde in de duisternis om mijn onverwachte bezoekers te kunnen zien. Ik zag echter niemand en ik begreep dat ik een hallucinatie had gehad. Wanhopig bonsde ik met mijn hoofd tegen de muur en het was in die ogenblikken dat ik de stemmen weer duidelijk hoorde. Zo ontdekte ik de kleine gehorige plek in mijn cel.’

 


 

Het onderaardse gewelf

 

178. ‘Hebt u belangrijke dingen kunnen horen in de jaren dat u zat opgesloten?’ vraagt Lacuzon.

De baron knikt. ‘Ik kan u zelfs data noemen, want ik heb iedere dag die voorbij ging genoteerd. In mei van het jaar 1619 bijvoorbeeld hoorde ik in de kamer van Antide de Montaigu een vrouw gillen en schreeuwen. Ik herkende toen de stem van mijn geliefde Blanche. Nog nooit heb ik zo geleden als in die ogenblikken.’

‘Eglantine werd geboren in februari 1620. Er is niet meer aan te twijfelen: Eglantine is de dochter van Blanche de Mirebel en Antide de Montaigu!’ mompelt Lacuzon.

De oude man wil vragen wat Lacuzon met die woorden bedoelt, maar hij krijgt er geen kans toe.

Magui houdt stil voor een hoge rots.

‘Meneer,’ zegt Lacuzon ‘we zullen weldra op onze plaats van bestemming zijn. Ik wil de belofte die ik aan mijn bondgenoten deed, gestand doen en ik moet u nu een doek voor de ogen binden. Spoedig zullen wij geen geheimen meer voor u hebben.’

Enkele minuten later staan de drie vluchtelingen in een onderaards gewelf. ‘Meneer,’ vraagt Lacuzon, ‘kunt u zich nog herinneren waar de ingang van deze grot was? Kunt u zich hier oriënteren?’

‘Totaal niet,’ is het antwoord. ‘Haal dan de doek van uw ogen weg.’

Tristan haalt de doek weg. ‘Zo heb ik het liever,’ zegt hij tegen Lacuzon.

 


 

Is hij het?

 

179. Enkele minuten later heerst er in de herberg van Gangônes een blijde drukte. De bergbewoners steken hun blijdschap over de terugkeer van Lacuzon niet onder stoelen of  banken.

‘Leve de kapitein! Leve Lacuzon,’ roepen zij.

‘Dank u vrienden,’ antwoordt Lacuzon ontroerd. Dan zegt hij tegen Gerbas: ‘Ga onmiddellijk naar Varroz en zeg hem dat ik zeer belangrijk nieuws heb.’

Lacuzon  wisselt enkele woorden met de bergbewoners en verzekert hen dat Marquis binnen drie dagen bij hen terug zal zijn. Dan loopt hij met Tristan de Champ d'Hivers naar de trap die naar de bovenverdieping leidt.

Hij merkt plotseling dat Magui hen niet volgt.

Hij draait zich om en ziet de vrouw wankelen. Hij snelt op haar toe en kan haar nog juist opvangen voor zij valt. Ze ziet doodsbleek en staart naar het gezicht van Tristan de Champ d'Hivers dat zij voor het eerst duidelijk ziet.

‘Wat is er?’ vraagt Lacuzon.

‘Niets kapitein, niets.’ Dan kijkt ze weer naar de baron. ‘Hij is het, nietwaar?’ stamelt ze. ‘Zeg mij dat hij het is!’

‘Wie bedoelt u?’ vraagt Lacuzon.

‘Zeg dat deze man mijn vroegere heer is, Tristan de Champ d'Hivers.’

‘Hij is het,’ zegt Lacuzon zacht. ‘Maar praat er nog met niemand over’.

 

 


 

Leeft mijn zoon nog?

 

180. Lacuzon treedt als eerste het vertrekje binnen waarin Varroz en Raoul vol ongeduld op hem wachten. Zij zien direct dat hij niet alleen is, maar hun aandacht is gericht op Lacuzon. Lacuzon stelt de mannen eerst gerust over Eglantine. Dan vertelt hij in het kort alles wat hij te weten is gekomen over Antide de Montaigu.

‘Kapitein’, zegt Raoul. ‘Ik had het u reeds gezegd’.

‘En ik heb hem altijd gehaat’, zegt Varroz. ‘U ziet dat mijn instinct me nooit bedriegt!’

‘U hebt gelijk’, zegt Lacuzon. ‘Wij vermoedden dit allemaal, maar we hadden geen enkel bewijs. Nu hebben we er tientallen!’.

Dan gaat Lacuzon naar de baron die in een donkere hoek van de grot is gaan staan. Hij gaat voor hem

staan en terwijl Raoul en Varroz verbaasd toekijken, zegt hij: ‘Meneer, u hebt vreselijk geleden. U heeft zich een held getoond, want niemand had geestelijk en lichamelijk deze gevangenschap zo goed kunnen doorstaan als u dat hebt gedaan. U hebt een verschrikkelijke strijd gewonnen. Alles heeft men u afgenomen: uw titel, uw fortuin, uw gezin en bijna uw naam. Zal de schok niet te groot zijn, wanneer ik u vertel dat u dat alles terugkrijgt?’

‘Kapitein’, roept de baron, de schouders van Lacuzon grijpend.

‘U hebt gezegd: uw gezin! .... Ik heb dus een gezin?.... Ik had een zoon.... mijn zoon leeft dus nog? ‘

 


 

Raoul ontmoet zijn vader

 

181. ‘Meneer’, zegt Lacuzon. ‘Zelfs vreugde kan dodelijk zijn. Gelooft u dat u een grote schok kunt verdragen?’

‘Ik smeek u, alles heb ik doorstaan: Eenzaamheid, honger, wanhoop. U weet dat. Laat me nu niet langer in het onzekere en vertel mij: Leeft mijn zoon nog?’ Raoul staat dit toneel met wijd open ogen aan te zien. Hij staart de vreemdeling aan en vraagt zich af waarom hij zich zo tot deze haveloze figuur voelt aangetrokken.

‘Wel’, zegt Lacuzon, ‘ik heb u gezegd dat ik u uw titel en uw gezin zal teruggeven. Hier is uw zoon’. Hij duwt Raoul naar voren.

Het gezicht van de jongeman is nat van tranen en met verstikte stem roept hij uit: ‘Mijn vader! Vader!’ Varroz kan zichzelf nu niet meer bedwingen. Hij loopt op de twee mannen toe en omhelst hen.

‘Tristan.. .. ik ben het.... je vriend, de oude Varroz die je nooit heeft vergeten. Nu ben je hier.... jullie beiden .... ik houd van je zoon, Tristan. Hij is een man geworden, zoals jij vroeger was: Wees trots op hem!’ Als de mannen elkaar hebben begroet treedt Magui naar voren. Ook zij heeft haar tranen de vrije loop gelaten. Een ogenblik kijkt zij de baron strak aan zonder een woord te zeggen.

 


 

Waar is Marquis heengebracht?

 

182. Magui valt op haar knieën en grijpt de hand van Tristan de Champ d'Hivers. ‘En ik, mijnheer’, stamelt ze. ‘Roep ik bij u geen enkele herinnering op? Kent u mij niet meer?’ Tristan die in de drukte van de eerste ontmoeting de vrouw nog niet goed had gezien, kijkt haar nu aan en roept dan uit: ‘Marguerite!’

‘Hij herkent mij! Hij herkent mij! Wie had mij ooit kunnen vertellen dat ik u beiden terug zou zien! U, mijn meester en jij, mijn arme kind!’

Magui draait zich om en zegt tegen Raoul: ‘De oude Magui die vroeger Marguerite heette, was uw min. Oh mijn kind! Laat mij je omarmen, zoals ik vroeger zo dikwijls deed.’ Zwijgend omarmen de mensen die elkaar tientallen jaren niet zagen, elkaar. Lacuzon heeft tot nu toe, ontroerd als hij was door het onverwachte weerzien, niets gezegd.

Maar nu denkt hij aan Marquis die nog steeds

gevangen zit en die zo snel mogelijk moet worden bevrijd.

‘De baron de Champ d'Hivers zal u 1ater alles wat hij heeft meegemaakt vertellen,’ zegt hij. ‘Maar ik geloof dat wij ons nu voor alles moeten bezighouden met de vraag hoe we Marquis zo spoedig mogelijk zijn vrijheid terug kunnen geven.’

‘Wat kunnen we doen?’ vraagt Varroz. ‘We weten niet eens waar de Grijzen hem heengebracht hebben.’

‘Dat weten we wel. Hij is in Clairvaux.’

‘In Clairvaux?’ herhaalt Varroz.

‘Maar hoe kan dat? De hertog de Bauffremont …..’

‘Hij is een verrader, juist zoals de heer van het kasteel De Arend’.

‘De ellendigen!’ mompelt Varroz. ‘Maar als we dat weten is de zaak niet zo moeilijk!’

 


 

Magui naar Clairvaux

 

183. ‘Laten we onmiddellijk naar Clairvaux gaan om Marquis te bevrijden!’ roept Varroz onstuimig uit.

Lacuzon kijkt zijn bondgenoot even aan. Dan zegt hij: ‘Ik sprak kort geleden precies zoals u dat nu doet, kolonel, maar luister eerst naar Magui. Zij heeft een uitstekend plan’.

Varroz wendt zich tot Magui en vraagt haar het plan waarover Lacuzon blijkbaar enthousiast is, uit te leggen.

Magui vertelt wat zij eerder aan Lacuzon heeft gezegd. Het leven van Marquis is niet in gevaar en het is beter eerst een weloverwogen plan op te maken dan overhaast te handelen. Dan vertelt zij over de opdracht die zij nog voor De Montaigu moet vervullen. ‘Deze opdracht kan ons in staat stellen onze vijanden te ontmaskeren’, beëindigt zij haar verhaal.

‘Zij heeft gelijk’, zegt Varroz. ‘Wat denkt u nu te doen?’

‘Ik wil zo spoedig mogelijk vertrekken’, zegt Magui. ‘Ik ga naar de hertog van Bauffremont en overhandig

hem de brief met de ring van Antide de Montaigu. Dan zal ik proberen te weten te komen wat zij van plan zijn te doen met Marquis. Misschien kan ik ook de plaats te weten komen waar zij hem verborgen houden als hij niet in het kasteel blijkt te zijn’.

‘Maar’, interrumpeert Varroz, ‘hoe wilt u dat alles tot een goed einde brengen? U bent al aan het eind van uw krachten!’

‘Het kan inderdaad zijn dat mijn krachten het onderweg zullen begeven en dat ik gedwongen zal zijn bij Clairvaux te rusten. Daarom vraag ik u om mij zes mannen mee te geven die mij kunnen beschermen en voor mij de omgeving kunnen verkennen’.

‘Dat is voor ons niet moeilijk’.

‘Laat deze mannen zich dan direct klaarmaken, kolonel’.

De kolonel geeft één van de soldaten opdracht om zes flinke mannen uit te zoeken die niet snel vermoeid zullen zijn.

 

 


 

De dochter van Blanche de Mirebel

 

184. Magui is inmiddels met haar kleine gevolg vertrokken. Lacuzon en Varroz zijn alleen in de kamer met de baron en Raoul. Het ogenblik van de verklaringen is gekomen. Raoul vertelt aan zijn vader hoe hij uit de vlammen werd gered door de trouwe dienaar Marcel Clément. Hij vertelt hoe hij is opgevoed in Frankrijk en hoe hij liefde heeft opgevat voor Eglantine. De baron vertelt op zijn beurt over de verschrikkelijke jaren die hij in gevangenschap moest doorbrengen.

Dan vertelt Lacuzon over de nacht op het kasteel De Arend en over alles wat hij weet van het verraad van Antide de Montaigu. Ook zijn ontsnapping met Eglantine en later met de baron slaat hij niet over en zelfs over de geest die hij in de toren ontmoette, weidt hij uit. Hij onthult voor de baron het mysterie rond de geboorte van Eglantine. Zij is de dochter van Antide de Montaigu en Blanche de Mirebel.

Zij werd echter opgevoed ver van het kasteel vandaan bij de dokter van de armen die als een vader voor haar was.

‘Wat doet het ertoe of de geboorte van dit kind het resultaat was van een afschuwelijke misdaad!’ roept de baron uit wanneer de kapitein zijn verhaal heeft beëindigd.

‘Raoul houdt van haar en ik houd van haar als van een dochter. Zij zal een Champ d'Hivers worden en ik zal er trots op zijn mijzelf haar vader te kunnen noemen!’ ‘Maar zij is nog steeds een gevangene!’ zegt Raoul verdrietig. ‘Vanavond nog zal zij vrij zijn’, belooft Lacuzon. ‘Over enkele uren trekken wij op naar het kasteel De Arend. Maar wees ervan verzekerd dat er niets met haar kan gebeuren, want Antide de Montaigu is er van overtuigd dat zij het kasteel tegelijkertijd met ons heeft verlaten.’

 


 

Naar Saint-Maur

 

185.   Dan klinken snelle voetstappen op de trap. De deur wordt geopend en Gerbas verschijnt.

‘Wat is er?’ vraagt Lacuzon.

‘Een van de mannen uit het gevolg van Magui is teruggekomen en hij wil u zo spoedig mogelijk spreken. Hij heeft een lange reis gemaakt en ziet er vermoeid uit’. Enkele seconden later komt de man binnen.

‘Hebt u nieuws over Magui?’ vraagt Lacuzon hem.

‘Ja, kapitein’.

‘Waar komt u vandaan?’

‘Van Clairvaux’.

‘Wat is er gebeurd?’

‘Magui liet ons verbergen in het bos dat aan de linkeroever van de rivier ligt en zij ging alleen naar het kasteel. Na een half uur kwam ze terug en gaf mij de opdracht hierheen te gaan om u een boodschap te brengen’. En wat heeft zij u gezegd?’

‘Twee dingen ....’

‘De eerste?’

Dat de hertog De Montaigu zojuist is aangekomen in Clairvaux zonder hiervan van tevoren kennis te hebben gegeven en dat het geen nut heeft iets tegen het kasteel De Arend te ondernemen’.

‘En verder?’

‘Magui vraagt of u zo spoedig mogelijk als het kan nog vóór de middag in het bos Saint-Maur kunt zijn’.

‘Alleen?’

‘O nee! Met veel mannen. Als het kan 500 …’

‘En wat moeten wij daar doen?’

‘Magui zal u dat zelf vertellen of zij stuurt één van mijn vrienden om u dat te vertellen’.

‘Dank u’, zegt de kapitein. ‘Ga nu heen en rust wat uit. Zeg beneden tegen Gerbas en Pied de Fer dat zij onmiddellijk hierheen moeten komen.’

 


 

Naar kamp Sarrazin en Pont de Pile

 

186. Even later komen Gerbas en Pied de Fer de kamer binnen.

‘Hoeveel mannen hebben wij hier beschikbaar?’ vraagt Lacuzon aan Pied de Fer, zijn luitenant.

‘Driehonderd, kapitein.’

‘En in de Franée?’

‘Tweehonderdvijftig’.

‘En in kamp Sarrazin?’

‘Honderdvijftig, evenals in Pont de la Pile’.

‘Goed. Je brengt tweehonderd man bij elkaar en vertrekt met hen naar het bos Saint-Maur’.

‘Goed, kapitein.’

‘Je moet er voor zorgen dat de mannen in kleine groepjes zijn verdeeld en jullie moeten verschillende wegen nemen. Porte-Balle neemt honderd man van de Franée en brengt hen naar dezelfde plaats. Coeur de Chêne en Bijou gaan respectievelijk naar kamp Sarrazin en Pont de Pile. Ieder van hen leidt honderd

man naar het bos Saint-Maur. Heb je alles begrepen?’

‘Volkomen, kapitein!’

‘Iedereen moet uiterst voorzichtig zijn, want van onze plannen mag niets uitlekken. Ik vertrek zelf met een vijftig man. Vertrek nu, zodat ik er niet het eerst zal aankomen.’

Pied de Fer gaat naar beneden en men hoort hem met luide stem de orders van de kapitein meedelen.

‘Wel’, zegt Varroz, ‘en wat moet ik doen?’

‘Ik zou graag willen dat u hier bleef met baron de Champ-d'Hivers. U kunt dan het commando op u nemen van de mensen die hier achterblijven als ik ze nodig mocht blijken te hebben. Want zoals u weet, ken ik het doel van deze expeditie niet. We lopen blindelings onder de leiding van Magui.’

‘Goed. Wij zullen hier wachten’, zegt Varroz.

 


 

Wordt Marquis uitgeleverd?

 

187. Wat is er inmiddels met Marquis gebeurd? Zoals Magui al tegen Lacuzon gezegd had, werd hij inderdaad eerst naar Clairvaux gebracht door de Grijzen. Maar het gevangen houden van een van de leden van het grote driemanschap van de Franche-Comté is een compromitterende aangelegenheid voor de Sire van Bauffremont die nog niet zo heel diep in het drijfzand van het verraad is geraakt. Zodra de dag is aangebroken, wordt Marquis dan ook uit zijn gevangenis gehaald. De Grijzen leggen een lange grauwe mantel over de schouders van Marquis die zijn rode soutane geheel bedekt.

Twintig Grijzen nemen de geestelijke tussen zich in en even later zet de stoet zich in beweging. Al spoedig ziet Marquis waar ze hem heen leiden: naar het lager gelegen land waar ze hem ongetwijfeld

zullen overleveren aan de Fransen of aan de Zweden. Marquis weet dat hij als dat het geval is, niet op medelijden hoeft te rekenen. De drie leiders van de boeren uit de Franche-Comté zijn hun aartsvijanden. Hij blijft echter als een held met opgeheven hoofd lopen.

Tegen acht uur in de morgen passeert de troep het slot Verges dat toebehoort aan de hertog Henri de Verges, een franc-comtois in hart en nieren. Marquis ziet enkele van zijn mannen bij het slot staan praten. Zij kijken naar de kleine troep, maar de afstand is te groot, dan dat zij Marquis zouden herkennen. Marquis' gedachten gaan razend snel. Hij kan niet wegvluchten, maar wel zou hij om hulp kunnen schreeuwen. Maar de Grijzen raden zijn gedachten.

 


 

Marquis als gevangene naar het kasteel Bletterans

 

188. Een van de Grijzen komt vlak naast Marquis lopen. Hij haalt zijn dolk te voorschijn en steekt de punt in de linkerarm van Marquis. Met een lage stem zegt hij: ‘Eén enkel woord betekent je dood!’ Marquis maakt onwillekeurig een beweging. De Grijze legt deze beweging verkeerd uit. Twee messteken doen het bloed uit Marquis' arm stromen.

‘U hebt me pijn gedaan’, zegt Marquis glimlachend. De Grijze heeft spijt van zijn daad en bergt zijn mes op. De geestelijke blijft kalm als tevoren. De soldaten van het slot van Verges blijven nog even naar de voorbij trekkende troep kijken, niet vermoedend dat onder hun ogen een gevangene wordt vervoerd. Een

gevangene die de naam Marquis draagt! Dan draaien zij zich om en gaan het kasteel van hun meester binnen. De Grijzen zetten hun tocht voort en verhaasten hun pas.

Na enkele uren komen ze bij het kasteel Bletterans waar het hoofdkwartier van het Franse leger is gevestigd. Om het kasteel heen staan tenten waarin de soldaten kamperen. Aanvankelijk kan de troep ongehinderd het kamp binnentrekken, maar hoe verder ze komen, hoe meer mensen om de troep heen komen lopen. Het nieuws van de gevangenneming van de priester-soldaat is van mond tot mond gegaan.       

 


 

Hoe wordt Marquis behandeld?

 

189. ‘Het kasteel van Bletterans is een belangrijk strategisch punt. Het is de eigenlijke sleutel tot het baljuwschap d'Aval en verdedigt aan de kant van de Bresse de toegang tot de Franche-Comté. Aan de uiterste noordkant beschermen bolwerken de burcht. Verder is het hele kasteel omringd door water; kleine, maar ook grote en diepe rivieren. De Fransen zijn meester van dit kasteel geworden na een zeer lange en moeizame strijd.

De ophaalbrug wordt neergelaten om Marquis en zijn begeleiders door te laten. Terwijl de soldaten die de wacht moeten houden langzaam op de wallen en op de binnenhof heen en weer lopen, bepaalt de aandacht van het publiek zich uitsluitend op de nieuwaangekomenen met de bijzondere gevangene in hun midden.

‘Bent u daar, pater?’ honen de mensen. ‘We vinden het een eer u hier te zien, grote verdediger van de

Franche-Comté! Nu is het moment gekomen waarop u uw gebed kunt doen!’

De pater loopt rustig tussen de menigte door en doet alsof hij niets hoort.

Bij een poort aangekomen houdt de stoet even halt. De deur wordt geopend en de pastoor kan met zijn begeleiders binnentreden. Terwijl de luitenant van de Grijzen op nieuwe orders wacht, wordt de gevangene in een laag vertrek gebracht. Vlees en wijn worden voor de soldaten geserveerd. Marquis krijgt echter niets. Zijn handen zijn nog steeds gebonden; honger en de pijn van de messteken in zijn arm, doen hem uitgeput raken. Hij valt doodmoe op een bank neer. Er komt echter geen klacht over zijn lippen. Hij kan slechts bidden tot God om kracht om straks als een held te kunnen sterven.

 


 

De man in het rode kleed

 

190. Terwijl Marquis zit te wachten op wat er met hem zal gebeuren, vindt in een andere zaal van het kasteel een belangrijke bespreking plaats. Het is een zaal van geweldige afmetingen, maar zij verkeert in een erbarmelijke staat. De gevechten die in het kasteel hebben plaatsgevonden, hebben in deze zaal wel heel duidelijk hun sporen achtergelaten. Op dit moment zitten hier zes mensen: kardinaal Richelieu die in een enorme fauteuil zit, de graaf van Guébriant, Antide de Montaigu en drie Franse generaals, de hertog van Longueville, de markies de Villeroi en de markies van Feuquières.

Het gezicht van de kardinaal is bleek en benig. Zijn oogopslag is loom en zijn smalle lippen plooien zich ieder ogenblik in een sarcastische glimlach. Alles aan hem wijst op listigheid, onbetrouwbaarheid en wreedheid, maar ook op genialiteit, ondanks de zwakheid van zijn lichaam. Antide de Montaigu gaat juist vertellen dat Marquis gevangengenomen is en dat de soldaten hem nu zullen uitleveren als eerste bewijs van zijn onwankelbare trouw aan het dierbare

Frankrijk. Dan legt hij de kardinaal het plan voor dat hij heeft gemaakt om ook de andere leden van het driemanschap: Varroz en Lacuzon, gevangen te nemen.

Als hij zijn toespraak heeft beëindigd, gaat hij eerbiedig enkele passen achteruit.

De man in het rode kleed die heeft geluisterd zonder ook maar één keer in de rede te vallen, vestigt nu zijn blik op De Montaigu en zegt langzaam: ‘Het is goed, Messire. Ik geloof dat uw plannen zullen slagen. En wanneer het uur is gekomen waarop wij hen die ons hielpen zullen belonen, zullen wij u zeker niet vergeten’.

De heer van het kasteel De Arend bloost van genoegen en stamelt enkele woorden van dank.

Niemand verstaat deze woorden echter, want een officier is de kamer binnengekomen die de aankomst van Marquis aankondigt.

‘Laat men hem binnen vijf minuten hierheen brengen’, zegt de kardinaal.

 

 


 

Waarom dat zwarte masker?

 

191. Dan wendt de kardinaal zich tot de markies van Feuquières en zegt: ‘Wilt u ervoor zorgen dat mijn naam niet zal worden genoemd in tegenwoordigheid van de gevangene? Geef nu opdracht aan vijftig soldaten om hier om mijn stoel te komen staan’.

‘Monseigneur’, zegt dan Antide de Montaigu, ‘ook ik heb er belang bij niet te worden herkend door Marquis. Staat u mij toe mij te vermommen?’ ‘Het zwarte masker?’

‘Ja, monseigneur.’

‘Ik sta het toe!’

De heer van het kasteel De Arend gaat weg. Na een minuut komt hij weer terug, een lange mantel om zijn schouders en een zwart masker voor zijn gezicht. Op hetzelfde moment komen vijftig soldaten de zaal

binnen, de degen in de hand. Zij gaan met de graaf van Guébriant aan de rechterkant van de stoel staan, zich daarmee distantiërend van de heer van het kasteel De Arend die aan de linkerkant heeft plaatsgenomen.

‘Generaal,’ zegt de kardinaal tegen de markies van Feuquières, laat de gevangene binnenkomen.’

Enkele seconden later treedt Marquis binnen, omringd door een tiental soldaten. Zijn handen zijn niet meer gebonden, maar hij ziet zeer bleek. Even kijkt hij de zaal rond. Zijn blik blijft rusten op de kardinaal. Een glimlach trekt langs zijn lippen en even lichten zijn ogen op. De kardinaal ziet deze glimlach en geërgerd fronst hij zijn voorhoofd. Maar Marquis kijkt al niet meer naar hem.

 

 


 

De priester met het geweer

 

192. De ogen van Marquis richten zich op de man met het zwarte masker. De priester-soldaat rilt van afschuw, alsof hij op een vies beest heeft getrapt. Een felle haat weerspiegelt zich even op zijn gezicht. Dan kijkt hij weer naar de man in het rood.

‘Kom dichterbij,’ zegt deze tegen de gevangene. Marquis doet een stap vooruit en staat dan stil, de armen over zijn borst gekruist. Gedurende enkele seconden kijkt de man die men Monseigneur of Uwe Eminentie noemt, Marquis aandachtig aan.

Na dit korte examen verbreekt de kardinaal de stilte. ‘Dus u bent die pater Marquis, de priester die het geweer op de schouder nam en de degen in de hand die behoort te zegenen.’

‘Die ben ik,’ antwoordt Marquis rustig.

‘U bent dus vergeten wat in de Bijbel geschreven staat: die het zwaard opneemt zal door het zwaard

vergaan.’

‘Ik ben niets vergeten.... Jezus gebruikte een koord om de marktlieden van het tempelplein te verjagen en tegen verraders gebruikte hij andere middelen.’

‘God was dit keer niet met u, want wij hebben u overwonnen.’

‘Overwonnen!’ roept Marquis uit. ‘Wie zegt dat?’

‘Bent u dan niet onze gevangene?’

‘Ik, ja.... Maar wat doet dat ertoe! Ik ben niet alleen! Er zijn andere helden! Als ik dood ben, zal de zucht naar vrijheid alleen maar groter worden!’

‘Dwaas! Bedenk dat je onder de koning van Frankrijk en Spanje behoort te staan!’

‘Zeker. Wij weten dat maar al te goed! Wij zijn op onze vrijheid gesteld!’ De stem van Marquis klinkt vastberaden en er klinkt zelfs enthousiasme in door!

 


 





Antide de Montaigu, de verrader

 

193. De kardinaal ziet Marquis aan met een nauwelijks verborgen bewondering. De man die men hem had beschreven als een fanatieke boer, blijkt een diep denker te zijn! Hij gaat recht op zijn doel af, bezield door een grote gedachte. Hij is welsprekend en kent de uitwerking van het gebaar en de blik.

Marquis vermoedt iets van wat de kardinaal over hem denkt en hij begint weer te spreken. ‘Al twintig jaar strijden wij voor onze vrijheid en u denkt toch niet dat wij nu de strijd zullen opgeven? Bent u dan alle bloedige gevechten die wij wonnen, vergeten?

En denkt u eens aan het bestaan van het parlement. Is dat niet een bewijs van onze onafhankelijkheid?’ Even zwijgt Marquis, zijn gezicht staat ernstig. ‘Er zijn verschrikkelijke misdaden gepleegd. Maar wie zal zeggen of niet weldra hoofden zullen vallen, waarvan men het masker heeft afgerukt?’

Deze laatste woorden treffen het hart van Antide de Montaigu als een dolkstoot en deze verbleekt onder zijn zwarte masker.

De moed van de pater heeft menig hart niet onberoerd gelaten. Na de algemene verrassing volgt respect, ja, bijna sympathie. Als de kardinaal niet aanwezig was geweest zou misschien menige hand die van de pater in de zijne hebben genomen. Alleen Antide de Montaigu, de grote verrader, is de prooi van een tomeloze woede. Hoe haat hij deze tegenstander die het respect wint van zijn vijanden!

Enkele seconden lang zit de man in het rode gewaad, de kardinaal, in gepeins verzonken. Marquis, nog altijd de armen gekruist over de borst, kijkt hem aan met een glimlach.

 

 


 

Richelieu

 

194. De man in de rode pij richt langzaam het hoofd op. Zijn blik kruist die van Marquis die zijn ogen niet neerslaat. Alle aanwezigen staan gespannen te wachten op wat komen gaat. Maar in plaats van boze woorden begint de kardinaal een debat.

‘U bent bang dat de koning van Frankrijk voor u een meester zal worden’, zegt hij met een zachte stem, ‘maar de politiek die Lodewijk XIII voert, moest u overtuigen’.

‘Ik begrijp u niet’, zegt Marquis.

‘U hebt mij gezegd dat het parlement het gewone volk beschermt tegen de rijken’, zegt de kardinaal, ‘maar doet Lodewijk XIII niet hetzelfde?’

De pater antwoordt slechts met een glimlach.

‘Hebt u me dan niet begrepen?’ vraagt de kardinaal.

‘Ik vraag u vriendelijk tegen mij niet meer over Lodewijk XIII te spreken’, zegt de pater.

‘Waarom?’

 

‘Omdat Lodewijk XIII niet bestaat. Dat weet u trouwens beter dan ik’.

De man in het rood verbleekt.

‘Nee’ vervolgt Marquis, ‘laten we niet over de koning van Frankrijk spreken, maar als u dat wilt, laten we dan spreken over de kardinaalminister, over Richelieu. Richelieu, de man die het in Frankrijk voor het zeggen heeft, voor wie iedereen, ook de koning, zich moet buigen en die bijzonder goed voor zichzelf zorgt in zijn grote hoogmoed’.

Op deze woorden doen de hertog van Longueville, de markies van Villeroi en de markies van Feuquières een stap naar voren. Hun handen gaan naar het handvest van hun zwaard.

Laat uw zwaarden op hun plaats, heren’, zegt Marquis. ‘U bent edellieden en die doen over het algemeen mensen die zich niet kunnen verdedigen, geen kwaad. Bovendien zal de scherprechter zich zeer waarschijnlijk binnen kort over mij ontfermen’.

 


 


Hoe kent Marquis de kardinaal?

 

195. Nadat hij zich tot de Franse officieren heeft gewend, richt Marquis zijn blik op Antide de Montaigu: ‘Mijne heren’, zegt hij tot de officieren, ‘Ik heb u gevraagd uw degens weer in de schede te steken, maar indien u wilt dat ik snel dood ben, geef dan een dolk aan deze gemaskerde heer. Het beroep van beul is hem namelijk niet vreemd’.

‘Onbeschaamd!’ schreeuwt de heer van het kasteel De Arend.

‘Stil’, snijdt de stem van de man in het rood, terwijl bij een teken geeft aan de markies van Feuquières. Deze geeft op zijn beurt een teken aan een officier die dicht bij de deur staat opgesteld. De officier verlaat het vertrek.

Op hetzelfde moment klinkt trompetgeschal. Een jongen van ongeveer zestien jaar, voorafgegaan door twee herauten en gevolgd door acht wachters, treedt de zaal binnen. De page draagt een roodfluwelen kussen dat met gouddraad is afgezet.

Er ligt een witte envelop op. De page treedt op de kardinaal toe en maakt een knieval.

‘Voor...’ begint hij.

Maar hij kan de zorgvuldig voorbereide boodschap niet brengen, want Marquis valt hem in de rede.

‘Voor Zijne Eminentie, Monseigneur de kardinaal De Richelieu’, zegt hij met heldere stem.

‘Wat?’ roept de kardinaal uit,

‘U weet?’ Marquis maakt een buiging.

‘Ja, Monseigneur’.

‘Wie heeft u dat verteld?’

‘Niemand, maar waarom zou ik dit niet kunnen raden?’ Hoewel het nieuws dat u bent aangekomen nog niet bij ons bekend was, Monseigneur, heb ik daaraan toch geen moment getwijfeld. Voor wie anders dan u zouden de Franse generaals het hoofd zo diep buigen? Trouwens, getuigen uw kleren niet u van uw kardinaalzijn?’

 

 


 

Richelieu  verzoekt Marquis te spreken

 

196. Na deze beschuldigende woorden van Marquis is Richelieu wit van woede. Zijn ogen vlammen en met trillende stem schreeuwt hij: ‘Pater, pas goed op uw woorden!’

‘Waarom, monseigneur?’ vraagt Marquis. ‘Wat heb ik te vrezen? Ik weet dat de dood mij wacht en dat ik er niet aan kan ontkomen. Hoogstaande mensen staan altijd een laatste wens toe aan iemand die gaat sterven. Ik verzoek u mij toe te staan hier vrijelijk te mogen spreken, zonder dat ik onderbroken zal worden. Dat is mijn laatste wens en ik verzeker u dat alles wat ik zeg volkomen waar zal zijn.’

De kardinaal die zichzelf weer in bedwang heeft, maakt een instemmend gebaar en zegt: ‘Spreek!’

‘Dank u monseigneur’ zegt de pater. ‘De Fransen willen de Franche-Comté. Maar gelooft u dat uw soldaten door het stichten van brand, door plunderingen, door grove misdaden en door willekeur onze sympathie kunnen winnen? Vraag uw generaals, monseigneur, op welke wijze zij de oorlog uitleggen. Maar zij zullen u daarop het antwoord schuldig blijven. Daarom zal ik het u zeggen. Ik zal u zeggen wat zij gedaan en misdaan hebben.

 

En zij zullen mij niet durven tegenspreken!’

De hertog van Longueville en de heren van Villeroi en Guébriant doen een pas naar voren. Zij willen Marquis kennelijk het zwijgen opleggen.

‘Kan ik spreken of word ik gedwongen te zwijgen monseigneur?’ vraagt Marquis.

‘Spreek!’ zegt Richelieu. Marquis begint zijn verhaal, vertellend over de misdaden die werden begaan in de Franche-Comté: ‘In 1637, nadat hij Poligny had overwonnen, heeft de hertog van Longueville de stad laten verwoesten. Alle inwoners werden vermoord. De markies van Villeroi liet het koren in brand steken, verwoestte het kasteel Vire-Chatel zonder enige aanleiding en brandde vijf dorpen in de omstreken plat. Ik zou uren kunnen praten over wat zij misdaan hebben, monseigneur. Vuur en hongersnood dat zijn de wapenen van uw generaals.’

‘Uwe Eminentie moet deze man het zwijgen opleggen!’ schreeuwt Longueville.

‘Heeft hij gelogen?’ vraagt de kardinaal.

De hertog antwoordt niet.

‘Ga door’, zegt Richelieu.

 

 


 

Hoe wilt u worden behandeld?

 

197. Marquis doet nu een lang en gedetailleerd verhaal over alle misdaden die in de loop van de jaren in de Franche-Comté zijn begaan. Hij vertelt behalve over de generaals ook over de hertog van Guébriant.

‘Monseigneur’, eindigt de pater zijn betoog met bevende stem en met tranen in de ogen, ‘Monseigneur, heb medelijden met dit arme land. De oorlog die u aan onze provincie hebt verklaard is mensonterend en wreed. ‘Een troep gluiperige wolven is losgelaten op onze bergstreken, er een grote ravage teweegbrengend.

Als inwoner van de Franche-Comté en als één van de aanvoerders van de bergbewoners haat ik u, Monseigneur! Als man ben ik verplicht u te bewonderen en u hoog te achten’. Marquis zwijgt.

Richelieu ondersteunt zijn hoofd in zijn hand en denkt na over hetgeen Marquis zo juist heeft gezegd. Alle aanwezigen verwonderen zich over de stilte die na

deze beledigende woorden is gevallen.

Dan heft de kardinaal het hoofd op. ‘Pater’, zegt hij, ‘uw leven is in mijn hand’.

‘Dat weet ik en ik weet ook wat u ermee zult doen’.

‘En als ik u ondanks alles toch vrij liet?... wat zou u daarvan zeggen?’

‘Ik zou zeggen dat u daar een bijbedoeling mee hebt, Monseigneur’.

‘Dus als ik u vrij liet, zou u mijn aanbieding niet accepteren?’

‘Mijnheer’, zegt Marquis, ‘ik ken u het recht toe om mij te folteren, maar niet om mij te beledigen’.

‘Pater’ vraagt Richelieu, ‘hoe wilt u worden behandeld?’

‘Als uw gelijke, Monseigneur’.

‘Mijn gelijke?' vraagt  Richelieu verwonderd.

‘U bent een koning van de Fransen en ik ben een koning van de bergbewoners. En wij beiden zijn priesters’.

 


 

De ontroering van de kardinaal

 

198. ‘Wie heeft u het recht gegeven deze rode mantel te dragen?’ vraagt de kardinaal, ‘waarom draagt u de pij die slechts de allerhoogsten mogen dragen?’ ‘Heeft men u niet verteld, Monseigneur dat deze rode mantel mijn talisman is? En hebt u nooit gehoord dat deze mantel mij onkwetsbaar maakt?’

‘Ja, daarover heb ik gehoord. Maar met welk doel draagt u deze mantel?’

Met een snel gebaar haalt Marquis de dolk uit de ceintuur van Feuquières die vlak naast hem staat en met de punt van het mes snijdt hij zijn linkermouw open van boven naar beneden. De Fransen die niet kunnen zien wat Marquis doet, dringen naar voren omdat zij denken dat Marquis de kardinaal wil aanvallen, maar Marquis heeft de dolk alweer op de grond gegooid.

Hij toont zijn arm aan de kardinaal. De wond die bij

het kasteel de Verges werd gemaakt, bloedt nog steeds.

‘Kijk, Monseigneur’, zegt Marquis, ‘al de tijd dat ik hier sta vloeit er bloed en toch heeft niemand dat gemerkt.

Het bloed heeft dezelfde kleur als mijn kleed. Ziedaar, waarom Marquis onkwetsbaar is. Dit is het geheim van mijn rode mantel!’ De kardinaal slaat de ogen neer. Een korte, maar hevige ontroering maakt zich van hem meester.

Een kreet van bewondering ontsnapt aan de toeschouwers.

Dit ontstemt de kardinaal en hij fronst zijn wenkbrauwen. De soldaten zwijgen. De kardinaal denkt na.

Marquis staat rustig te wachten op de dingen die nu zullen komen.

 


 

Een dood door het touw

 

199. Het is Richelieu die eindelijk de stilte verbreekt. ‘Mijne heren’, zegt hij, de officieren die hem omringen één voor één aankijkend, ‘Wij hebben een rebel overmeesterd en gevangen genomen. Hij verdient straf en ik zou van u willen horen, welke straf dat moet zijn. Spreekt u eerst, hertog van Longueville’.

Monseigneur’, antwoordt de hertog, ‘ik heb geen andere mening dan de uwe. Ik zou me kunnen vergissen terwijl Uwe Eminentie onfeilbaar is’.

‘En u, markies van Villeroi?’

‘Mijn mening is volkomen gelijk aan die van de hertog van Longueville’.

‘En u, markies van Feuquières?’

‘Mijn antwoord is gelijkluidend aan dat van mijn voorgangers’.

Richelieu kijkt even naar De Montaigu en moet dan zijn ogen neerslaan voor de blik die deze hem toewerpt.

Marquis staat rustig het oordeel van de officieren af te wachten.

‘Hij heeft gelijk’, denkt Richelieu, ‘ze durven geen

mening bekend te maken, voor ik het heb gedaan’.

Dan wendt hij zich tot Guébriant: ‘En u, hertog, hebt u hierover een mening?’ ‘Ik, Monseigneur, zou gratie verlenen’.

‘Ah!’ zegt Richelieu. De ogen van de andere officieren richten zich verontwaardigd op Guébriant die deze gedurfde woorden zegt.

Alleen Antide de Montaigu moet nu nog antwoord geven op de vraag: ‘En u, Messire, welke straf verdient volgens u deze gevangene?’

‘De dood’.

‘En op welke wijze?’

‘Als een boer: het touw’.

‘En als dit vonnis wordt uitgesproken, zult u zich willen belasten met de terechtstelling?’

‘Indien u dat wenst: ja, Monseigneur’.

Richelieu slaat de ogen neer. De bruutheid van Antide de Montaigu maakt dat hij zich schaamt.

‘Laat de priester naar de kapel brengen’, zegt Richelieu. ‘Laat hem daar alleen, om zich voor de bereiden op de dood’.

 

 


 

Monniken uit het klooster van Cuzeau

 

200. Terwijl in het kasteel van Bletterans wordt beraadslaagd over het vonnis van Marquis, volgen twee monniken de weg die enkele uren geleden werd gebruikt door de soldaten die de gevangene naar het kasteel voerden. Zij dragen beiden de pij van het klooster van Cuzeau dat wil zeggen: een lange mantel van grijs linnen met een capuchon die het gezicht bijna geheel bedekt. Een koord houdt de mantel om de taille bijeen. De ene monnik is een grijsaard. Talloze rimpels doorgroeven zijn voorhoofd en gezicht.

Een lange witte baard deint op en neer op zijn borst. De andere monnik is hoogstens 24 jaar. Zijn hoofd is onbedekt en zijn blonde haren wapperen in de wind.

De weg is stil en verlaten en de mannen lopen stevig door. Bij een kromming in de weg zien de monniken plotseling een stoet aankomen. Er komen wagens aan, afgeladen met graan en koren en een half dozijn grote ossen. Dit alles wordt bewaakt door een kleine groep boeren die tot de tanden gewapend zijn.

Zodra de monniken de stoet zien naderen, voltrekt zich een verandering in een van hen. De oude man die tot dan toe steeds veerkrachtig naast de jongere heeft gelopen, houdt de pas in. Zijn rug kromt zich en sloffend loopt hij verder, met bevende hand de stok vasthoudend waarop hij zwaar leunt.

 


 

Wat willen die twee monniken?

 

201. De boeren met hun wagen met koren passeren de twee vreedzame monniken. Zij keuren ze nauwelijks een blik waardig. Na ongeveer een kwartier als de twee groepen elkaar niet meer kunnen zien, voltrekt zich een tweede verandering bij de oude monnik. Hij richt zijn hoofd op, hij strekt zijn rug en enkele seconden later is alles zoals het een half uur geleden was: op een eenzame weg lopen twee monniken, een jongere en een oudere, maar de één gaat nu veerkrachtig naast de ander voort.

Nadat zij enkele uren hebben gelopen zonder dat zich incidenten hebben voorgedaan, bereiken de monniken een kleine heuvel. In de verte zien zij een bos. Daartegen bespeuren zij het silhouet van een toren die ver uitsteekt boven de omringende gebouwen.

‘Wat is dat?’ vraagt de jonge monnik.

‘Dat is Bletterans’.

‘En wanneer zullen wij er zijn?’

‘Binnen een uur. Ik hoop dat onze reis even

spoedig zal eindigen als hij begon. Als de inlichtingen die men mij gaf juist zijn, is het bos dat wij nu door moeten trekken niet bezet door de Fransen. Ik begin te geloven dat alles zal verlopen, zoals ik me dat had voorgesteld’.

De twee monniken trekken het bos door, zonder ook maar iemand tegen te komen. Als zij het bos uit komen staan zij voor een grote vlakte die zich uitstrekt tot het kasteel van Bletterans. De zon verdwijnt achter de horizon die schuilgaat achter nevelflarden. Op dat moment slaat de klok van het nabijgelegen dorp vijf uur. Op hetzelfde moment klinkt uit de richting van het kasteel lawaai tot de monniken door. Tot hun ontsteltenis zien zij, hoe de brug voor het kasteel die tot dan toe was neergelaten, wordt opgehaald.

‘Ach’, roept de oudste uit, ‘wij zijn te laat!’

‘Wat te doen?’

‘Altijd verder gaan!’

 

 


 

Overvallen

 

202. De twee monniken gaan het veld op dat volkomen verlaten is. In de verte zien zij de eerste tenten van het Franse kamp. Op de vestingwallen lopen de schildwachten heen en weer en op verschillende punten staan soldaten in het niets te staren. De twee monniken lopen door. De oudste meer gebogen dan ooit. Ze naderen het kasteel en moeten alleen nog een klein bos door om dit te bereiken.

De monniken gaan verder alsof zij voor geen kwaad bang hoeven te zijn. Ze komen in het gezichtsveld van de schildwachten.

Deze staan stil en kijken naar hen met die instinctieve nieuwsgierigheid die men moet hebben als het kleinste incident van belang kan worden. Plotseling verscherpt hun aandacht en maakt plaats voor verbazing.

Een twintigtal soldaten die het uniform van het Franse leger dragen, springen achter de bomen te voorschijn en vallen de twee vreedzame reizigers aan.

De geestelijken proberen te vluchten, maar de oudste kan niet snel genoeg wegkomen en de jongere wil zijn metgezel niet in de steek laten. De soldaten omringen het tweetal en een ongelijke strijd ontstaat. Lang kan deze strijd echter niet duren. De oude man wordt getrapt en geslagen tot hij als dood blijft liggen. De jonge man  wordt gemakkelijk door de meerderheid overmeesterd, hoe hij zich ook verweert. Zijn handen worden hem op de rug gebonden. Hij weigert echter te lopen. Dan  nemen de mannen hem op en dragen hem het kreupelhout in.

 

 


 

Moeder Fint

 

203. Deze wilde aanval op twee onschuldige monniken die zich niet konden verdedigen, maakt de tongen los bij de soldaten die het gebeurde vanaf de vestingwallen hebben gadegeslagen. Er heerst grote verbazing dat op klaarlichte dag vlak voor de muren van de stad, een dergelijke onbeschaamde overval wordt gepleegd.

‘Wat zouden zij met de jongste monnik voorhebben dat zij hem op die manier wegbrachten?’ vraagt een van de mannen zich af.

‘Tot welk legeronderdeel behoorden de overvallers?’ vraagt een ander.

‘Ik dacht het uniform van het regiment van Conti te herkennen’.

‘Ah! Het regiment van Conti! De grootste plunderaars van het leger!’

‘Het is niet erg fijngevoelig juist vandaag een dergelijke overval te plegen. De kardinaal zal het hun niet vergeven dat zij onschuldige monniken

aanvielen’.

‘Ik begrijp niet, hoe twintig mannen in het bos konden komen, terwijl wij de hele dag daar geen mens hebben gezien’.

‘Bah! Ze zijn natuurlijk via het grote bos dat erachter ligt, in het kleine bos gekomen. Dat is niet moeilijk te begrijpen’.

Op dat ogenblik verschijnt een nieuwe figuur op de wallen.

Het is een oude vrouw, klein en dik en met een rode neus die ervan getuigt dat zij de wijnfles niet schuwt. Iedereen kent haar onder de naam moeder Fint en sinds mensenheugenis is zij portierster op het kasteel Bletterans. Neutraal als zij is drinkt zij even graag op de Fransen en Zweden als op de Franche-Comtois. Zij houdt ook een soort logement dat bestaat uit een gelagkamer en een slaapkamer.

‘Wel’, vraagt zij aan de soldaten, ‘wat gebeurt hier toch?’

 


 

De gouverneur

 

204. Een van de soldaten beantwoordt de vragen van de vrouw. Hij wijst met zijn hand naar de plaats waar de oude monnik roerloos ligt: ‘Kijk,’ zegt hij. ‘Daar ligt een arme monnik die door plunderaars is overvallen.’

‘Ah, de schurken!’ roept de vrouw uit... ‘Maar… u zegt: een monnik?’

Iedereen weet dat moeder Fint in wezen een godsdienstig mens is. Zij staart even op haar handen en kijkt dan kommervol naar de roerloze gedaante op het veld.

Na enkele minuten roept zij uit: ‘Maar, hij is niet dood! Kijk, hij bewoog!’

De aandacht van de soldaten die weer was verslapt, richt zich opnieuw op de monnik. ‘Het is waar! Hij beweegt!’ Inderdaad, de monnik probeert één van zijn armen op te tillen.

Dan richt hij zich iets op en brengt de handen naar het voorhoofd. Wezenloos kijkt bij om zich heen.

‘Hierheen, goede vader’ roept de vrouw.

Maar de monnik is te ver verwijderd om dit te kunnen horen. Toch schijnt hij een geluid te hebben gehoord, want hij strekt een arm uit naar het kasteel alsof hij om hulp smeekt. Dan valt hij weer terug en blijft even roerloos liggen als daarvoor.

‘Hij gaf ons een teken. We moeten hem helpen,’ herneemt de vrouw.

‘Hem helpen?’ herhaalt een soldaat.

‘En hoe had je dat gedacht?’

‘Ik ga toestemming vragen aan de gouverneur.’

Op dat moment verstommen de gesprekken en eerbiedig wijken de soldaten opzij. De gouverneur baant zich een weg naar de plaats waar de vrouw staat. ‘Wat heeft dat lawaai te betekenen?’ vraagt hij op ruwe toon. In enkele woorden vertelt de vrouw hem wat er is gebeurd. De man kijkt naar het lichaam op het veld.

‘Messire’, smeekt de vrouw, ‘we moeten hem toch helpen, nietwaar?’

 


 

Mag hij naar binnen?

 

205. ‘Messire, geef opdracht dat de ophaalbrug moet worden neergelaten en dat men deze man hulp moet bieden’, smeekt de oude vrouw.

Maar de gouverneur is niet te vermurwen. ‘Dat is onmogelijk’, antwoordt hij. ‘De kardinaal heeft bevolen dat de brug onder geen beding na vijf uur geopend mag zijn’.

Op dat moment klinkt vanuit de richting waar de monnik ligt, een vage kreet.

De vrouw is wanhopig.

Ook de gouverneur lijkt bewogen, maar hij durft het bevel van de kardinaal niet te negeren. Hij verwijdert zich na gemompeld te hebben: ‘Het is treurig, maar ik kan hier werkelijk niets doen’.

‘Ik heb een plan!’ roept dan plotseling de vrouw uit.

De gouverneur staat stil. ‘Ik weet een manier, Messire waardoor wij deze ongelukkige man te hulp kunnen komen en waarvoor u zeker uw toestemming zult geven.

‘Wat bedoel je?’

‘U weet dat ik een muilezel heb en als ik mijn inkopen ga doen, hang ik twee manden op zijn rug’.

‘En verder?’

‘Vindt u het goed dat ik een lang touw aan één van deze manden maak en de mand naar beneden laat zakken? Als deze goede monnik in de mand is, kunnen wij hem binnenhalen, zonder dat de ophaalbrug open hoeft’.

‘Ik zeg geen nee’, zegt de gouverneur.

‘U geeft uw toestemming?’

‘Ik zeg ook geen ja. Want wie zegt mij dat dit geen monnik is uit het klooster van Saint-Claude. Een vriend van kapitein Lacuzon?’

‘Maar Messire’, roept moeder Fint uit, ‘het is een monnik uit het klooster van Cuzeau, een vriend van de Fransen. Dat kunt u toch aan zijn pij zien?’

‘Ik moet bekennen’, zegt de gouverneur glimlachend, ‘dat ik militaire uniformen beter uit elkaar kan houden dan monnikspijen’.

‘U geeft dus toestemming?’

‘Ja, maar op één voorwaarde’.

‘En dat is?’ De monnik mag uw logement niet verlaten, hij mag zich niet in het kasteel vertonen en morgen moet hij weer weg’.

‘Dat alles zal gebeuren. Messire, u kunt op mij vertrouwen’.

 


 

Wordt de monnik gered?

 

206. Zodra de gouverneur is verdwenen, roept moeder Fint haar zoon: ‘Nicolas! Nicolas!’ Na enkele seconden komt een grote man van ongeveer dertig jaar aanlopen. Zijn gezicht kan nu niet direct intelligent worden genoemd. In het kasteel verricht hij allerlei kleine karweitjes. Hij heeft de zorg voor de sleutels en helpt zijn moeder in het logement. Vooral zijn baan als sleutelhouder heeft hem bekendheid bezorgd, want doordat de garnizoenen steeds wisselden, is hij de enige die precies weet welke sleutel in welk slot past.

In enkele woorden zegt de moeder hem wat ze van hem wil, hem belovend dat hij, na een goede afloop, een goed glas wijn zal krijgen. Aangespoord door deze belofte gaat Nicolas direct de gevraagde voorwerpen halen waarmee hij enkele  minuten later terugkomt. De soldaten beginnen te werken aan de

mand, terwijl moeder Fint haar aanwijzingen geeft. Zij maken aan ieder handvat een touw vast. Aan de vier uiteinden worden een dikke kabel bevestigd. Dan laten zij de mand naar beneden zakken.

De monnik is inmiddels naderbij gekropen. Hij is nu dicht bij het kasteel, maar de inspanning is hem blijkbaar te veel geweest. Vlak bij de mand valt hij neer en blijft roerloos liggen.

De soldaten en de vrouw schreeuwen en roepen en na enkele minuten slaat de monnik de ogen weer op. De vrouw wijst hem dat hij in de mand moet stappen en met inspanning van al zijn krachten gelukt het de monnik eindelijk zich over de rand van de mand te hijsen.

‘De Heer zij geprezen!’ roept moeder Fint uit. ‘Hij is gered! Mannen, haal de mand voorzichtig op, zodat hij niet tegen de muur stoot’.

 


 

Naar de kapel

 

207. Enkele seconden later staat de mand met de monnik erin op de vestingwal. Alle aandacht is gevestigd op de man die uitgeput in de mand zit. Deze kreunt en smeekt de omstanders hem niet aan te raken, daar al zijn leden gebroken zijn.

‘Wees gerust, goede man’, zegt moeder Fint, ‘ikzelf zal voor u zorgen en twee mannen zullen u naar mijn kamer brengen. U hebt niets te vrezen’.

Een kwartier later ligt de man op het bed van de oude vrouw. Door een langwerpig raam waarvoor ijzeren tralies zijn aangebracht, valt zonlicht op het gezicht van de oude man. Zwak dringt het geluid van buiten door in de kamer. Het logement van moeder

Fint ligt niet ver van de ophaalbrug.

 

We verplaatsen ons naar de kamer van kardinaal Richelieu. Deze heeft zich teruggetrokken terwijl hij de opdracht heeft gegeven dat niemand hem mag storen. Hij wil alleen zijn met zijn gedachten. Hij denkt aan het gesprek dat hij had met die priester-soldaat die hem schaakmat wist te zetten en die door zijn houding grote indruk maakte op de kardinaal. Het is ongeveer tien uur in de avond. Plotseling staat Richelieu op. Hij neemt een brandende lamp en gaat de gang in die naar de kapel leidt.

 


 

Het gesprek tussen Richelieu en Marquis

 

208. Een Franse soldaat loopt voor de deur van de kapel heen en weer.

‘U kunt u terugtrekken’, zegt de kardinaal. De wacht gehoorzaamt en de kardinaal opent de deur. Marquis heeft lang gebeden. Nu staat hij in gepeins  verzonken voor een crucifix aan de muur. Zachtjes komt de kardinaal naderbij. Hij raakt de schouder van Marquis aan die zich omdraait. Zijn gezicht staat noch angstig noch verbaasd. Dan buigt hij even. Niet om eer te brengen aan de minister, maar aan het kleed dat deze draagt.

‘Waaraan denkt u, pater?’ vraagt de kardinaal.

‘Ik denk, Monseigneur’, antwoordt Marquis rustig, ‘aan het feit dat ik tot op deze dag u vervloekt heb om al het kwaad dat u de provincie hebt aangedaan. Nu echter is alle haat verdwenen en uit het diepst van mijn hart vraag ik u vergeving’.

‘Vanwaar deze plotselinge verandering?’

De hand van Marquis wijst naar het crucifix aan de

wand. ‘Ik heb Hem om de kracht gevraagd zijn voorbeeld te kunnen volgen: ik vergeef mijn schuldenaren’.

‘Ik zal van u geen schuldenaar zijn’, zegt de kardinaal langzaam.

‘Wat bedoelt u?’

‘Ik bewonder u en ik wil niet dat u sterft. U zult blijven leven’.

‘Ik, Monseigneur?’ roept Marquis uit.

‘Ik hoop’, zegt Richelieu glimlachend, ‘dat u dit aanbod van mij niet zult weigeren’.

‘Welke prijs moet ik voor deze vrijheid betalen’?

‘Wie praat er over een prijs? Ik verkoop u uw leven niet, ik schenk het u’.

‘Monseigneur, u zegt zulke wonderlijke dingen dat ik moeite heb ze te geloven’. ‘Ah!’ roept de kardinaal uit ‘U gelooft niet in de clementie van Richelieu!’

 

 


 

Wat gebeurt er in het kasteel?

 

209. ‘Monseigneur’, zegt Marquis na een korte stilte, ‘de geschiedenis zal later verhalen over Richelieu als een groot minister, maar nooit zal worden gesproken over een clemente minister’.

‘Dan zal de geschiedenis niet juist zijn. Hoe het ook zij: Ik schenk u uw vrijheid zonder voorwaarden te stellen. Ik heb behoefte aan een vijand als u. De overwinning op de Franche-Comté zal er des te glorieuzer van worden, want ik zeg u nògmaals: de provincie die u zo fanatiek verdedigt, zal weldra de Fransen toebehoren’.

‘Nooit’, zegt Marquis energiek. ‘Nooit?’ herhaalt Richelieu. ‘Gelooft u dat werkelijk?’

Marquis wil antwoorden. Maar plotseling heft hij zijn hoofd op en de woorden blijven in zijn keel steken. Marquis grijpt de arm van de kardinaal en fluistert

hees: ‘Stil’.

Een schril gefluit weerklinkt door het kasteel.

‘Wat is dat?’ vraagt Richelieu, verbaasd over Marquis' opgewondenheid. Maar de pater antwoordt niet. Een tweede maal weerklinkt het gefluit.

‘Twee!’ schreeuwt Marquis. Zijn ogen glanzen en zijn mond glimlacht. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ vraagt de kardinaal ongeduldig.

‘Stil. Luister’, zegt Marquis. En voor de derde keer wordt er gefloten. Marquis vouwt de handen en gaat voor het crucifix staan met tranen in de ogen. Richelieu begint iets te voelen van de vreemde spanning die opeens over de rustige pater is gekomen. Hij voelt dat er onheil wacht. Na de derde fluittoon klinkt een geweerschot. Even later breekt een groot tumult los in het kasteel.

 


 

De vraag van moeder Fint

 

210. Wat is er intussen gebeurd met de arme monnik die moeder Fint onder haar hoede had genomen? De nacht is gevallen en het is stil in het kasteel. Alleen de wachten doen hun ronde, zich met hun mantels beschermend tegen de ijzige regen die troosteloos neerdaalt. Terwijl de oude man in een klein vertrekje ligt te slapen, wachten moeder Fint en Nicolas op het ogenblik dat de monnik zal ontwaken. Moeder Fint maakt een versterkende soep klaar voor haar onverwachte gast.

Dan hoort zij een geluid uit het kamertje komen. Moeder Fint gaat naar binnen en ziet de monnik op de rand van het bed zitten.

‘Goede vrouw’, zegt hij, ‘bent u degene die mij hebt gered?’

‘Ik heb voor u gedaan wat ik kon, vader’.

Maar hoe voelt u zich nu?’

 ‘Veel beter, ik heb nog wel pijn, maar ik voel me veel krachtiger’. Dan reikt de vrouw de monnik de beker soep aan die gretig wordt leeggedronken.

De monnik loopt met moeder Fint naar het grote vertrek waar zij hem een plaats aanbiedt bij het vuur.

‘Waarom vielen de soldaten twee eenzame monniken aan?’ vraagt zij.

‘Ik denk dat de mannen wisten dat mijn jonge broeder en ik veel geld bij ons hadden’, antwoordt de monnik.

‘Veel geld?’ vraagt de vrouw verbaasd.

‘Ik beheer het geld in het klooster van Cuzeau en wij waren op weg naar het klooster van Vaux-sur-Poligny waarheen wij een aanzienlijke som geld moesten brengen’.

 


 

Naar het poortje in de muur

 

211. ‘Had u een grote som geld bij u?’ vraagt moeder Fint.

‘Tienduizend gulden.’

‘Tienduizend gulden!’ stottert de vrouw, ‘en zij hebben alles meegenomen?’ ‘Gelukkig niet. Toen de mannen ons aanvielen heb ik mij verdedigd zo goed als ik kon. Ik geloof echter dat de soldaten dachten dat mijn metgezel het geld bij zich had. Hoe het ook zij, ik kon een gedeelte van het geld behouden. Er viel tijdens de vechtpartij echter een groot deel in het gras. Ik geloof zelfs dat zeker zevenachtste van het geld verloren moet zijn.’

‘Kunnen we dat geld niet gaan zoeken?’

‘Dat kan zeker. Misschien morgen....’

‘We moeten niet te lang wachten. We moeten nog deze nacht gaan zoeken.’

‘Maar hoe komen we uit het kasteel?’

‘Hier vlakbij is een poortje.’

‘Maar dat is natuurlijk gesloten!’

‘Ja, maar mijn zoon heeft de sleutel.’

‘Maar is het niet gevaarlijk? Als de gouverneur het merkt ....’

‘De nacht is donker en het regent. De wachten zullen niets zien.’

Na lang praten geeft de monnik toe dat het inderdaad beter is nu te gaan zoeken. Nicolas, aan wie enkele goudstukken worden beloofd, zal zijn medewerking verlenen. Moeder Fint, de monnik en Nicolas verlaten even later de herberg. De vrouw ondersteunt de monnik die nog wankelend loopt. Nicolas draagt de lantaarn en de sleutels. Even later staan ze stil voor het poortje waarover moeder Fint had gesproken.

 


 

Wat betekent die vreselijke fluittoon?

 

212. Nicolas opent het poortje en gaat dan een ladder halen. Even later komt hij terug. Hij laat de ladder naar beneden zakken tot deze de grond raakt.

‘Vertel nu aan Nicolas wat hij moet doen, goede vader,’ zegt moeder Fint.

‘Mijn kind,’ mompelt de monnik, ‘als je rechtdoor loopt, kom je aan de plaats waar gisteren de vechtpartij plaatsvond. Ga daar zoeken naar de verloren goudstukken; je zult weinig moeite hebben om ze te vinden. Als je echter niets meer kunt vinden, moet je direct terugkomen.’

Nicolas gaat langs de ladder naar beneden. De monnik en de vrouw kijken hem na. Het licht van de lantaarn die Nicolas bij zich draagt, verspreidt een zacht licht. De monnik is achter de vrouw op een steen gaan zitten.

Dan klinkt achter moeder Fint plotseling een schelle

fluittoon. Het is dezelfde toon die kardinaal Richelieu in verwarring bracht. Verschrikt kijkt moeder Fint om.

‘Goede vader, deed u dat?’

‘Ik doe hetzelfde wat u doet, goede vrouw. Ik wacht op de terugkeer van uw zoon.’

‘Maar die vreselijke fluittoon?’ ‘Ik heb niets gehoord.’ De vrouw beeft van angst.

‘Het is onmogelijk, ik weet zeker....’. Maar de vrouw maakt de zin niet af. Voor de tweede maal klinkt een gefluit, maar nu van buiten af.

‘Mijn vader... . mijn vader,’ stamelt de vrouw.

‘Hoorde u deze fluittoon niet?’

‘Ik hoorde niets, mijn kind.’

‘Ik ben bang... er gebeuren hier vreemde dingen.’ Dan klinkt van dicht bij de derde fluit.

 

 


 

Leve Lacuzon!

 

213. Na de derde fluittoon raakt moeder Fint in paniek. ‘We zijn verloren.... Laten we vluchten!’ Zij wil de trappen ophollen, maar de oude monnik houdt haar bruusk tegen. Zijn hand omklemt als een ijzeren schroef haar arm. De vrouw staat te beven op haar benen en even later zakt zij in elkaar op de trap. Dan verschijnt een man op de ladder.

Het is een soldaat van de Franche-Comté dat ziet moeder Fint direct. Achter deze eerste man ziet zij vele anderen. Zwaarden glinsteren en zij ziet de lopen van de musketten. Eén voor één komen de mannen het kleine poortje binnen. Zij passeren de oude monnik die steeds zegt: ‘Loop door, loop maar door’.

Dan klinkt plotseling vanaf de wallen de kreet: ‘Te wapen!’

Op hetzelfde moment klinkt een musketschot. Direct daarop breekt een geweldig tumult los. Het is duidelijk dat het kasteel geheel door vijanden wordt omringd.

Dan laat de monnik de arm van de vrouw los. Hij rukt de baard van zijn gezicht en doet de pij uit. Hij heeft daaronder een soldatenuniform.

‘Kameraden,’ roept hij. ‘Laten we verder gaan!’ Dan wendt hij zich tot de vrouw en zegt: ‘U kunt gerust zijn. Ik geef u mijn woord dat er met u en met uw zoon niets zal gebeuren.’

‘Maar wie bent u dan?’

‘Ik ben kapitein Lacuzon.’ Dan loopt de kapitein de trap op. Achter zich hoort hij de vrouw roepen: ‘Leve Lacuzon!’

 


 

Kan men Lacuzon weerstaan?

 

214. In de kapel staan nog steeds de kardinaal en de priester tegenover elkaar. De kardinaal is nerveus. Hij vraagt Marquis: ‘Wat gebeurt er toch?’ ‘Monseigneur’, antwoordt Marquis, ‘het is heel goed mogelijk dat u nog maar enkele minuten te leven hebt’.

‘Dat is onzin!’

‘Nee, Monseigneur. Op dit moment is het niet de minister van Lodewijk XIII die het in kasteel Bletterans te zeggen heeft.’

‘Wie dan?’

‘Kapitein Lacuzon!’

Het gezicht van de kardinaal wordt dreigend.

‘Lacuzon’, zegt hij minachtend.

‘Het zal hem berouwen!’

De kardinaal loopt naar de deur, maar Marquis houdt hem tegen. ‘Het zal u berouwen als u nu weggaat, Monseigneur’, zegt hij rustig, U zult zeker verloren

zijn!’

‘Verloren’, herhaalt Richelieu, ‘u weet niet, hoe groot de bezetting op het kasteel is’.

‘Dat doet er niet toe’. ‘De bezetting is zeer groot en zal zeker dat troepje boeren uit het kasteel kunnen weerhouden’.

‘Men kan Lacuzon niet weerstaan, Monseigneur’.

Richelieu wil een antwoord geven.

Maar het geschreeuw is nu zo dichtbij gekomen dat de mannen elkaar niet meer kunnen verstaan. De strijdkreet van de bergbewoners klinkt door het kasteel, ‘Lacuzon! Lacuzon!’

Dan wordt de deur van de kapel opengegooid. Soldaten dringen naar binnen, geleid door Lacuzon.

‘Eindelijk!’ roept Lacuzon verheugd uit. Hij loopt op zijn bondgenoot toe en neemt zijn handen in de zijne.

 

 


 

De kardinaal

 

215. Dan deinst Lacuzon plotseling terug: ‘De kardinaal’, mompelt hij. Hij staart Richelieu aan die naast Marquis staat. Het is een belangrijk moment en ieder voelt dat het leven van de kardinaal aan een zijden draad hangt. Marquis weet dit en ook de kardinaal vermoedt wat hem te wachten staat. De kardinaal heeft echter zijn oude fierheid en kalmte hervonden. Hoewel hij geheel wordt omringd door bergbewoners die de hand aan het zwaard houden, kijkt hij zelfverzekerd

alsof zijn eigen lijfwacht hem omringt.

Dan begint Marquis te spreken: ‘Jean-Claude’, zegt hij met heldere stem, ‘en jullie allen, mijn vrienden.... jullie hebt mij gered.... ik weet dat u dit als uw plicht voelde… Luister nu naar wat ik ga zeggen.’

Marquis draait zich om, zodat hij Richelieu recht in

het gezicht kijkt. ‘Monseigneur, kardinaal Richelieu, eerste minister van Lodewijk XIII, ik, Pierre Marquis verleen u namens het leger van de Franche-Comté gratie.

Ik geef mijn woord als priester en als soldaat dat u geen kwaad zal geschieden’. Een gemompel gaat op in de rijen bergbewoners.

‘Mijn vader!’ roept Lacuzon uit, ‘weet goed wat u zo juist hebt gezegd. Richelieu sparen... dat is niet volgens de oorlogsreglementen.

Hoe kunt u dat zeggen?’

‘Ik was volkomen in de macht van de kardinaal’, antwoordt Marquis. ‘Hij hoefde maar een woord te zeggen en mijn leven zou ten einde zijn. Hij zei echter niets. Hij liet mij leven, zonder ook maar een enkele voorwaarde te stellen’.

 

 


 

De rol van de man met het zwarte masker

 

216. ‘We kunnen niet iemand veroordelen die mij het leven schonk, ‘zegt Marquis, zich tot Lacuzon wendend, ‘dat zou een oneer zijn voor de provincie!’

‘Dat is waar’, zegt Lacuzon. Dan wendt de priester zich weer tot de kardinaal.

‘Monseigneur, u bent vrij’, zegt hij.

‘Wat?’ roept Richelieu uit. ‘U schenkt mij vrijheid, zonder dat u voorwaarden stelt?’

‘Ja, Monseigneur, de geschiedenis zal niet verhalen over dood van Richelieu, nadat hij Marquis de vrijheid had geschonken’. Hij loopt op de kardinaal toe die hem de hand reikt.

‘U hebt onoverwinnelijke vijanden’, mompelt Richelieu. ‘Nooit heb ik dat zo goed begrepen als op dit moment’.

‘Monseigneur’, herneemt Marquis, ‘ik zou u graag een vraag willen stellen’. ‘Welke die vraag ook mag zijn, ik zal hem beantwoorden’.

‘Is de man met het zwarte masker nog in het kasteel?’

‘Nee, hij is toen de nacht begon te vallen, vertrokken met de hertog van Guébriant’.

Lacuzon maakt een woedend gebaar. ‘Ach sire de

Montaigu, we zullen elkaar weerzien op het kasteel De Arend’, mompelt hij.

‘Wat?’ roept Marquis verbaasd uit, ‘Antide de Montaigu?’

‘Dat is dezelfde als de man met het zwarte masker’, antwoordt Lacuzon. ‘Magui wist het en Raoul heeft zich niet vergist’.

‘Hebt u het bewijs van wat u daar zegt?’

‘Ja, en ik heb de verrader horen spreken met de sire de Guébriant. Hij wilde Varroz en mij in een hinderlaag lokken en ons overleveren aan de Fransen om op die manier de tegenstand in de Franche-Comté te breken’.

‘De ellendelingen’, mompelt Marquis. ‘Ja, inderdaad, voor u zijn het ellendelingen’, herhaalt Richelieu. ‘Uw ontdekking dat de man met het zwarte masker en Antide de Montaigu dezelfde zijn, is voor u nog belangrijker dan u waarschijnlijk dacht. De heer van het kasteel De Arend is niet langer gevaarlijk voor u en ik moet u bekennen dat hij voor ons de belangrijkste man was om de Franche-Comté in onze macht te krijgen’

 

 


 

U blijft onze gevangene

 

217. ‘Mijne heren,’ zegt Richelieu. ‘De winter nadert en de strijd is beëindigd. En als ik het wel heb, zal koning Lodewijk XIII deze strijd niet opnieuw beginnen. U hebt Richelieu overwonnen. Onze troepen zullen zich terugtrekken’.

‘Er blijft nu echter nog één verschrikkelijke plicht over,’ zegt dan Marquis. ‘Binnen enkele dagen zal de verrader Antide de Montaigu zich voor het parlement van Dôle moeten verantwoorden en het kasteel De Arend zal verdwijnen’.

‘En dat zal recht zijn,’ voegt Richelieu aan deze woorden toe. Op dit ogenblik komt Gerbas binnen.

‘Wat gebeurt er?’ vraagt Lacuzon aan hem.

‘Franse en Zweedse troepen marcheren op naar het kasteel. Het zijn ongeveer vijftienduizend man en ze zijn verdeeld in drie troepen.’

Na dit kwade bericht bewaart de kapitein zijn kalmte. ‘Goed’, antwoordt hij, ‘waar is Raoul?’

‘Hij houdt de voornaamste toegang tot het kasteel bezet. Hij heeft de posten verdeeld en iedereen is op zijn plaats.’

‘Goed. Heeft men nog gevangenen gemaakt?’

‘Ja, kapitein.’

‘Bevinden zich onder hen nog belangrijke officieren?’

‘Eén, kapitein. De markies van Feuquières’.

‘Laat hem hierheen brengen’.

‘Ik ben bang dat uw troepen zich te veel hebben gehaast, Monseigneur’, zegt dan Lacuzon tegen de kardinaal.

‘Wat bedoelt u, kapitein?’

‘Ik bedoel, Monseigneur dat u onze enige belangrijke krijgsgevangene bent. We hebben u zojuist uw vrijheid teruggegeven, maar die zullen we nu noodgedwongen in moeten trekken. U blijft onze gevangene.’

Maquis maakt een gebaar, maar Lacuzon geeft hem geen kans tot spreken.

‘Mijn vader’, roept hij uit. ‘Eén seconde van zwakheid doet ons deze hele strijd verliezen. De vijfhonderd man die ons vergezellen, zullen sterven ik geef mijn erewoord dat met de kardinaal niets zal gebeuren!’

 

 


 

Hoe verlaten we Bletterans?

 

218. Even later komt Gerbas de kapel binnen met de markies van Feuquières.

‘Monseigneur’, zegt Lacuzon, ‘wilt u aan de markies van Feuquières opdracht geven de tenten van de Fransen rondom het kasteel op te laten slaan op een behoorlijke afstand van het kasteel? Het is beslist noodzakelijk dat deze order wordt gegeven voor wij worden aangevallen’.

‘Hebt u het gehoord, generaal?’ vraagt de minister.

‘Ja, monseigneur’.

‘Goed, ga dan en doe uw plicht’.

‘Generaal’, zegt Lacuzon, ‘wilt u als u uw opdracht hebt vervuld hier terugkomen?’

‘Ik zal terugkeren’, antwoordt de Fransman.

‘Waarom?’ vraagt Marquis nadat de markies van Feuquières is vertrokken. ‘Waarom laat u de troepen zich opstellen rondom het kasteel in plaats van hen terug te laten keren? Vertrekken we vannacht niet?’

‘Nee’.

‘Waarom niet?’

‘Ik wil niet dat onze terugtocht een vlucht wordt. We verlaten Bletterans op klaarlichte dag en onze mannen zullen triomferend tussen de vijftienduizend Fransen doorlopen, terwijl zij ons het geweer presenteren’.

‘Maar is dat niet het gevaar uitdagen?’

‘Er bestaat geen gevaar’.

‘Wat is uw plan?’

‘Je zult het spoedig weten’.

Marquis dring niet langer aan.

Dan geeft de kapitein order de kardinaal alleen te laten. Lacuzon, Pied-de Fer en Gerbas bewaken de drie ingangen tot de kapel. Zij durven de bewaking van een zo belangrijke gevangene niet aan anderen over te laten. De Franse troepen hebben gehoorzaamd aan het bevel dat de markies hun overbracht en de markies is in het kasteel teruggekeerd.

De nacht verloopt rustig en het lijkt of het kasteel van Bletterans niet van meester is veranderd.

 


 

Het Franse leger

 

219. De dag is aangebroken. Lacuzon haast zich naar de wallen, nadat hij aan Marche-à-Terre opdracht heeft gegeven in zijn plaats over de kardinaal te waken. Het vijandelijke Franse leger heeft op een paar honderd meter afstand van het kasteel zijn tenten opgeslagen. Lacuzon kijkt naar het enorme leger en denkt aan zijn eigen kleine groepje. Vergeleken met het Franse leger is deze groep bergbewoners een waterdruppel in een oceaan. De kapitein glimlacht triomfantelijk.

Dan loopt hij terug naar de kapel en klopt aan bij de kardinaal. Deze is in gesprek gewikkeld met Marquis en de markies van Feuquières.

‘Monseigneur’, zegt Lacuzon, ‘het ogenblik van vertrek is aangebroken. Het spijt ons dat wij u een voorstel moeten doen dat niet overeenkomt met uw

en onze principes, maar het is ons enige behoud’.

‘Spreek, kapitein’.

‘We zullen u als schild moeten gebruiken. Het Franse leger zal zich in twee rijen moeten opstellen. Wij zullen tussen die rijen doorlopen met opgeheven hoofd en met een rustig hart, omdat u voorop zult lopen. Ik loop naast u en geen Fransman zal naar zijn zwaard durven grijpen’. De kardinaal is bleek geworden en er staan rimpels op zijn voorhoofd.

‘U durft veel, kapitein’.

‘Zodra wij door de laatste rijen soldaten heen zijn gelopen, bent u vrij’.

‘Wie garandeert mij dat?’

‘Mijn woord, monseigneur’.

 

 


 

De vreemde optocht

 

220. De orders van Richelieu, of liever die van Lacuzon, worden stipt uitgevoerd. De soldaten scharen zich naast elkaar in twee rijen en binnen enkele uren staan de soldaten opgesteld zover men kan kijken. Er wordt veel gemopperd in het Franse leger als de orders van Lacuzon bekend worden, maar zij kunnen niet anders doen dan gehoorzamen, omdat hun grootste leider, de kardinaal, gevangen gehouden wordt.

De poort van het kasteel gaat open. Een kleine groep bergbewoners komt naar buiten. Eerst komt een voortroep die uit ongeveer honderd man bestaat en die wordt geleid door Raoul de Champ d'Hivers. Vooraan loopt Gerbas met een klaroen, waarop hij triomfmarsen speelt.

Driehonderd man volgt deze eerste groep en in het midden daarvan loopt, tussen Lacuzon en Marquis in, Richelieu. De Fransen kijken nors en blikken vol haat worden op de bergbewoners geworpen. Soms kunnen enkele Fransen zich niet meer beheersen, de gelederen worden onrustig. Maar de officieren treden snel op. Ongeregeldheden mogen niet voorkomen nu het leven van de kardinaal op het spel staat.

Honderd andere bergbewoners vormen de achterhoede. Ondertussen loopt de stoet bergbewoners door.

Gerbas blaast op zijn klaroen. Nooit is er zo'n vreemde optocht geweest.

 

 


 

Naar de bergen van de Jura

 

221. Eindelijk komen de bergbewoners aan het eind van de lange rijen Fransen. Richelieu staat stil.

‘Ben ik vrij?’ vraagt bij.

‘Nog niet, Monseigneur’, antwoordt Lacuzon.

‘Wij kunnen geen risico's nemen.’

De kapitein geeft opdracht aan Marche-à-Terre om aan één van de Franse officieren vijftig soldaten te vragen die de kardinaal op zijn terugweg kunnen vergezellen.

Dan zet de troep zich weer in beweging. Na een halfuur bereikt de stoet Lons-le-Saunier. Lacuzon wil de stad niet doortrekken. Hij slaat af naar rechts en spoedig bereiken zij de bergketen van Revigny. Lacuzon laat halt houden. ‘Monseigneur’, zegt hij ‘U bent vrij.

Uw soldaten staan op u te wachten.’ ‘Monseigneur’, voegt Marquis aan de woorden van Lacuzon toe. ‘Sta mij toe te hopen dat ik u nooit terug zal zien.’

‘Wie weet?’ mompelt Lacuzon.

Dan  brengen Lacuzon en Marquis een eerbiedige groet aan de kardinaal. Deze beantwoordt de groet met een hoofdknik. Dan draait hij zich om en voegt zich bij de vijftig soldaten die hem staan op te wachten.

‘Leve de Franche-Comté’, roept een man uit de troep van Lacuzon. Alle anderen stemmen met deze vreugdekreet in. Dan marcheren ze in snel tempo door in de richting van de Jura. Nog nooit heeft Lacuzon een zo glorieuze overwinning behaald.

 


 

Wanneer het kasteel aanvallen?

 

222. De bergbewoners worden nu verdeeld in drie groepen. Er wordt stevig gemarcheerd. Als de troepen de eerste bergketens van de Jura bereiken gaat Lacuzon naar de eerste troep die wordt aangevoerd door Marquis, Pier de Fer en Gerbas.

‘Heb je al een plan opgemaakt, Jean- Claude?’ vraagt de pater, nadat Lacuzon hem heeft verteld wat er is gebeurd in de tijd van zijn gevangenschap. - De tijding dat de vader van Raoul en de moeder van Eglantine nog in leven zijn, ontroerde Marquis sterk. –

‘Ja,’ antwoordt Lacuzon. ‘Morgen zal het kasteel De Arend niet meer bestaan! We moeten Eglantine en haar moeder uit het kasteel bevrijden. Antide de Montaigu nemen we gevangen en hij zal worden veroordeeld door het parlement van Dôle.’

‘Wanneer zullen we het kasteel aanvallen? ‘

‘Vannacht nog’.

‘Zullen we de verrader daar vinden?’

‘Dat betwijfel ik, want als Richelieu ons de waarheid heeft gezegd dan gaat hij op het ogenblik met de hertog van Guébriant naar Besançon. Maar wat doet het er toe! We zullen zeker de gelegenheid krijgen om hem gevangen te nemen.’ De troepen marcheren nu door een diepe vallei.

‘Gerbas,’ zegt Lacuzon’, ‘de boerderij van François Drouhin is hier niet ver vandaan, nietwaar?’

‘Nee, kapitein, het is op deze hoogte’.

‘Zijn er paarden?’

‘Ja, hij heeft er drie!’

‘Ga dan zo snel je kunt naar de boerderij en leen er een paard, rijd dan naar de grote waterval en ga vandaar te voet verder. Als je in Gangônes bent gekomen, moet je de kolonel vertellen wat er is gebeurd en vraag hem mij op te willen wachten met de mannen waarover hij kan beschikken.’

‘Goed kapitein, is dat alles?’

‘Dat is alles!’

 


 

Het geweerschot

 

223. Snel klimt Gerbas naar boven. Als hij op een plateau is aangekomen kijkt hij nog even om naar het kleine groepje mannen dat zich ver beneden hem voortspoedt. Dan ziet hij plotseling iets verdachts. Zijn ogen worden groot van schrik. Hij zet de handen aan zijn mond en probeert zo hard te schreeuwen dat Lacuzon hem ondanks de grote afstand toch zal horen: ‘Pas op! Wees voorzichtig.’

Lacuzon draait snel het hoofd om om te kijken waar het gevaar waarover Gerbas het kennelijk heeft, zich bevindt. Op hetzelfde moment komt uit een bosje een rookwolk en een geweerschot weerklinkt. Een kogel vliegt over de hoofden van de mannen en neemt de hoed van Lacuzon in zijn vaart mee.

‘Goed gericht’, mompelt Lacuzon. ‘Als ik mijn hoofd niet gebukt had was het mijn hoofd geweest in plaats

van mijn hoed.’

Opnieuw zet Gerbas de handen aan zijn mond en zijn woorden bereiken ook deze keer Lacuzon ‘De man met het zwarte masker!’

Enkele bergbewoners beginnen vlug de omgeving af te zoeken naar degene die zo verraderlijk de kapitein aanviel. Maar de onderzoekingen blijven zonder resultaat.

‘Kapitein, wees voorzichtig!’ roept Gerbas nog vanaf zijn hoge standplaats.

Dan loopt hij haastig verder om zijn opdracht te vervullen.

‘Wel’, zegt Lacuzon glimlachend tot de pater. ‘Ik begin werkelijk te geloven dat de heer van het kasteel De Arend nog gevaarlijker is dan wij dachten!’

 


 

Verdwenen

 

224. ‘Ik begrijp niet hoe de verrader heeft kunnen ontsnappen,’ zegt Lacuzon, terwijl bij zijn hoed weer opzet.

‘Dat zal Gerbas ons waarschijnlijk later kunnen vertellen,’ antwoordt Marquis.

‘Ik vind dit heel vreemd. De Montaigu zou op het ogenblik op weg zijn naar Besançon en dit dal ligt vlak bij de weg naar het kasteel De Arend.’

‘Misschien kan hij vermoeden wat er is gebeurd.’

‘Dat geloof ik niet.... Hij kan niet weten dat het geheim van de man met het zwarte masker geen geheim meer voor ons is!’

De kleine groep marcheert haastig verder.

In werkelijkheid is er niets vreemds aan de aanwezigheid van Antide de Montaigu. Op het ogenblik dat de boeren hun aanval op het kasteel begonnen, was hij tussen de Franse troepen.

Toen hij hoorde wat er precies was gebeurd, besloot hij direct terug te keren naar het kasteel De Arend, gevolgd door twee dienaren. Omdat hij bang was dat Richelieu als gevangene van Lacuzon, zijn identiteit zou verraden, besloot hij dat hij nergens veiliger was dan op zijn kasteel.

Van een derde knecht hoort De Montaigu wat er na zijn vertrek is gebeurd en direct ontwerpt hij een plan. Hij verbergt zich langs de weg die de groep bergbewoners moet volgen en is vastbesloten Lacuzon te doden.

Gerbas heeft het plan door zijn geschreeuw echter in de war gestuurd. Na het schot is de verrader direct op zijn paard gesprongen en met zijn twee helpers verdwenen in de richting van het kasteel De Arend.

 

 


 

Antide de Montaigu is op zijn hoede

 

225. Terwijl Gerbas naar de herberg van Gangônes op weg is, berekent Lacuzon dat kolonel Varroz en Tristan de Champ d'Hivers niet eerder in Saut-Girard kunnen zijn dan een uur na de aankomst van zijn eigen troep. Hij is dan ook hoogst verbaasd als hij in Saut-Girard Varroz als eerste aantreft.

‘Hoe is het mogelijk dat u hier het eerst bent, kolonel!’ roept hij uit. ‘Hoe heeft Gerbas u zo snel kunnen waarschuwen?’

‘Gerbas is niet tot de herberg van Gangônes gekomen, want hij trof ons hier aan.’

‘Hoe is dat mogelijk?’

‘We werden gewaarschuwd.’

‘Gewaarschuwd?’ herhaalt Lacuzon verbaasd.

‘Door wie?’

‘Door mij, kapitein,’ zegt Magui die plotseling naar voren treedt. Zij vervolgt: ‘Gisteren heb ik van verre de bergbewoners gevolgd tot aan het bos waar zij zich zouden verbergen, vlakbij Bletterans en toen ik er zeker van was dat het kasteel en de generaal in uw macht waren, heb ik dit nieuws direct naar de

kolonel gebracht.’

Lacuzon neemt de handen van de oude vrouw in de zijne.

Varroz begint weer te spreken: ‘Ik dacht dat u nu zo spoedig mogelijk het

kasteel De Arend wilde aanvallen en daarom ben ik zo snel hierheen gekomen!’

‘Laten we dan nu plannen gaan maken om het kasteel te veroveren,’ zegt Lacuzon.

‘Wat had u gedacht?’ vraagt Varroz.

‘We zullen zien. Beschikt de heer van het kasteel De Arend over veel mensen?’

‘Ja, want behalve de mannen van zijn garnizoen, zijn er vanmorgen ongeveer tweehonderdvijftig Grijzen gearriveerd.’

‘Bent u daar zeker van?’

‘Ja. Vier van onze mannen die verkleed waren als boeren hebben hen het kasteel zien binnengaan.’

‘De aankomst van deze groep is het bewijs dat Antide de Montaigu op zijn hoede is.’

 

 


 

Het kamp bij Saut-Girard

 

226. Lacuzon staat even in gedachten verzonken. ‘De natuur is de grootste beschermer van het kasteel De Arend,’ zegt hij langzaam. ‘Dan zijn er de oorspronkelijke bezetting en de aanvulling van tweehonderdvijftig Grijzen.... Dat alles samen is gelijk te stellen met tweeduizend man in het open veld.’

Varroz voegt aan deze woorden toe: ‘We zullen onze beste krachten moeten verzamelen willen we een kans van slagen hebben. Dat zal weer oponthoud geven.’

‘Dat doet er niet toe. We sturen boodschappers in alle richtingen. Vanavond zullen we over twaalf à vijftienhonderd man beschikken  ....... ‘

‘En wanneer vallen wij aan?’

‘Als de nacht invalt.’

Snel worden nu orders gegeven en om twintigtal

bergbewoners vertrekt even later in alle richtingen. Zij hebben trompetten bij zich waarop zij op gezette tijden blazen, daarmee de boeren opwekkend de wapens op te nemen en zich te verzamelen. Een eenvoudig kamp wordt opgeslagen nabij Saut-Girard. Vlammen vuren op.

Als de nacht begint te vallen, zijn de troepen compleet. Vijftienhonderd man heeft zich in de vallei verzameld. Iedereen begrijpt dat een belangrijke gebeurtenis te wachten staat die ver boven de kleine schermutselingen van iedere dag uitsteekt. Vlak voor het sein tot vertrek zal worden gegeven, klimt Marquis op een rots, zodat hij de hele legerschaar kan overzien en met zijn hart, zijn lippen zijn handen geeft hij de strijders de zegen.

Dan roept Lacuzon: ‘Voorwaarts!’

 

 


 

Aanval op het kasteel de Arend

 

227. De troep trekt in stilte voorwaarts. De nacht is somber. Al spoedig komt het kasteel in zicht. Machtig verheffen zich de geweldige torens en transen zwart tegen de iets lichtere achtergrond van de lucht. Het lijkt of alles in het kasteel slaapt. Geen ander geluid is te horen dan dat van de wind. Dan verscheurt plotseling het geluid van een trompet de diepe stilte van de nacht. Het is een dreigend en somber geluid.

Na een stilte klinkt plotseling een heldere stern in de nacht: ‘Antide de Montaigu, heer van het kasteel De Arend, man met het zwarte masker, verrader en pleger van meineed! U hebt de Franche-Comté aan de Fransen verkocht. U hebt hen die uw land verdedigen, verraden op een laffe en lage manier! Wachtend op uw arrestatie door het parlement dat u ter dood zal veroordelen voor uw verraderlijke rol, verklaren wij, leiders van de Franche-Comté,

Marquis, kolonel Jean-Varroz en kapitein Jean-Claude Lacuzon dat uw kasteel zal worden verwoest en dat u naar Dôle zult worden geleid, dood of levend!’

Dan blaast Gerbas weer op zijn trompet, dreigender en somberder dan de eerste keer.

Als de laatste toon is weggestorven verschijnt plotseling Antide de Montaigu op de muur van het kasteel.

Met een stem, trillend van woede en haat roept hij uit: ‘Tot jullie drieën, Pierre Marquis, slecht priester en slecht soldaat, Jean Varroz, zielige oude man, Lacuzon, leider van een handjevol bandieten, zeg ik, heer van het kasteel De Arend dat jullie zullen hangen aan de hoogste toren van dit kasteel.’

Een diepe stilte ontstaat na deze vreselijke bedreiging, maar lang duurt deze stilte niet.

 


 

Blanche de Mirebel en haar dochter Eglantine

 

228. In een van de torens van het kasteel De Arend zorgt Blanche de Mirebel voor haar dochter Eglantine. De ongelukkige jonge vrouw - want Blanche de Mirebel is pas drieënveertig jaar hoewel ze door de vele ontberingen die zij heeft moeten doorstaan veel ouder lijkt - voelt zich krachtiger en levenslustiger dan ooit, nu zij haar dochter heeft teruggevonden. Eglantine heeft eerst gedacht dat Lacuzon haar had achtergelaten bij een krankzinnige die haar voor haar dochter hield - immers, men had Eglantine altijd gezegd dat haar moeder niet meer leefde -, maar nu is een innige verhouding ontstaan. De twee vrouwen wachten vol vertrouwen op de terugkeer van Lacuzon.

Deze avond is Eglantine, oververmoeid door de gebeurtenissen van de laatste dagen, vroeg ingeslapen. Haar moeder zit naast het bed... Steeds heeft zij op het punt gestaan Eglantine te vertellen dat Pierre Prost haar vader niet is, maar steeds weer herinnerde zij zich de woorden van Lacuzon: ‘Dit is

uw dochter, zij heet Eglantine, zij gelooft dat haar moeder is gestorven en dat de dokter van de armen haar vader is. Zorg goed voor haar. Ik kom zo spoedig mogelijk terug om jullie te halen.’

Twee dagen zijn sindsdien voorbijgegaan. Er kan niets gebeuren, want Antide de Montaigu is ervan overtuigd dat Eglantine is ontvlucht. En het is meer dan vijftien jaar geleden dat hij zijn voet over de drempel van Blanche's kamer zette. En de knecht die haar dagelijks haar eten brengt, doet dat zoals ook Tristan de Champ d'Hivers zijn eten kreeg. Niemand komt ooit in haar kamer.

Plotseling heft Blanche haar hoofd op. Zij meent van ver stemmen te horen die niet in de stilte van deze nacht thuishoren. Zij loopt naar het venster en probeert de geluiden te onderscheiden. Zwak dringt het geluid van Gerbas' trompet tot haar door....

Dreigend en sinister....

 

 


 

Zitten ze in de val?

 

229. Blanche rilt. Ze kijkt naar Eglantine die nog steeds ligt te slapen. Dan hoort zij de stem die Antide de Montaigu uitmaakt voor een leugenaar en een pleger van meineed.

‘Hoor je dat?’ fluistert ze, terwijl ze Eglantine wekt.

‘Wat, moeder?’ vraagt het meisje.

‘De drie aanvoerders van de bergbewoners, Lacuzon, Varroz en Marquis.’

‘Ah!’ juicht Eglantine, terwijl zij uit het bed springt. ‘Wij zijn gered!’

Dan horen zij de stem van Antide de Montaigu. ‘Jullie zullen hangen aan de hoogste toren van mijn kasteel!’ Een diepe stilte valt in na de woorden van de heer van het kasteel De Arend. Dan horen zij zijn stem weer: ‘Vuur, voor deze waaghalzen die mijn

kasteel durven aan te vallen!’

Op deze woorden breekt een geweldig lawaai los. Honderden schoten weerkaatsen duizendvoudig in de vallei.

‘Moeder.... moeder’, fluistert Eglantine, terwijl zij zich tegen Blanche aandrukt. ‘Ze zullen gedood worden en dan zijn wij verloren!’

Dan dringt de stem van Lacuzon tot moeder en dochter door: ‘Voorwaarts, bergbewoners. Op tegen de verrader van onze provincie’.

Eglantine heft het hoofd dat zij even had laten hangen, weer op en met stralende ogen roept zij uit. ‘Wij zullen gered worden!’

Vol spanning wachten de twee vrouwen op het eind van deze verschrikkelijke strijd.

 


 

Aan de kant van d'Ilay is het kasteel onneembaar

 

230. Deze aanval op het kasteel De Arend was geen verrassing voor Antide de Montaigu. Zodra hij hoorde van Lacuzon's succes op Bletterans, heeft de verrader zijn voorzorgen genomen. Eerst heeft hij zich verzekerd van een versterking van tweehonderdvijftig Grijzen. Onmiddellijk na hun aankomst werden zij op hun posten gezet en voorzien van wapens. Alle andere inwoners van het kasteel zijn voor de aanval gewaarschuwd om op hun hoede te zijn. De soldaten van Lacuzon wacht een moeizame strijd!

 

Het garnizoen dat het kasteel beschermt is zeer groot, maar nog belangrijker is voor De Montaigu de uitnemende ligging van zijn burcht. Aan de kant van d'Ilay is het kasteel onneembaar, dank zij de steile rotsen waarop het kasteel is gebouwd. Ook aan de drie andere zijden is het kasteel moeilijk te benaderen. Het plan dat Marquis, Lacuzon en Varroz hebben gemaakt is heel eenvoudig  maar ook heel erg dapper.

Twee pelotons van vijftig man onder aanvoering van Marquis houden steeds dat deel van de muur onder vuur waarin de poort en de grootste ophaalbrug zich bevinden. Terwijl de beste schutters zich van deze taak kwijten - de Grijzen die niet genoeg dekking zoeken achter de kantelen neermaaiend - zwemmen Lacuzon en Varroz met hun mannen de gracht over en plaatsen ladders tegen de muur. Met de bijl in de ene en het geweer in de andere hand verschijnen zij even later op de wallen.

Aanvankelijk ondervinden zij grote tegenstand van de Grijzen, maar de onverschrokken moed van de boeren doet de verdedigers terugdeinzen. De cirkel rondom de boeren wordt steeds groter. Terwijl de boeren van Marquis de twee andere troepen door hun vuur dekken beginnen enkele boeren met hun bijlen de kettingen van de ophaalbrug door te hakken.

 

 


 

Antide trekt zich terug achter de ommuurde binnenplaats

 

231. De strijd gaat onverminderd voort. Terwijl de mannen van Lacuzon en Varroz de kettingen van de ophaalbrug doorhakken, vuren de soldaten van Marquis onophoudelijk op de Grijzen. Deze zijn echter weer naar voren gedrongen. Ze hebben zich hersteld van de onverwachte aanval op dit deel van de muur en vechten verbeten voor het behoud van het kasteel.

Dan gaat echter onder de bergbewoners een gejuich op: de ophaalbrug is met donderend geraas naar beneden gekomen. De bergbewoners hollen de brug op, onder het gewelf door en verbrijzelen de houten poort die de toegang verspert.

Dan rennen de mannen de eerste ommuurde ruimte binnen.

Het is duidelijk dat zij de strijd reeds als gewonnen beschouwen.

Daarin vergissen zij zich echter. Antide de Montaigu heeft namelijk, direct nadat de brug naar beneden was gevallen, zijn troepen teruggetrokken in een tweede ommuurde binnenplaats, nadat zij de tweede ophaalbrug achter zich hebben opgehaald en de tweede poort hebben gesloten. De bergbewoners moeten de strijd opnieuw beginnen, nu echter in een veel moeilijker positie, daar zij tussen twee muren instaan. Vanaf de muur beschieten de  Grijzen die zich na de terugtrekking onmiddellijk hebben hersteld, de bergbewoners. Vele bergbewoners vallen onder de kogels van de Grijzen.

 


 

Een aanval op de muur van de binnenplaats?

 

232. De situatie wordt hoe langer hoe kritieker voor de bergbewoners. Met een verbeten gezicht ziet Lacuzon die zich midden in het gevecht bevindt, hoe zijn mannen sneuvelen. Dan laat hij de ladders halen die dienst hebben gedaan bij de vorige aanval. Zij worden weer tegen de muur gezet en de kapitein staat op het punt het teken van de tweede aanval te geven.

Marquis, aan wie hij zijn plan voorlegt, blijkt echter een heel ander plan te hebben dan Lacuzon.

‘We kunnen als we hard doorvechten zeker meester worden van deze muur. We hebben dan het plein in onze macht en daarmee het kasteel.’

‘U hebt gelijk,’ antwoordt de priester, ‘maar we zouden onnodig vele levens van onze mannen in de

waagschaal leggen.’

‘Wat kunnen we dan doen?’

‘Varroz moet de vijand van een ander punt uit aanvallen. Het doet er niet toe of deze aanval zal gelukken of niet. Het gaat erom dat de vijand zijn aandacht op twee punten zal moeten vestigen. Wat denk je van mijn plan, Jean-Claude?’

‘Het lijkt me goed.’

‘Laten we het dan direct met de kolonel bespreken. Waar is Varroz?’

‘Ik zag hem zo juist nog bij de brug.’

‘Varroz!’ roept Marquis. Niemand antwoordt echter op deze kreet.

‘Kolonel!’ schreeuwt op zijn beurt Lacuzon.

 

 


 


Zijn Marquis en Varroz dood?

 

233. Kolonel Varroz antwoordt niet op het roepen van Lacuzon en Marquis. Deze stilte verontrust de pater en de kapitein. Of Varroz is naar een andere plaats gegaan of hij is dood; de laatste mogelijkheid ligt het meest voor de hand, omdat de kolonel altijd daar is waar gevaar dreigt. De bergbewoners echter hebben Marquis en Lacuzon om Varroz horen roepen en zij hebben ook gehoord dat op dit roepen geen antwoord kwam. Als een lopend vuurtje verspreidt zich het nieuws van Varroz zijn dood.

Even later gaat het nieuws rond dat ook Marquis dood is. Een diepe neerslachtigheid maakt zich van de mannen meester. Alle strijdlust uit het begin van

het gevecht lijkt weg te vloeien.

Verslagen kijken de boeren elkaar aan en even later staren zij verdwaasd naar de muren van het kasteel van waaraf een plotselinge korte stilte is ingevallen.

Twee van de drie grote onoverwinnelijke leiders zijn gesneuveld. Waarom zullen deze boeren dan doorvechten?

Zachtjes wordt er gemompeld: ‘Varroz is dood! Marquis is dood!’ En enkele van de tot dan toe altijd moedige boeren beginnen zich terug te trekken.

Alleen de moedigsten blijven op hun plaats.

 


 

Is Marquis toch ongedeerd?

 

234. Het gefluister van de bergbewoners bereikt ook de oren van Lacuzon en Marquis: ‘Marquis is dood’. En de twee leiders begrijpen direct dat het van het grootste belang is hun soldaten zo spoedig mogelijk te laten weten dat dit bericht onjuist is, want de bergbewoners zijn zonder leiders als kinderen zonder ouders. Maar hoe moet men midden in de nacht meedelen dat Marquis nog leeft?

‘Hier ben ik, ik leef nog’, schreeuwt Marquis. Maar zijn woorden gaan verloren in het lawaai om hem heen en de mare blijft de ronde doen: ‘We zien de rode mantel niet meer!’

Lacuzon en Marquis zijn radeloos. Op deze manier is de strijd verloren.

‘Hoe brengen wij hun het nieuws dat u nog leeft?’ vraagt Lacuzon.

‘Ik zal hun mijn rode mantel tonen’.

‘Maar hoe?’

‘Geef het sein voor de aanval. Ik zal dan als eerste de ladder opgaan, zodat ze me allen kunnen zien.’

‘Inderdaad’, zegt Lacuzon.

‘Maar ook de Grijzen zullen u direct herkennen’.

‘Dat doet er niet toe’.

‘U zult het doelwit zijn van honderden kogels!’

‘Dat doet er niet toe’, herhaalt Marquis. En hij voegt er met een glimlach aan toe: ‘Je weet heel goed dat mijn rode mantel ondoordringbaar is!’

Lacuzon gehoorzaamt met een bezwaard hart aan het voorstel van de pater. Een flambouw wordt aangestoken en in het licht daarvan zien de soldaten Marquis ongedeerd in zijn rode mantel. Een gejuich gaat op. Dan beveelt Lacuzon de aanval. De soldaten, weer vol moed, storten zich op de ladder. De pater gaat voorop, gevolgd door de kapitein.

 


 

Zijn laatste wens: Champ-Sarrazin

 

235. Een verschrikkelijke strijd breekt los bij de muur.

‘Dooft de lichten’, schreeuwt Lacuzon.

‘Voorwaarts! Lacuzon! Lacuzon! Lacuzon!’ herhalen de bergbewoners en aangemoedigd door deze kreet bestormen zij de ladder. Maar de priester gaat niet met hen mee. Hij wankelt even en valt dan achterover in de armen van Lacuzon en Gerbas.

‘Ben je gewond, mijn vriend?’ fluistert Lacuzon ontroerd.

‘Ja’, antwoordt Marquis, ‘gewond, dodelijk gewond ... Maar wees stil ... Laten zij het niet weten!’ Bloed golft uit de mond van de dappere man.

Na enkele seconden begint hij weer te spreken. ‘Luister, Jean-Claude, de bergbewoners geloven in mijn ondoordringbare rode mantel ... Zeg hun niets. Vertel niet dat Marquis dood is!’

‘Dood’, herhaalt Lacuzon die doodsbleek is geworden,

‘dat is niet mogelijk, u kunt niet sterven.’ 

‘Binnen één minuut zal het gebeurd zijn’, vervolgt Marquis. ‘Wees kalm. En vooral: wees sterk. Laat mij begraven in Champ-Sarrazin ... mijn laatste wens en laat het geheim van de rode mantel meegaan in mijn graf...’ De stem van Marquis stokt. Met een laatste krachtsinspanning neemt hij de hand van Lacuzon. ‘Je hand, mijn zoon ... het geheim… vaarwel ... !’ Dan valt zijn hoofd opzij. Marquis is gestorven.

Lacuzon kan dit vreselijke feit nog niet geloven. Voorzichtig legt hij het lichaam van zijn vriend op de grond en voelt op de plaats van zijn hart. Het is afgelopen ... nu weet hij het. Maar voor tranen is nu geen tijd.

Lacuzon geeft Gerbas opdracht over het lichaam te waken. ‘Verberg het in de rotsen bij de hoofdtoren van het kasteel. Na strijd kom ik terug.’

 


 

Zijn er vrijheidsstrijders midden in het kasteel?

 

236. Na een laatste groet aan de priester gaat de kapitein de strijd